Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

Fatsoen moet je ook online doen English Version

—Internet als digitale schandpaal—

dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam

Identiteit en beschaving
Sociale controle en fatsoen
Fatsoens- en beschavingsnormen
Spruitjeslucht
Anonimiteit als schild en wapen
Vrijheid en ontremming
Netsletten en nethufters
Cultuur van de grote bekken
Agressie op internet
Verschuiving privé en openbaar
Virtualisering van de schandpaal
Gezellig en digitaal roddelen
Virulente roddels
Digitaal lynchen
Worst Cases
Bus Uncle
Kakmadam
StarWars Kid
Verblinde date
Julie’s verkrachter
Seksdagboek van studenten
Dagboek van een bolletjesofficier
Leraar verliest geduld
Prins aan de schandpaal
Schaamteloze exploitatie van schaamte
Vervreemding van virtuele goederen
Dieven in Habbo Hotel
Vervreemding in RuneScape
Internet als burgerwacht en dievenvanger
Eigenmachtige opsporing
Hinderlijk volgen en brandmerken
Snoopy: klopjacht op hondendoder
Jagen op veroordeelde pedofielen
Politie zoekt extra ogen
Politieke overdrijvingen
Amber Alert
Opsporingssites
Kabinet van betutteling?
Belediging en discriminatie
Zelfregulatie van virtuele gemeenschappen
Utopie van open gemeenschappen
Zelfregulatie en virtuele socialisatie
Nomadische gedachten
Verandering van mediale strijdperk
Aansprakelijkheid voor postings
Verleiden tot fatsoen: netiquette
Reputatiesysteem
Moderator: de digitale hydra
Beschaving als gestileerde zelfbeheersing

Informatiebronnen
Verwante teksten
rode_knop Regulatie en zelfregulatie van internet
rode_knop Virtuele Gemeenschappen: Bouwstenen voor een sociologie van het internet
rode_knop Zichzelf organiserende netwerken: Typologie en dynamiek van het internet
rode_knop Peer-to-peer: netwerken van onbekende vrienden

IndexIdentiteit en beschaving

Sociale controle en fatsoen
Wanneer we deelnemen aan het openbare leven —in ons werk, op school, in de buurt, in de politiek of gewoon op straat— doen we dat als onszelf. We dragen geen bivakmutsen (tenzij we rond de Noordpool bivakkeren), geen maskers (tenzij we carnaval vieren), en geen alle persoonskenmerken verhullende kleding (tenzij we orthodox gelovige moslima’s zijn). We laten zien wie we zijn. Zelfs als mensen niet precies weten wie we zijn, kunnen zij ons bij een volgende ontmoeting toch aan onze uiterlijke kenmerken herkennen. Door deze authentieke identiteit zij we aanspreekbaar op onze daden: wat we doen en wat we zeggen kan door medeburgers aan een specifiek identificeerbaar persoon worden verbonden. Zij kunnen ons hiervoor prijzen of kritiseren, omdat zij weten met wie ze te maken hebben. Dat schept niet alleen helderheid (omdat we openlijk acteren), maar ook vertrouwen.

We opereren in een openbare orde waarin onverantwoordelijk of asociaal gedrag geïdentificeerd kan worden, waarin de individuen die dat gedrag vertonen ter verantwoording geroepen kunnen worden, en waarin zij indien noodzakelijk ook tot de orde geroepen worden.

Ongewenst gedrag kan op verschillende manieren worden gecorrigeerd: door een afkeurende blik, door een vriendelijk verzoek (‘wil je niet meer over mijn billen aaien’), door openbare vermaning (aan iedereen laten weten: ‘hij mishandelt zijn kinderen’), door geconditioneerde dreiging (‘als je nog een keer ... dan doe ik ...’), of door sociale uitsluiting. Als dat alles niet werkt, en de schendig van de sociale orde ernstig is, kunnen we in democratische rechtsstaten een beroep te doen op de nog sterkere arm van politie en justitie. We doen dan aangifte van illegaal of misdadig gedrag. Maar in het algemeen wordt het afwijken van sociale normen (‘deviantie’) bestreden met sociale sancties.

De leefbaarheid van de sociale orde wordt niet alleen in stand gehouden door het verbinden van onaangename consequenties aan de overtreding van geldende normen, maar ook door het verbinden van aangename consequenties aan normconform gedrag. Tegenover negatieve sancties (dwangmiddelen) zoals terughoudendheid in het contact, minachting en antipathie, staan positieve sancties (lokmiddelen) zoals aandacht, toeschietelijkheid, respect en sympathie. In wisselende combinaties en sequenties worden zowel dwang- als lokmiddelen gebruikt om normschendingen te voorkomen of te redresseren.

Natuurlijk zijn er verschillende meningen over wat ‘sociaal ongewenst’ gedrag is. Wat ‘ongewenst’, ‘onfatsoenlijk’ of ‘onbeschoft’ is voor de één, kan ‘normaal’ zijn voor de ander. Dat is afhankelijk van onze opvoeding en van de waarden en gedragsnormen die we tot de onze rekenen. Maar het is vooral ook afhankelijk van de nationaal en lokaal sterk variërende culturen, en van de sociale, etnische of religieuze achtergrond. Terwijl het in sommige culturen ‘fatsoenlijk’ is om je hele lichaam te bedekken, lopen in andere landen beide seksen vrijwel naakt. Bovendien verschillen de fatsoensregels naar specifieke situatie: kleding die op het strand correct is, geldt in de stad of bij een begrafenis niet als fatsoenlijk. Ongewenst gedrag is dus gedrag dat afwijkt van onze subjectieve en situationeel wisselende normen en waarden.

We vinden sommige normen en waarden zo vitaal dat we ze in wetten hebben vastgelegd: onze fundamentele normen en waarden zijn geobjectiveerd in wetten die door de overheid worden gewaarborgd:

We vinden ze zo belangrijk dat we een speciale instanties in het leven hebben geroepen om deze geobjectiveerde normen en waarden te handhaven: de politie ziet erop toe dat de wetten worden nageleefd, en justitie straft degenen die wetten overschrijden. Burgers die de geobjectiveerde normen van goed gedrag overtreden, worden door de overheid tot de orde geroepen en bestraft. Om dit te doen moet die overheid weten ‘wie’ welke wet op welke manier heeft overtreden. Zolang de identiteit van de moordenaar, dief of verkrachter niet bekend is, kan de overheid deze niet arresteren en voor de rechter brengen. De overheid ‘kent’ in principe al haar burgers. Elke burger heeft een paspoort (identiteitsbewijs) en de overheid weet waar we wonen. Als dat niet het geval is wordt het moeilijk: daders opereren vaak met valse identiteitsbewijzen of onttrekken zich aan de Nederlandse jurisdictie.

Normen en waarden
Waarden zijn universele morele maatstaven waarmee je het gedrag van mensen kunt beoordelen: rechtvaardigheid, vrijheid, naastenliefde, oprechtheid enzovoort. Vanuit die uitgangspunten worden vervolgens specifieke afspraken gedefinieerd voor bepaald gedrag in specifieke situaties. Normen zijn waardegeladen wederzijdse gedragsverwachtingen. Of, in klassiek sociologische termen: “De normcomplexen die rond bepaalde waarden geconcentreerd zijn, stabiliseren de processen van interactie en communicatie; de doeleinden geven richting aan de collectieve gedragingen; de verwachtingen vormen tezamen een patroon, dat vaste referentiekaders voor de interacterende personen verschaft” [Van Doorn/ Lammers, Moderne Sociologie 1976:270]. Normen zijn specifieke gedragsregels en voorschriften die soms, maar lang niet altijd in rechtsregels zijn vastgelegd.

Reproductie door socialisatie — Garantie door sociale controle
Normen en waarden reproduceren zich van generatie op generatie door opvoeding, socialisatie en ’de kracht van het voorbeeld’ (rolmodellen) en worden gegarandeerd door sociale controle. Sociale controle zorgt ervoor dat er een bepaalde evenwichttoestand in de gemeenschap wordt gehandhaafd of hersteld die van vitaal belang is voor haar stabiliteit. Een gemeenschap die niet in staat is interne en externe balansverstoringen te verwerken, zal niet lang overleven. Dat geldt ook, en misschien nog wel in sterkere mate voor online gemeenschappen en netwerken.

Index


Fatsoens- en omgangsvormen
Naast de in wetten en officiële regels vastgelegde normen en waarden zijn er nog tal van andere fatsoensregels en omgangsvormen die van groot belang zijn voor de sociale cohesie in de samenleving en daarmee voor de veilige en gezellige leefbaarheid. Het zijn elementaire voorwaarden voor een vreedzame en leefbare samenleving.

Fatsoens- en beschavingsnormen, we kennen ze allemaal. Zonder intentie van volledigheid:

Al deze handelingen zijn ‘not done’, omdat zij medeburgers vernederen [Margalit 1996]. In een beschaafde samenleving zeggen we: ‘dat doe je niet’. Deze fatsoensnormen kunnen niet of slechts in zeer beperkte mate door een overheid worden afgedwongen of gegarandeerd. Zij moeten door de burgers zelf in praktijk worden gebracht en gehandhaafd. Een overheid kan deze normen wel uitdragen, maar niet voorschrijven. Je hoeft elkaar bij een begroeting geen hand te geven of te kussen, je bent niet strafbaar als je niet excuseert als je iemand op de tenen hebt getrapt of per ongeluk tegen iemand opbotst; je wordt niet in het gevang gegooid als je op straat ‘vuile teringhoer’ tegen een vrouw roept, en er komt geen politie aan de deur als je in de trein niet bent opgestaan voor een bejaarde of invalide medeburger. Het is aan de samenleving zelf, d.w.z. aan ons beschaafde burgers om ons aan deze fatsoensnormen te houden en ervoor te zorgen dat andere medeburgers dat ook doen. Dat is niet altijd even gemakkelijk.

..., oud gedaan.
..., oud gedaan.
De voorbeelden kennen we allemaal. Als een gespierde bullebak zijn vrouw en kinderen afbekt, wie durft daar dan wat van te zeggen? Als een kind op school gepest wordt door een ‘stoere’ knaap, welke medescholier komt er dan op voor het slachtoffer? Als iemand zich respectloos over een ander uitlaat, wie zegt er dan wat van? Als iemand voordringt bij de kassa van de supermarkt, wie doet er wat aan? Als iemand onverschillig voorbij loopt aan iemand die op straat gevallen is, wat zeg je dan? Als iemand op straat ‘vuile flikker’ roept naar een stel homoseksuelen, wie roept er dan iets terug? Als iemand in openbare ruimtes andere mensen omver loopt, wie roept er dan ‘pas op je TBS’?

In al deze gevallen is het voor individuele burgers vaak moeilijk om iets te ondernemen — ook al voelen zij heel goed aan dat er iets gebeurt wat zij ten sterkste afkeuren en ook al voelen zij zich moreel verplicht om op te treden tegen dit onfatsoenlijk gedrag. Maar toch doen zij dat niet, omdat zij terugschrikken voor de consequenties. Je loopt een risico als je de onfatsoenlijken (‘het tuig’, ‘de grote bekken’, ‘de asocialen’) tot de orde roept. We zijn ook in dit opzicht —en vaak terecht— berekenende burgers die risico’s tegen elkaar afwegen. Maar daarom hebben we ook zo’n groot respect voor Joes Kloppenburg († 1996), Mijndert Tjoelker († 1997) en René Steegmans († 2002) die wél optraden tegen hufters, maar het met de dood moesten bekopen.

Het terugdringen van de ‘cultuur van de grote bekken’ kunnen we niet aan de overheid delegeren. Burgers moeten zelf tegengas geven tegen onfatsoen, civiele agressie en ‘zinloos geweld’. Dat vereist zelfregulering en zelforganisatie vanuit de samenleving.

Index


Fatsoen en spruitjeslucht
Fatsoen is het voldoen aan de ongeschreven maar toch empirisch geldende normen en waarden. De geldigheid van een norm blijkt uit haar invloed op ons feitelijk handelen. Door het volgen van fatsoensnormen wordt ons sociaal handelen voorspelbaar. Wanneer wij in ons dagelijks handelen rekening houden met dominante gedragsnormen, dan handelen we fatsoenlijk.

Voor veel mensen heeft ‘fatsoenlijkheid’ een negatieve bijklank gekregen, omdat het gelijk is gesteld aan kleinburgerlijkheid, bekrompenheid, zelfingenomenheid en gebrek aan tolerantie voor andere gedragingen. Met een beroep op het goede fatsoen werd bijvoorbeeld jarenlang de discriminatie van homoseksuelen in stand gehouden. De argwaan tegen fatsoensnormen is vooral ook ontstaan door ervaringen met autoritaire beleefdheidsvormen (die respect moesten afdwingen voor niet democratisch gelegitimeerd gezag) en met restrictieve zedelijkheids- en kuisheidsnormen (geen seks voor of buiten het huwelijk en uiteraard de heteronorm).

Deze argwaan slaat bij sommigen om in aversie. “Het begrip fatsoen is zodanig multi-interpretabel en zo vaak als politiek wapen ingezet dat ik er een stevige aversie tegen heb ontwikkeld. Ik laat me er dan ook niet echt door leiden” [Marcel Vreemans in Het Vrije Volk - 1.6.2008]. Toen premier Balkenende in april 2005 probeerde het fatsoensbegrip nieuw leven in te blazen (onder de leuze: Fatsoen moet je doen) roken de meeste de critici direct een irritante spruitjeslucht - de lucht die kleeft aan elke poging tot restauratie van oude normen en waarden. De argwaan tegen conservatieve of restauratieve fatsoenspleidooien is begrijpelijk - zij lopen in de regel uit op een beperking van onze vrijheden. De ‘fatsoensrakkers’ en ‘zedenprekers’ die nostalgisch verlangen naar oude tijden hebben afgedaan.

Er is nog een andere reden waarom fatsoen zo’n negatieve bijklank heeft gekregen. Fatsoen wordt vaak gelijkgesteld aan het van bovenaf afdwingen van geaccepteerd gedrag. Dit is echter niet noodzakelijk. Onder bepaalde voorwaarden kunnen gemeenschappelijke gedragsnormen immers ook delibererend-democratisch tot stand komen. De sociale normen die ons gedrag reguleren zijn meestal tot op zekere hoogte gebaseerd op consensus en worden via sociale sancties gereproduceerd.

Toch zijn fatsoenlijke omgangsvormen onmisbaar voor een beschaafde samenleving. Omgangsvormen zijn gestileerde vormen van zelfbeheersing. Het is juist die zelfbeheersing waaraan het op internet vaak lijkt te ontbreken.

Van gene zijde opgelegde absolute normen
Vroeger werden normen die geldig waren voor het gedrag en bindend in de oplossing van conflicten niet beschouwd als menselijke producten. Hun legitimiteit was veeleer gebaseerd op de absolute heiligheid van geboden (zoals de 10 geboden die Mozes op de berg Sinaï van God ontvangen zou hebben). Wie daarvan afweek zou gestraft worden door duivelse magische effecten, door de rusteloosheid van de geesten, of door de wraak van de goden. Die normen waren onveranderlijk en ubiquitair: zij moesten correct geleerd en geïnterpreteerd worden in overeenstemming met het geldende geloof, maar zij konden niet worden veranderd of gerecreëerd.

Het interpreteren van normen was de exclusieve taak van degenen die er het meest vertrouwd mee waren: de dorpsoudste of de oudste van een verwantschapsgroep, en heel vaak de magiërs en priesters. Als gevolg van hun gespecialiseerde kennis van de magische krachten wisten zij hoe ze met bovennatuurlijke krachten konden interacteren. Toch ontstonden er ook nieuwe normen die van bovenaf werden opgelegd door een nieuwe charismatische openbaring [Weber, Economy & Society, p. 760]. Een norm heeft dus lang niet altijd een rationele rechtvaardiging of oorsprong. In de loop der tijd verliezen sommige normen hun oorspronkelijke context omdat de samenleving verandert.

De felle retorische aanvallen van vrijdenkers zoals Zola en Multatuli op het fatsoen richtten zich op het vernis dat de burgerlijke hypocrisie maskeerden. Sindsdien heeft het woord ‘fatsoen’ een negatieve bijklank heeft gekregen van kleinburgerlijkheid, bekrompen moralisme en zelfingenomenheid. Een te grote nadruk op fatsoensnormen wordt meestal verdacht gevonden.

“Wat een smeerlappen toch, die fatsoenlijke lui!”, laat Émile Zola zijn hoofdpersoon verzuchten in De buik van Parijs. Die fatsoenlijke smeerlappen zijn in deze roman braaf burgerlijke middenstanders, achterbakse kooplui die zich welgemanierd voordoen maar tegelijkertijd zwelgen in arrogantie, afgunst en achterklap. Fatsoen is in Zola’s optiek vadsig vleesgeworden schone schijn.

Dat is ook de boodschap van Multatuli. “Ik ben tot u genaderd, hoofdvyandin van vrye studie: lafhartige fatsoenlijkheid!”, schrijft hij in zijn Ideeën. In Japanse gesprekken definieert hij fatsoen als “iets als de lynen die den inhoud betekenen, en daarvoor worden in-plaats-gegeven, omdat ’n lyn goedkoper is dan inhoud. (…) Fatsoen is ’n speelfiesje dat waarde voorstelt, maar nooit wordt ingewisseld. Fatsoen is gecristofleerde deugd.” Multatuli verwijst hier naar het christoffelskruid, dat uitwendig helend werkt maar bij inwendig gebruik giftig is. Achter een praalgevel van fatsoen schuilt volgens Multatuli alleen maar onbetrouwbaarheid en onzuiverheid.

Index Anonimiteit als schild en wapen

Vrijheid en ontremming
Wanneer we deelnemen aan het openbare leven in cyberspace liggen de zaken op het eerste gezicht nog ingewikkelder. Op internet opereren we veelal anoniem of pseudoniem. Die anonimiteit is een zegen en een vloek, een schild en wapen tegelijk.

  1. Vrijheid van meningsuiting
    Pseudoniem
    Pseudonimiteit op internet wil niet zeggen dat je geen identiteit hebt. Als pseudoniem ben je nog steeds een persoon, met een identiteit en een verleden dat in een database is vastgelegd, met een IP-nummer en met een email-adres. Je bent dus wel te herleiden, maar niet voor iedereen. Alleen de site-eigenaar of forumbeheerder kan, als dat nodig is, achterhalen wie je in werkelijkheid bent. Zij zijn ook in staat om querulanten uit te sluiten door hun IP-nummer te blokkeren. Voor de gewone leden van virtuele gemeenschappen ben je echter anoniem.
    Op internet kan iedereen zo hard schreeuwen als hij wil. Dankzij het internet is tegenwoordig iedereen in staat om ongezouten zijn of haar mening naar voren te brengen. Buiten het internet was en is dat nog steeds heel anders. Wie zijn mening wil ventileren via de ‘oude’ media, stuit op poortwachters die selecteren wat wel en niet gepubliceerd zal worden. Op grond van eigen journalistieke normen bepalen kranten, tijdschriften en uitgevers of en zo ja hoe zij iets publiceren. Radio- en televisieredacties bepalen zelf wie zij over welke kwesties aan het woord laten. Op internet kunnen deze filters worden omzeild.

    Het grondwettelijke recht op vrijheid van drukpers was altijd beperkt tot degenen die beschikten over een drukpers (of over een radio- of televisiestation, of communicatiesatellieten). Op internet beschikt iedereen niet alleen over een eigen drukpers, maar ook over een eigen radiostation en televisiezender. Internet heeft het grondwettelijke recht op vrijheid van drukpers voor iedereen binnen handbereik gebracht. Iedereen kan op internet gebruik maken van weblogs, discussiefora, instant messaging, en databanken om uiting te geven aan zijn meningen en oordelen, analyses en verbeeldingen, frustraties en hoop, ervaringen en fantasieën.

    In de virtuele wereld kan men zich vrijer bewegen dan in de lokale samenleving. De belangrijkste reden daarvoor is dat men op internet veelal anoniem of pseudoniem kan opereren. Op internet kan men onder een pseudoniem (een pseudo-identiteit) opereren zonder de echte identiteit prijs te geven. Alleen onder zeer bepaalde omstandigheden kunnen providers of beheerders van webfora door de overheid gedwongen worden om de identiteit van een gebruiker bekend te maken. Uiteindelijk zijn bijna alle uitspraken of handelingen van internetgebruikers te traceren. Toch geeft internet het gevoel van ongekende vrijheid.

    Mensen zijn terughoudend om te zeggen wat zij echt denken als zij face-to-face voor een gezagsdrager staan. Zij vrezen afkeuring en straf. Maar online zijn mensen veel meer geneigd om zich ondubbelzinnig uit te spreken of zich te misdragen. Zij wanen zich onzichtbaar en komen hierdoor in de verleiding om dingen te doen die zij normaal niet durven te doen, of die zij niet mogen doen. Het anonieme karakter van de internetcommunicatie geeft de deelnemers een groot gevoel van vrijheid. Door deze ontremming (‘disinhibition’) zijn mensen geneigd om zich directer, emotioneler en ongeremder te uiten over de meest intieme en ultieme onderwerpen. Anonimiteit stelt mensen in staat om zich achter hun computers te verschuilen en alles te zeggen wat zij op hun lever hebben, zonder dat zij hoeven te vrezen dat dit directe repercussies heeft voor hun lokale sociale leven. Daarom vertonen virtuele gemeenschappen in de regel een veel ongeremdere —om niet te zeggen ruigere— communicatiecultuur dan in lokale face-to-face communicatie.

    Anonieme communicatie als recht?
    Anonieme communicatie is historisch gezien altijd inzet geweest van een machtsstrijd tussen overheden die de verspreiding van politieke en religieuze ideeën wilden beteugelen en auteurs die zich niets aantrokken van verboden op anonimiteit. De principiële vraag die tot op de dag van vandaag speelt is: volgt uit de vrijheid van meningsuiting het recht om anoniem te publiceren?

    De grondleggers van de Amerikaanse grondwet omarmden anonieme communicatie in het politieke domein als een manier om in staat te zijn onpopulaire, tegendraadse meningen naar voren te brengen zonder daarvan persoonlijke nadelen te ervaren. De grondleggers maakten daar zelf ook gebruik van. De essays in de Federalist Papers werden gepubliceerd onder het pseudoniem ‘Publius’ [Zittrain 2008:316, noot 67]. Zij verzetten zich tegen pogingen om anonieme auteurs te dwingen om hun identiteit te onthullen. Hun belangrijkste argument was dat gedwongen onthulling de persvrijheid aantast. Maar in Nederland is anonimiteit geen grondwettelijk recht zoals het recht op privacy.

    In 1525 verbood Karel V de boeken van Maarten Luther en zijn aanhang en alle boeken zonder titel en afzender. Bij overtreding, zonder het tonen van berouw, moesten mannen met het zwaard worden omgebracht, vrouwen werden levend begraven. Dit strenge verbod had overigens weinig effect. Luther bleef bijna al zijn traktaten anoniem publiceren. In 1559 volgde het pauselijke verbod op alle door ketters geschreven anonieme publicaties. Vanaf eind 18e eeuw zette de Franse bezetter het verbod op anoniem publiceren voort. In 1789 wordt dit wettelijk vastgelegd: “Ieder burger mag zijne gevoelens uiten en verspreiden, op zoodanige wijze, als hij goedvindt; des niet strijdig met het oogmerk der Maatschappij. De vrijheid der drukpers is heilig; mits de geschriften met den naam van uitgever, drukker of schrijver voorzien zijn” [Artikel 16 van de Burgerlijke en Staatkundige Grondregels].

    Pas in 1886 werd op voorspraak van de Leidse professor Simons anoniem publiceren een recht. Volgens hem kon de uitingsvrijheid alleen optimaal zijn als er geen plicht tot ondertekening is. Het recht op anonieme publicatie werd alleen tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetter geannuleerd, zoals dat eerder gebeurde door de Spaanse en Franse bezetter [Ekker 2008].

    Magie van de ring van Gyges
    Plato Wie onzichtbaar is kan niet worden aangesproken op de gevolgen van zijn eigen gedrag. In boek 2 van Politeia vertelt de klassieke Griekse filosoof Plato het verhaal over de magische ring van Gyges. Deze ring biedt de eigenaar de macht om op elk gewenst moment onzichtbaar te worden. Voor Plato is het de beste manier om vast te stellen of iemand in moreel opzicht goed is: als je niet bang hoeft te zijn voor de consequenties van je eigen handelen en toch moreel verantwoord handelt.

    De moraal van het verhaal van Plato is dat niemand zo deugdzaam is dat hij de verleiding kan weerstaan om ongestrafd te kunnen stelen dankzij de onzichtbaarmakende kracht van de ring. Met andere woorden: moraliteit is een sociale constructie. De bron daarvan is het verlangen om de eigen reputatie van deugdzaamheid en eerlijkheid te handhaven. Wanneer de sociale en juridische sancties die de deugdzaamheid in stand houden niet meer effectief werkzaam zijn (omdat men onzichtbaar, anoniem is), verdampt echter het morele karakter.

      “Als we nu aannemen dat er twee verdwijningsringen zouden zijn, een voor de rechtvaardige en een voor de onrechtvaardige, dan ziet het er toch naar uit dat men niemand zou kunnen vinden met zo’n onwankelbaar karakter dat hij zou blijven vasthouden aan zijn rechtschapenheid en dat hij steeds zou afblijven van andermans goed en het zich niet zou toeëigenen. Hij zou immers de macht hebben op de markt alles weg te nemen wat hij maar zou willen. Hij zou ook ieder huis binnen kunnen gaan om gemeenschap te hebben met iedere vrouw die hij maar wil, en voorts zou hij ieder willekeurig mens kunnen doden of uit de gevangenis bevrijden. Kortom: hij zou onder de mensen een leven kunnen leiden als een god. Zo iemand zou in geen enkel opzicht anders handelen dan de onrechtvaardige met de andere ring, dus beiden zouden zich op dezelfde wijze gedragen” [Plato’s Politeia, boek 2].
    Voor Plato is dit een overtuigend bewijs “dat men niet uit vrije wil rechtvaardig is, maar slechts als het niet anders kan.”

    De onzichtbare man wordt immoreel
    The Invisible Man Hetzelfde thema keert terug in The invisible man van H.G. Wells uit 1887. Deze sciencefictionroman is een kritische demonstratie van de menselijke neiging om immoreel te worden zodra men macht verwerft. Door zijn onzichtbaarheid verwerft hij enorme macht: hij kan stelen, doden en iedereen misbruiken zonder angst om gepakt te worden.
      “Het is nuttig om te ontsnappen, het is nuttig in het benaderen. Het is daarom vooral nuttig bij het doden. Ik kan om iemand heenlopen, welk wapen hij ook heeft, mijn punt kiezen, en toeslaan zoals ik wil. Ontwijken zoals ik wil. Ontsnappen zoals ik wil.”
    De onzichtbare man pleegt inbraken, steelt geld en gaat uiteindelijk over tot fysiek misbruik en moord. Zodra iemand zich almachtig waant door onzichtbaarheid, wordt hij immoreel en is hij bereid alles te doen voor persoonlijk gewin en plezier. De Onzichtbare Man is een waarschuwing voor het verlangen van het individu om in de naam van wetenschap menselijke grenzen te overschrijden.

  2. Identificeren van online criminelen en onverlaten
    On the internet nobody knows you are a dog
    “On the Internet, nobody knows you’re a dog”
    Peter Steiner, in: The New Yorker, 6 juli 1993
    Anonimiteit stelt ons in staat om vrijer en ongeremder te discussiëren over gênante of stigmatiserende onderwerpen, maar kan ook de grootste vijand zijn van een gemeenschap. De anonimiteit van de online communicatie is een zegen voor degenen die het netwerk zelf en de daarin opererende virtuele gemeenschappen proberen te ontregelen. Het biedt niet alleen een masker voor online fraudeurs en dieven, maar ook voor haatzaaiers, geweldspredikers, reputatieschenders, kinderpornografen, pedofielen en terroristen. De meest uiteenlopende soorten criminelen hebben zich anoniem op internet genesteld om zich op illegale wijze te verrijken. Extremistische politieke groeperingen gebruiken internet om hun discriminerende en haatzaaiende propaganda te verspreiden. Maar in deze analyse gaat het niet om cybercrime, maar om virtueel onfatsoen, publieke vernedering en kwaadaardige roddel, en dat is —zoals we nog uitvoerig zullen laten zien— op zichzelf al een zeer complex probleem.

    Het onfatsoen op internet kan niet worden teruggedrongen door wettelijke maatregelen of strafrechtelijke sancties. Wie op internet slachtoffer wordt van kwaadaardige, reputatievernietigende roddel weet vaak niet wie daarvoor verantwoordelijk is en heeft op het eerste gezicht weinig middelen in handen om op het internet zelf effectief tegengas te bieden.

Index


Netsletten en Nethufters
Internet is een plaats waar we onze eigen identiteit kunnen articuleren, en het is tegelijkertijd een plek waar we anoniem kunnen opereren. Anonimiteit is immers het verbergen van identiteit. In cyberspace zeggen en doen mensen dingen die zij normaal niet zouden zeggen of doen in de lokale wereld. We hebben gezien dat mensen zich ongeremder voelen en zichzelf openlijker uitdrukken omdat zij anoniem of pseudoniem kunnen opereren. Die anonieme conversatie is het gevolg van (a) het wegvallen de mechanismen van lokale sociale controle en (b) het lage risico van justitiële vervolging. Zolang niemand weet dat jij ‘repelsteeltje’ heet, hoef je niet te vrezen dat je persoonlijk geconfronteerd wordt met de gevolgen van je online gedrag.

De beschaving van een samenleving reproduceert zich primair door de werking van gewoontes, zeden, solidariteiten en gemeenschappelijke belangen. Een beschaving stabiliseert zich dus min of meer onbewust, als niet gewild en onbedoeld neveneffect van onze traditionele, affectieve en utilitaire oriëntaties en handelingen [Bader/Benschop 1988:265 e.v.]. Sociale controle en recht zijn de twee basismechanismen waardoor de instandhouding van die beschaving wordt gegarandeerd, en onder bepaalde omstandigheden ook wordt getransformeerd. Door het wegvallen van deze twee garantiemechanismen lijkt er een premie te ontstaan op extreme vormen van sociaal handelen. De ontremming die anonieme communicatie met zich meebrengt is dus een tweesnijdend zwaard.

Aan de ene kant zien we dat mensen erg persoonlijke en intieme verhalen over zichzelf delen. Zij onthullen geheime emoties, angsten en verlangens. Of zij vertonen ongebruikelijk vriendelijk en genereus gedrag. Maar naast deze minzame, goedaardige ontremming is er ook sprake van een giftige ontremming die zich uit in uitbundig grove taal, botte kritiek, angst, blinde haat en zelfs bedreigingen. Het is een razende catharsis waarin de meeste weerzinwekkende verlangens worden uitgeleefd.

Zodra de mechanismen van sociale en juridische controle buiten werking zijn gesteld —of minstens naar de achtergrond zijn gedrongen— komt er een premie te staan op overdreven en opdringerig flirten (netsletten) enerzijds, en op het grof provoceren en beledigen (nethufteren) anderzijds. Netsletten is het belagen van mensen (veelal vrouwen) met ongewenste aandacht, met voorstellen voor ongewenste seksuele intimiteiten en soms ook met geloofwaardige dreigingen. Je kunt het ook een vorm van online stalking, cyberstalking noemen [in Cyberstalking wordt dit fenomeen uitvoerig geanalyseerd]. Nethufteren is het verspreiden van botte kritiek, grove beledigingen en vaak ook bedreigingen. Wanneer zich op bepaalde internetlocaties voldoende nethufters verzamelen, kunnen zij digitale lynchpartijen (‘flame wars’) orkestreren waarbij de slachtoffers door een razende meute worden achtervolgd. Dat gebeurt niet alleen via het organiseren van een hetze op het internet. Regelmatig worden de scheidslijnen tussen het virtuele en het lokale doorbroken en worden de slachtoffers ook in hun privésfeer, op straat of op hun werk bedreigd. Hieronder worden daarvan een aantal voorbeelden besproken.

Dreigtweets in overvloed
Per dag worden er door Nederlandse twitteraars zo’n 35.000 bedreigingen geuit. Rond de 200 daarvan zijn zo ernstig dat de politie op onderzoek uitgaat. Bijna dagelijks wordt er iemand voor opgepakt of berispt. “Vroeger moest je een envelop kopen, een brief schrijven en hem posten. Nu tik je wat woorden en bedreig je iemand. Dat is erg makkelijk en gebeurt dus ook veel” [politiechef Martine Vis, in: VK 31.10.13].

Zo’n 40 agenten monitoren het Nederlandse internetverkeer dag en nacht op bedreigingen. Alleen de ernstigste gevallen, waar expliciet met geweld wordt gedreigd, worden door de politie uitgebreid gecontroleerd. Dreigtweets zijn berichten waarin de twitteraar dreigt met geweld tegen een persoon, een gebouw of eigendommen van een ander.

Tweets die door de politiesystemen als dreigtweet zijn aangemerkt, worden verwerkt door de tien regionale eenheden van het Real Time Intelligence Center (RTIC). In de RTIC’s worden deze tweets gekoppeld aan andere informatie om te bepalen hoe serieus de dreiging is en wie de afzender is.

Index


Cultuur van de grote bekken: schreeuwen om aandacht
Exponentiële versterking van het extreme
“Overal heb je toenemende, en steeds hardere confrontaties, in het echte leven en ook op internet. Vermenigvuldig dat met de groei van het aantal mensen op internet en de tijdsbesteding, en met de veilige afstand waarop meningen worden geuit. Dan kom je tot een aanzienlijke exponentiële versterking van de kracht of het extreme van online uitingen” [Johan Heslinga, Fok]. De articulatie van ongenoegen wordt versterkt en een kleine groep mensen krijgt een grote stem.
De combinatie van netsletten en nethufteren levert een giftig mengsel op dat nog het best omschreven kan worden als de cultuur van de grote bekken. Dat is een cultuur met een heel eigensoortige groepsdynamiek, waarbij de deelnemers elkaar proberen te overtreffen in ongezouten, stijlloze groot- en sterkpraat. Door haar afstandelijkheid en anonimiteit is internet een uniek voertuig voor het ontketenen van verborgen razernij. Virtuele communicatie is een ongeremde vorm van communicatie en is veel ruiger in de expressie van ongenoegen en agressie. Het zijn vooral de shocklogs of treiterblogs (met in Nederland GeenStijl voorop) die hiervoor een podium bieden. Zij geven uiting aan een meer of minder sterk georganiseerde volkswoede tegen alles wat links of multicultureel is. In de webfora van GeenStijl, Elsevier en de Telegraaf regeert de onderbuik van de Nederlandse beschaving.

Verborgen Razernij (klik om te vergroten)
Ontketende razernij
Achter de in cyberspace ontketende razernij schuilt het ressentiment: de ingekankerde, en dus niet uitgeleefde wraakgevoelens van de onmachtigen tegen de machtigen.

“Alles wat in vele nachten van dronken opwinding aan ziekelijke, smerige haatfantasieën was uitgedacht, werd op klaarlichte dag in volle razernij naar buiten gebracht” [Stefan Zweig].

Vroeger had je de ‘zwijgende meerderheid’, maar dankzij het internet heeft zij een podium voor zichzelf gevonden. “Met dit zwijgen is het voorgoed afgelopen. Nu ontdekken we via het web dat zich een nieuw, welvarend lompenproletariaat heeft ontwikkeld, een massa die zich permanent en tot in de ziel miskend en bedrogen voelt en dit zo luid mogelijk laat weten. Door de digitale cultuur heeft deze massa een stem gekregen” [H.J.A. Hofland, NRC, 7.12.2008].

In het lokale leven worden mensen gedwongen om rekening te houden met anderen en om aan een ‘normaal’ verwachtingspatroon te voldoen. Internetfora zijn vrijplaatsen met weinig sociale controle. Deelnemers die extreme opvattingen verkondigen vragen om aandacht. Krijgen zij die aandacht niet, dan komen zij in de verleiding om zich nog extremer uit te drukken. Fora die niet in staat zijn om zichzelf te reguleren dreigen hierdoor te worden ondergraven. Zij gaan ten onder in een onbeheersbare kluwen van opgeblazen, haatdragende spierballentaal. De risico’s worden nog groter wanneer de grens tussen virtuele en lokale uitingen vervaagt.

Index


Agressie op internet
Er wordt vaak gezegd dat het allemaal niet zo’n vaart loopt met het onfatsoen en de bedreigingen op het internet, omdat het hier immers toch slechts om virtuele gebeurtenissen gaat die ons niet echt raken. Daarbij wordt internet gezien als een uitlaatklep voor haatgevoelens en opgekropte agressie. Daar achter schuilt een bekende huis-tuin-en-keukentheorie van agressie. In deze theorie wordt agressie opgevat als een hoeveelheid energie die in een snelkookpan zit opgesloten. Om het ‘vat vol agressie’ niet te laten exploderen, moet af en toe het ventiel worden geopend. Zo krijgen betrokkenen de kans om uiting te geven aan heftige haat- en wraakgevoelens en neemt de keteldruk af.

Maar dit geeft een vertekend en vereenvoudigd beeld van de werking van agressie. Mensen die zich regelmatig agressief uiten, zijn meer geneigd tot heftig agressief gedrag. En daarom wordt agressief gedrag in de regel ook voorafgegaan door verbale agressie. Mensen die in grote onzekerheid en emotionele opwinding verkeren zijn sneller geneigd om over elkaar heen te buitelen in stoutmoedige uitlatingen en extreme voorstellen. Stemmingen die op het internet ontstaan, kunnen snel overslaan naar de lokale wereld. Het is onmogelijk om mensen op internet mensen fysiek te mishandelen of te vermoorden. Maar er kan op internet wel een zodanig dreigende stemming ontstaan dat de grens tussen het virtuele en het lokale vaporiseert, en de dreiging zich verplaatst naar de privé- en werksfeer van het slachtoffer.

Index


Verschuiving privé en openbaar
Met behulp van goedkope sensoren (zoals mobieltjes met camera) en netwerken zijn burgers tegenwoordig in staat om iets dat zij op hun stoep of in een restaurant hebben vastgelegd supersnel over de hele wereld te verspreiden. Bijna al onze activiteiten kunnen worden uitgezonden. Zoek op YouTube naar ‘angry teacher’ en je krijgt honderden video’s te zien van leraren die uit hun slof schieten. Het leven van mensen kan in een mum van tijd geruïneerd worden, ook al is de aanleiding vaak maar een kleine misstap of een klein foutje. Tegenwoordig is bijna iedereen in staat om jouw goede en slechte daden in beeld en geluid te registreren. Voor je het weet ben je een onvrijwillige bekende Nederlander, of zelfs een onvrijwillige YouTube celebrity (‘webebrity’). Wie dat wil voorkomen doet er tegenwoordig verstandig aan om niet alleen te inspecteren of Heleen van Royen in de buurt is. Het wordt steeds lastiger om te voorkomen dat privégesprekken die je in publieke domeinen —zoals in een restaurant— voert openbaar worden gemaakt. De eens zo schijnbaar duidelijke scheidslijn tussen privé en publiek domein lijken te vervagen. Dit wordt door moderne registratietechnologieën alleen maar mogelijk gemaakt, maar is toch vooral het gevolg van het feit dat mensen deze technologieën onverantwoordelijk en onfatsoenlijk gebruiken.

Met bekenden is het vriendelijker
Er is een opvallend verschil tussen de internetlocaties waar mensen opereren onder hun eigen naam opereren en onder pseudoniem. Zo is de sfeer op de profielsites zoals Facebook en Linkedin over het algemeen veel beter dan op webfora waar mensen anoniem kunnen reageren. De reden daarvan is simpel: iedereen publiceert en reageert hier onder eigen naam. Extreem onverantwoord of onbeschoft handelen laat men daar wel uit het hoofd. Wie er toch over de schreef gaat wordt uit de vriendengroep verwijderd (bij de openbaar toegankelijke blogs waar ook niet-vrienden mogen komen, kunnen dissidenten door de gebruiker worden geblokkeerd). “Betrouwbaarheid en kwaliteit worden niet afgedwongen door verheven codes, maar ontstaan hier door doodeenvoudige sociale controle” [Stronks 2007b].
Specifiek gebruik van de moderne registratietechnologie kan dus bijdragen aan de vervaging van de scheidslijnen tussen het private en publieke domein. Maar ook de waarden die aan de bescherming van onze privacy ten grondslag liggen zijn in de loop der tijd verschoven. Vooral jongeren zijn erop gebrand persoonlijke informatie online te delen via profielsites en vrienden-van-vrienden sites zoals MySpace, Facebook, Orkut of Hyves. Zij delen hun alledaagse en bijzondere leerervaringen en praten daar zeer openhartig over. Veel ouderen en pedagogen reageren hierop nogal paternalistisch: kinderen beschikken (nog) niet over het oordeelsvermogen om te weten wat zij wel en niet kunnen delen en gaan daarom onverantwoord vrijzinnig of zelfs narcistisch om met hun persoonlijke informatie. Vanuit deze optiek zouden jongeren beschermd moeten worden tegen snelle beslissingen die het risico met zich meebrengen dat hun privacy te grabbel wordt gegooid.

Nader onderzoek wijst echter uit dat er toch iets anders aan de hand is. De meeste (ook jonge) mensen nemen tamelijk rationele beslissingen over het delen van hun persoonlijke informatie. Maar zij onderschatten wat er kan gebeuren als deze informatie massief wordt geïndexeerd, hergebruikt, en wanneer zij door vreemden voor andere doelen wordt ingezet.

De meeste jongeren die nu met het internet opgroeien hebben er vrede mee dat zij online een publieke dimensie kunnen geven aan hun persoonlijke leven. Zij vinden het zelfs aantrekkelijk om zichzelf in de enorme openbaarheid van cyberspace te presenteren. ‘Wie ben je nog als je niet op het internet aanwezig bent?’ Internet is een plaats waar jongeren hun identiteit kunnen etaleren (zij hebben hun schaamte- en gênedrempel opgeschoven). De grote charme van profiel- en FoF-sites is niet geheimhouding, maar autonomie: je hebt controle over je eigen profiel en knoopt alleen verbindingen aan met vrienden van je eigen keuze [Zittrain 2008:233].

In agrarische dorpssamenlevingen kenden de burgers veel minder privacy dan in een moderne urbane samenleving — en in kleine landelijke gemeentes hebben zij nog steeds minder privacy dan in een grote stad. Het leven van mensen in kleine gemeentes of dorpen is een open boek in vergelijking met het anonieme bestaan van stadsbewoners. Daar staat tegenover dat iemand die in een dorp woont zijn geheimpjes beter kan bewaren, omdat hij daarover betere controle heeft. Een dorpsbewoner leeft in een samenlevingsverband dat is opgebouwd uit persoonlijke, face-to-face contacten. Hierdoor kan onverantwoordelijk of asociaal gedrag veel makkelijker worden geïdentificeerd en wordt men hiervoor sneller ter verantwoording geroepen.

In cyberspace opereren we in een sterk onpersoonlijk informatie- en communicatiesysteem. Onze medeburgers zijn gezichtsloze gebruikers van informatie en onze discussiepartners kunnen we vaak alleen herkennen aan hun pseudoniem of avatar. Ze zijn online alleen maar in de formele zin aanspreekbaar op hun uitlatingen en daden: in de praktijk zijn zij grotendeels immuun voor de sancties die iemand hen zou willen opleggen.

Index Virtualisering van de schandpaal

Gezellig en digitaal roddelen

Gezellig roddelen
Roddelen is om anderen zwart te maken
en om zichzelf wit te wassen.
Iedereen praat over anderen. Daar is op zich niets mis mee. Het is zelfs gezond om te praten over mensen uit de groep waar je onderdeel van uitmaakt — het schept een band: het is een manier om de ongeschreven regels van sociale groepen en culturen te leren door het oplossen van ambiguïteit over groepsnormen [Barkow 1995; Dunbar 1996; Baumeister e.a. 2004; McAndrew 2008].

Roddelen is een heel andere communicatievorm. Roddelen of achterklap is het op een ongunstige manier over iemand spreken zonder dat de persoon in kwestie bij het gesprek aanwezig is. Daarom kan de persoon in kwestie zich niet tegen eventuele onwaarheden of aantijgingen verdedigen. Roddels gaan van mond tot mond en gaan op den duur een geheel eigen leven leiden doordat men er dingen bij verzint. Op die manier kunnen roddels reputaties verwoesten. Het traditionele of gezellige roddelen beperkt zich meestal tot een gelimiteerd netwerk van directe relaties (vriendenkring, collega’s, familie, vereniging) en stopt meestal voor de grens waar het publieke domein begint. Wanneer de roddel het publieke domein betreedt, dan gaat het over in smaad en laster.

“De geschiedenis van het schandaal is ... een onderdeel van de geschiedenis van de openbaarheid” [De Swaan 1996:28].
Smaad is het zwartmaken van iemand door deze in het openbaar van feiten te beschuldigen waaraan hij of zij zich schuldig zou hebben gemaakt. Wie zich daaraan schuldig maakt, kan daarvoor veroordeeld worden tenzij (i) het algemeen belang vereist dat de feiten naar buiten worden gebracht, (ii) er gehandeld is uit noodzakelijke verdediging, of (iii) te goeder trouw kon worden aangenomen dat deze feiten waar zijn. Het doel van smaad is het ruïneren van de reputatie van het slachtoffer. Anders dan bij laster gaat het bij smaad niet om beschuldigingen waarvan men weet dat ze onwaar zijn. Vaak worden de beschuldigingen zo veel mogelijk opgeblazen om het slachtoffer zo veel mogelijk aan de schandpaal te nagelen. Bovendien hoeven het niet per se strafbare feiten te zijn waarvan het slachtoffer beschuldigd wordt. Overspel of afwijkende seksuele voorkeuren lenen zich uitstekend voor smaad. Laster is het zwartmaken van iemand door deze in het openbaar van feiten te beschuldigen waarvan men weet dat ze niet waar zijn.

Index


Virulente roddels
Homo Anonymus
Homo Anonymus
Bij het oude roddelen wordt er op ongunstige manier over iemand gesproken die daarbij niet aanwezig is. Bij de cyberachterklap wordt er over je geroddeld terwijl je er bij staat. In tegenstelling tot het oude roddelen worden de roddels op internet veelal anoniem verspreid. De roddel wordt niet door een bekend persoon in je oor gefluisterd, maar door een achter een pseudoniem verscholen onbekende in de virtuele openbaarheid van cyberspace geschreven. De roddels in cyberspace verspreiden zich met supersonische snelheden en op de grootst denkbare schaal — wereldwijd. Omdat de roddels op internet worden opgeschreven, blijven zij daar tot in lengte van dagen staan. Bovendien kunnen zij niet of nauwelijks worden tegengesproken, ook al weet het slachtoffer wat de aard is van de kwaadspraak die circuleert. Het enige dat het oude en het nieuwe roddelen met elkaar gemeen hebben is het doel: het vernietigen van de reputatie van het slachtoffer.

We hebben hiervoor gezien dat smaad en laster vormen zijn van “roddelen in het openbaar”. Roddelen mag, ook al is het onfatsoenlijk, als je het maar niet in het openbaar doet. Dit heeft vergaande consequenties. Wie op publieke domein van het internet roddelt, maakt zich daarmee bijna per definitie schuldig aan smaad of laster. Er zijn nog weinig rechters die deze consequentie in hun uitspraken hebben betrokken. Toch neemt het aantal gevallen waarin mensen via een internetroddel aan de schandpaal worden betrokken schrikbarend toe.

Index


Digitaal lynchen
Klassieke schandpaal De klassieke schandpaal, die tot in de late middeleeuwen werd gebruikt, was een paal waaraan iemand als strafmaatregel werd vastgebonden en te kijk gezet. De volgens toen heersende wetten veroordeelde misdadigers stonden letterlijk en figuurlijk ‘voor paal’. Het publiek speelde hierbij een actieve rol en mocht de gestrafte uitschelden en bekogelen met rotte eieren of straatvuil. Het doel van dit strafritueel was om de dader als crimineel te brandmerken: de dader leed gezichtsverlies juist doordat zijn gezicht in de hele stad bekend werd. Wie zich destijds schuldig maakt aan ernstige misdrijven, verloor op die manier zijn ‘recht op privacy’ (dat in de middeleeuwen uiteraard nog lang niet als recht was erkend). Wie door het gerechtshof aan de schandpaal werd genageld, had vroeger overigens nog een kans dat het publiek het niet eens was met het vonnis waardoor de gebeurtenis eindigde in een demonstratie tegen de machthebbers. Toen Daniel Defoe —de schrijver van Robinson Crusoe— in 1703 aan de schandpaal werd gezet voor het schrijven van een ‘opruiend’ pamflet (The Shortest Way with the Dissenters), bedekte de menigte de schandpaal met bloemen en gaven hem een ovatie toen hij bij Charing Cross (Londen) aankwam. In Nederland bleef de schandpaal tot ver in de 18e eeuw populair. Zij werd pas halverwege de 19e eeuw officieel afgeschaft als strafmaatregel.

Bij het digitaal lynchen worden personen via internet belasterd. Daarbij gaat het heel vaak, maar zeker niet alleen, om persoonlijke afrekeningen: er worden rekeningen vereffend tussen voormalige geliefden die op de harde manier van elkaar scheiden, tussen werknemers die zich onheus bejegend voelen door hun (voormalige) baas of werkgever, tussen scholieren die op hetzelfde meisje vallen, of tussen buren die elkaar het licht in de ogen niet gunnen.

Rambo’s gevraagd
Politici en bestuurders voelen zich onder druk gezet door de ongeciviliseerde stemming op (delen van) het internet. Hun achterban en clièele dringen met op agressieve wijze aan op ‘harde maatregelen’. Van burgemeesters wordt verwacht dat zij zich als gespierde sheriff opstellen en niet als een slappe riagg-arts. De burgemeester van Delft, VVD’er Bas Verkerk signaleert “grofheid op internet, waarbij de grenzen van het fatsoen jegens bestuurders, die zich met hart en ziel inzetten voor de stad en samenleving, regelmatig worden overschreden”. Het is onderdeel van een vergroving van de omgangsvormen in relatief grote delen van de samenleving [NRC, 14.10.11].
Nationaal bekende figuren —politici, rechters, acteurs, popsterren en andere Bekende Nederlanders— vormen een tweede categorie van potentiële slachtoffers. Het beledigen, belasteren en zelfs virtueel bedreigen van bekende Nederlanders lijkt op het internet een volkssport te zijn geworden. Door een digitale lynchpartij worden zij vogelvrij verklaard. In al deze gevallen is het doel weer precies hetzelfde: het beschadigen van de reputatie van al dan niet bekende particulieren of van het imago van instellingen of bedrijven. Wraak lijkt dus in veel gevallen het belangrijkste motief. Publieke vernedering is het overheersende doel.

Digitale schandpaal
Digitaal voor paal staan
Internet wordt gebruikt om openstaande persoonlijke rekeningen te vereffenen en om normoverschrijdingen aan de kaak te stellen en te redresseren. Deze sancties voor onbehoorlijk gedrag worden door internet naar een nieuw niveau verheven: er ontstaat een permanent dossier van iemands normschending; internetters gaan zich gedragen als cyberbloedhonden die normschenders opsporen (drijfjacht) en met digitale brieven brandmerken. Digitale klopjachten organiseren op individuen is iets waaraan de media en het rechtssysteem niet kunnen en mogen meewerken. De openbaarheid van het internet heeft een nieuw instrument van sociale controle doen ontstaan. Dat is de schaduwzijde van de ‘empowerment’. We maakten ons, zoals Howard Rheingold zegt, vroeger zorgen om big brother, maar nu zijn het onze buren, onze medepassagiers in de trein, tram en metro, onze willekeurige straatgenoten. De online burgerwachten en comités van waakzaamheid zijn nauwelijks meer te tellen.

Kijk je tegenwoordig eerst om je heen voordat je snel iets uit je neus pulkt, of je ondergoed rechttrekt? We zijn ons er in toenemende mate bewust van dat we mogelijk onder toezicht staan. De autoriteiten menen het recht te hebben om overal toezichtcamera’s te plaatsen, om op die manier de veiligheid te kunnen bevorderen. In hoeverre wordt het gedrag van mensen in publieke ruimtes beïnvloed door het impliciete potentieel van mensen in je buurt die jouw goede en slechte daden registreren? Hoe voorkom je dat privégesprekken die in publieke domeinen (zoals in een restaurant) worden gevoerd openbaar worden gemaakt?

Index Worst cases

Bus Uncle - Hong Kong, 2006

Bus Uncle
Bus Uncle gaat door het lint
Op 27 April 2006 tikt een jonge, bebrilde man een medepassagier in een bus op de rug met het vriendelijke verzoek om iets zachter te spreken in zijn mobiele telefoon. De jonge man is Elvis Ho, 23 jaar oud, handelaar in onroerend goed. De man die voor hem staat is Roger Chan: 51 jaar, hij werkt in een restaurant en leeft met 6 katten. Hij keert zich om en reageert heftig en dreigend. Chan begint een heftige tirade die zes minuten duurt. Zijn taalgebruik is extreem grof. Hangend over de leuning en met zijn vingers slechts een paar centimeter voor de neus van Elvis, roept hij: “Ik sta onder druk. Jij staat onder druk. Waarom provoceer je mij?”

Dit tafereel wordt op een mobiele telefoon vastgelegd door Jon Fong Wing Hang, een 21-jarige accountant en part-time psychologiestudent. Hij deelde zijn video met zijn vrienden en plaatste het op het internet. De video van zes minuten werd door ‘beautyjeojihyun’ op YouTube geplaatst en werd in de eerste drie weken van die maand door 1,7 miljoen mensen bekeken. Aansluitend werden er diverse afgeleide versies van gemaakt, zoals een ringtone, een rap, een disco remix en een karaoke versie. Via het internet kreeg Chan, die sinds deze video bekend staat als ‘Bus Uncle’, plotseling de status van een online beroemdheid. Lokale reporters gingen naar hem op zoek, en achtervolgden hem — hij werd voorpaginanieuws.

Opvallend genoeg werd ‘Bus Uncle’ erg populair. In Hong Kong werd de video een culturele sensatie en een inspiratiebron van discussies over leefstijl, etiquette en media-ethiek. Vooral jongeren gebruiken de inmiddels beroemde citaten van Chan en maken er parodieën op [YouTube: Bus Uncle; Wikipedia:The Bus Uncle; Zittrain 2008:211]. Ook wereldwijd werd hij —vooral voor teenagers— een soort held die de echte gevoelens van gewone mensen uitdrukt die dichtopeengepakt leven in een hectische stad waar je niet tegen vreemden praat. Bij Chan sloegen de stoppen door en veel stadsgenoten herkenden dat moment van falend agressiemanagement.

Chan probeerde een slaatje te slaan uit zijn status van YouTube celebrity en werd sindsdien regelmatig met bevallige jonge vrouwen in nachtclubs gezien. Een paar weken nadat de video op internet verscheen, werd Chan door drie mannen in elkaar geslagen tijdens een gerichte aanval in het restaurant waar hij als voorlichter werkte. Hij hield er ernstige verwondingen aan ogen en gezicht aan over.

Op het eerste gezicht is de video van Bus Uncle komisch, grotesk en dus vermakelijk. Maar het is ook een intrigerende video die een tipje van de sluier oplicht over de leefwijze van de mensen die in Hong Kong leven. De video geeft een alarmerend en sinister beeld van het overspannen leven in deze stad. Die overspanning komt in deze video tot uiting in een willekeurige bus. In bussen is het net als heel Hong Kong ‘druk, druk, druk’, en overvol. Ze noemen het daar vliegende doodskisten. Psychiaters waarschuwen dat er door de enorme werkdruk een stad vol met Bus Uncle’s kan ontstaan, tikkende tijdbommen van woede en geweld.

De gebeurtenis die op deze video werd vastgelegd was triviaal, Maar zij biedt ook een leerzaam inkijkje in het emotionele klimaat van de bewoners van een bepaalde stad. Bovendien sprak deze video niet alleen de burgers van die specifieke stad aan, maar miljoen op internet afgestemde burgers die daarin een uitdrukking zagen van de ‘echte gevoelens van gewone mensen’.

Index


Kakmadam - Zuid-Korea, 2002
Dog Poop Girl
Dog Poop Girl
Een opmerkelijke demonstratie van de kracht van het internet deed zich in 2002 voor in Zuid-Korea. In de metro poept het hondje van een vrouw op de vloer. Zij weigert het op te ruimen —zelfs als haar een tissue wordt aangeboden— maar maakt wel haar hondje schoon. Meerdere medepassagiers raken geagiteerd, maar de vrouw wordt steeds strijdbaarder in haar reacties. Bij de volgende halte stapt zij uit.

Dit incident werd op foto vastgelegd en op het internet geplaatst onder de titel ‘gae-ttong-nyue’ (dog shit girl). Daarbij werd iedereen opgeroepen om informatie te verzamelen over de hondenbezitster, haar familie en haar werk. De Kakmadam werd geïdentificeerd door mensen die haar en haar hondje eerder hadden gezien. Binnen de kortste keren werden haar identiteit en haar verleden onthuld; elk detail van haar leven lag op het internet voor iedereen te kijk. Het incident werd nationaal nieuws in Zuid-Korea en er werd zelfs in kerken over haar gepraat. De daarop volgende lawine van kritiek en publieke vernedering leidde ertoe dat de vrouw haar baan bij de universiteit verloor. Onder de Zuid-Koreaanse internetgebruikers werd ‘dog poop girl’ de meest gezochte zoekzin.

In de Washington Post beschreef Jonathan Krim dit incident als een test van het schaamtevermogen van het internet [Krim 2005]. Het is niet nieuw dat het internet gebruikt wordt om rekeningen te vereffenen. Natuurlijk is het onfatsoenlijk als hondenbezitters de poep van hun hond in openbare ruimtes niet verwijderen. Maar was het fair om de ‘dog poop girl’ te transformeren in een schurk die over de hele wereld bekend is? Was de internetmeute hier niet te ver gegaan? Kan de digitale razernij niet meer worden afgeremd? Gaat deze vorm van publieke vernedering niet veel te ver?

Diverse mensen over de hele wereld namen dit incident als voorbeeld voor eigen acties. Zij leggen het gedrag van hun asociale buren vast die hun honden op de stoep laten ontlasten zonder dit zelf op te ruimen, plakken de foto’s in de buurt op en zetten ze op het internet. Zij gebruiken de macht van het internet om een norm door te zetten: je bent moreel verplicht de poep van je hond op te ruimen in openbare ruimtes, je mag geen afval op de stoep van je buren storten, je mag op straat niet urineren, je mag niet voordringen in een rij wachtenden enzovoort. Door een cyberdrijfjacht in de blogosfeer worden normschenders opgespoord en digitaal gebrandmerkt [Solove 2007]. Daarbij wordt hun recht op privacy drastisch geschonden — veel bloggers vinden dat zij dit recht verliezen omdat zij zich onfatsoenlijk hebben gedragen.

Index


Star Wars Kid - Canada, 2002
Star Wars Kid: Ghyslain Raza
Star Wars Kid: Ghyslain Raza
Op 4 november 2002 gebruikte een Canadese teenager, Ghyslain Raza (1988), een videocamera van zijn middelbare school om zichzelf te filmen. Hij filmt zichzelf terwijl hij nogal onhandig met een golfbal retriever zwaait alsof het een lichtzwaard uit de Star Wars-films is. Raza Stond zichzelf een beetje te vermaken. Maar hij vergat de opname van zijn nogal onbeholpen schijngevecht te wissen. In de lente van het volgende jaar werd de opname door iemand anders ontdekt. Hij verspreidde de opname eerst onder zijn vrienden en zette hem daarna op het internet [YouTube: Star Wars kid].

We willen privacy voor onszelf, maar zijn erg nieuwsgierig naar de mallotigheden van anderen. In 2006 werd de StarWars Kid de meest populaire virale video op het internet. Het filmpje werd 900 miljoen keer gedownload [BBC 27 november 2006]. Er werden diverse parodieën op gemaakt, waarvan sommige op ‘prime time’ op de Amerikaanse televisie werden vertoond. Zelfs Hollywood toonde belangstelling. De Star Wars Kid zelf raakte erdoor getraumatiseerd en deed geen enkele poging om munt te slaan uit zijn onvrijwillige beroemdheid. Raza werd tegen wil en dank een webebrity. Hij wilde zelf maar een ding: “I want my life back”.

De familie van de jongen spande in juli 2003 een proces aan tegen de families van zijn schoolvrienden en eiste een grote schadevergoeding. Door de ongevraagde media-aandacht zou de jongen zou morele schade leiden. Hij “had to endure, and still endures today, harassment and derision from his high-school mates and the public at large”. Bovendien moest hij zich voor onbepaalde tijd onder psychiatrische behandeling stellen. De zaak werd geschikt maar de details zijn nooit bekend gemaakt. De Star Wars Kid was niet het eerste geval van cyberpesten, maar het was wel een van de meest bekende, omdat de videobeelden verbonden waren aan de populaire filmserie Star Wars [Wikipedia: Star_Wars_kid; idem_nl].

Index


Verblinde date: you’re on candid internet - V.S., 2006
Jason Fortuny
Jason Fortuny
Op zoek naar avontuurtjes
Begin september 2006 plaatste Jason Fortuny, een freelance grafisch ontwerper en netwerkbeheerder uit Seattle een advertentie in de sectie ‘Losse contacten’ van Craigslist.org. In 2007 bezette Craiglist volgens Alexia.com de 10e plaats in de lijst van meest populaire sites in de VS (eind 2008 afgezakt naar plaats 11). De sectie ‘Losse contacten’ is een virtuele markt voor mensen die op zoek zijn naar eenmalige avontuurtjes en anonieme sekspartners.

Jason kreeg 178 reacties op zijn contactadvertentie en plaatste deze vervolgens op zijn eigen website: craigslist-perverts.org (nu offline). Omdat hij zich als vrouw had voorgedaan die op zoek was naar een dominante sekspartner waren dat allemaal reacties van mannen. Jason publiceerde niet alleen de namen van de mannen die op zijn advertentie reageerden, maar ook hun naaktfoto’s en de namen van hun echtgenotes (er waren overigens ook reacties van alleenstaande mannen). Op die manier vernietigde hij in een klap hun reputaties, carrières en huwelijken.

Het was als ‘geintje’ bedoeld. Maar velen beschouwen het als smakeloze, verwerpelijke en schadelijke grap. Mensen met enig fatsoen publiceren in het algemeen geen privé emails, tenzij er hele goede redenen zijn om dat wel te doen. De mannen die op zijn advertentie hadden gereageerd hadden niets illegaals gedaan — hoogstens iets ‘onfatsoenlijks’.

Jason toonde alleen maar aan dat iemand in staat is om online levens te ruïneren. We wisten al langer dat dit ook in lokale gemeenschappen en netwerken mogelijk is. Met de grootste megafoon ter wereld worden tamelijk willekeurige individuen publiekelijk vernederd en digitaal gebrandmerkt. De privacy van het slachtoffer wordt per virtueel volksgericht ter zijde geschoven (‘zo iemand verspeelt zijn recht op privacy’) en het rituele offeren van de heks kan beginnen.

In het debat dat zich over Jason’s initiatief op het internet ontspon werd hij door sommigen gevierd als een provocateur, terwijl hij door anderen werd gefileerd als een sociopaat. Als gevolg van zijn experiment verloren twee mannen hun baan. Toen hij in april 2008 werd aangeklaagd door John Doe, nam Jason snel gas terug en verwijderde hij alle referenties naar de rechtszaak. Op 18 april 2009 verloor Jason Fortuny zijn proces en werd hij veroordeeld om zijn anonieme aanklager $74,252.56 schadevergoeding te betalen [Wikipedia: Jason_Fortuny; Jesdanum 2006; Chonin 2006; Doe v. Fortuny 2008].

Index


Julie’s verkrachter - V.S., 2005
In de zomer van 2005 plaatst ‘Julie’ een opmerkelijk en weerzinwekkend verhaal op dontdatehimgirl.com [DDHG]. Op dit webforum worden mishandelde vrouwen aangemoedigd om hun hart te luchten over het schandalige gedrag van hun ex-vriendjes. Julie’s verhaal loog er niet om: zij klaagde ene Guido aan die haar eerder in die zomer dronken had gevoerd en vervolgens (ook anaal) had verkracht. Bovendien had hij haar met deze wandaad een seksueel overdraagbare ziekte bezorgd. “The whole time the greasy Italian piece of shit raped me, he kept on saying he had genital warts and that I deserved to have them, too, because I was a slut.” Julie voelde zich vernederd, werd gedeprimeerd en probeerde zelfmoord te plegen. Het verhaal ging gepaard met een foto van de dader. De reacties laten zich raden: “Die smerige klootzak hoort in de gevangenis. We moeten zijn foto overal ophangen en iedereen laten weten wat hij heeft gedaan”.

Maar Julie’s verhaal loog er wel om — alles was gelogen. ‘Guido’ was in werkelijkheid Erik, een vriend van ‘Julie’. Zij gaf uiteindelijk toe dat het afschuwelijke verhaal slechts een geintje was [Green 2006].

Vermijd de bedriegers
“To post a cheating man to our easy-to-use search engine, tell us about him by sending an e-mail to info@dontdatehimgirl.com! Give us his name, age, and tell us where he lives as well. If you have a photograph, we’ll post that, too! By e-mailing DontDateHimGirl.com a request to post a cheater, you agree to our Terms of Use and Privacy Policy.”
Welke vrouw heeft niet ooit een andere vrouw gewaarschuwd voor een van haar ex-vriendjes? Deze vorm van informele sociale controle is er altijd geweest en heeft zeker ook vruchten afgeworpen: voor mannen die hun geliefde mishandelen mag gewaarschuwd worden om herhaling te voorkomen. Maar met de site DDHG wordt het aloude informele mechanisme geformaliseerd en wereldwijd opgeblazen. De mannen die op DDHG verschijnen worden als ‘rotte appels’ gebrandmerkt - ongeacht de vraag of het bericht dat over hen geplaatst is waar is of niet. Ook al hebben zij —op een paar uitzonderingen na— geen misdaad begaan, en ook al probeert iemand zijn leven te beteren na een misstap die in het verleden is begaan. Natuurlijk hebben de aangeklaagde mannen de mogelijkheid om de vrouw die deze informatie heeft geplaatst aan te klagen. Maar dan moeten zij wel eerst achterhalen wie die vrouw is. De postings op DDHG worden meestal anoniem geplaatst.

Een andere mogelijkheid is dat men de site zelf aanklaagt. Kan de DDHG aansprakelijk worden gesteld voor de plaatsing van een vals bericht of een bericht dat de privacy van de aangeklaagde mannen aantast? De eigenaar van DDHG, Tasha Joseph, meent dat zij niet aansprakelijk is voor de commentaren die door anderen geschreven zijn. Zij beroept zich daarbij op sectie 230 van de Communications Decency Act die specifieke bescherming biedt aan beheerders van interactieve internetdiensten. Bovendien staat in de Terms of Use van DDHG dat de gebruiker “enkel en alleen verantwoordelijk” is voor wat zij naar de site stuurt. Maar het is, zoals Julie Hilden [2006] opmerkte, nog altijd de wet en niet de site die bepaalt wie aansprakelijk is.

Er is op internet niets —behalve persoonlijke moraal— dat iemand belet een ander straffeloos te belasteren. Niemand weet in hoeverre al die verhalen in dontdatehimgirl uit de duim zijn gezogen [Keen 2007:91]. Geen van de aantijgingen op DDHG vereist enig bewijs. Alle aanklachten worden anoniem op de site geplaatst: verkrachting, pedofilie, doodslag, verslaving. Van achter de muur van virtuele anonimiteit worden schadelijke tirades afgestoken, zonder enige correctie op het waarheidsgehalte. Smaad en laster kunnen zonder tussenkomst van selectieve mechanismen rechtstreeks in de openbare ruimte van de virtuele wereld worden verspreid.

Er bestaat overigens ook een tegenhanger van Don’tDateHimGirl. Op de site GreatBoyfriends.com kunnen vrouwen hun exen aanbevelen bij andere vrouwen. “Who doesn’t know a great guy (or girl) who is shockingly, still single? Maybe it’s your best friend, your not-for-me ex, your adorable brother — you get it.”

Index


Seksdagboek van studenten - Nederland, 2002
Het dagboek van Sanne & Lesley In november 2002 ontstaat er een rel in de Utrechtse studentenwereld omdat er een ‘seksdagboek’ van twee studentes op het internet circuleert. Het dagboek werd uit de kamer van een van de studentes gestolen, gescand en op het uitwisselingsprogramma KaZaA gezet. In het dagboek wisselen de studentes psychologie hun seksuele ervaringen uit, waarbij ze de jongens beschrijven en waarderen met sterretjes en cijfers. De studentes beschrijven hun veroveringen tot in de meest intieme details. Zij vertellen over gescheurde condooms en hoe zij wakker worden naast een jongen en niet meer weten wie het is, hoe hij daar gekomen is en wat zij hebben gedaan.

De belangstelling voor de sites waarop het seksdagboek werd gepubliceerd was enorm. De jongens die in het dagboek vermeld staan (met naam, telefoonnummer en bedprestaties) werden overstelpt met scheldkanonnades en pesterijen. Een aantal van de twaalf jongens sloten hun telefoonnummer af. Volgens het studentenmagazine Smoel circuleerden er in Zwolle gedrukte vormen van het seksdagboek, geheel in kleur en met een nietje er doorheen. Voor de twee studentes werd een fanclubsite opgericht: de Sanne en Lesley Fanclub, waar je onder andere T-shirts kunt bestellen.

Dagboek shirt De studentes waren geschokt, maar lieten het er niet bij zitten. Hun advocaat eiste van alle sites die de dagboeken publiceerden of ernaar verwezen daar onmiddellijk mee te stoppen. De politie stelde een onderzoek in naar de manier waarop het dagboek openbaar is geworden. Hostingproviders werden veelvuldig gebeld met het verzoek de dagboekbestanden van het internet te halen. Ook eigenaren van websites werden gebeld. Bijna alle providers en webeigenaren voldeden aan dat verzoek. Het dagboek is daardoor nu lastig te vinden. De openbaarmaking van het dagboek valt onder artikel 31 van de auteurswet. Daarin staat dat het openbaar maken van een auteursrechtelijk beschermd document strafbaar is. Een dagboek is een auteursrechtelijk document, juist omdat het een briefwisseling is.

Als men de zaak terugbrengt tot vervreemding van auteursrechtelijke documenten lijkt de zaak simpel. Zo’n schending van de privacy en het auteursrecht kan met de normale strafrechtelijke middelen worden bestreden. Maar toch blijven deze en vergelijkbare seksdagboekhypes merkwaardige fenomenen. “Vreemder kan het eigenlijk niet. In een omgeving waar seksueel materiaal voorhanden is op een schaal die de mensheid nog niet eerder heeft beleefd, is een amper prikkelend relaas van twee jonge meisjes die tamelijk onschuldige seks beleven de grote sensatie. Alleen maar omdat het echt was” [Francisco van Jole, NRC 2.12.2002].

Index


Dagboek van een bolletjesofficier - Nederland, 2006
Op 11 mei 2006 publiceerde het populistische webforum GeenStijl intieme details uit het dagboek van Ernst Wesselius, officier van justitie op Bonaire. Wesselius had zijn dagboek, samen met 448 vertrouwelijke documenten met informatie over bolletjesslikkers, witwaspraktijken en kleine criminaliteit per ongeluk toegankelijk gemaakt op internet. Uit angst voor juridische vervolging werden deze documenten niet gepubliceerd, maar het weblog citeert wel intieme seksuele scènes uit zijn persoonlijke levensverhaal. Het zijn openhartige verhalen over zijn seksuele fantasieën, zijn ervaringen met hoeren, zijn stiekeme bezoek aan pornobioscopen en over masturberen. Hij beschrijft ook hoe in een politieonderzoek naar een grootschalige autodiefstal plotseling via een prostituee zijn visitekaartje boven water kwam. “Mijn gevoel van dat moment zal ik nooit vergeten, het was of mijn hele wereld compleet instortte, het liefst was ik in een groot gat in de grond voorgoed verdwenen.”

Nog groter was de schok toen hij merkte dat GeenStijl en ook de Telegraaf begonnen te citeren uit zijn ‘persoonlijk verhaal’ dat alleen voor zijn ogen bestemd was. “Ik wilde mijn leven op een rijtje zetten. Dat dit nu bij anderen terecht is gekomen, is het allerergste wat kon gebeuren” [Telegraaf]. De vertrouwelijke documenten waren samen met zijn levensverhaal op zijn computer in een map geplaatst die via LimeWare (een muziekuitwisselingsprogramma) voor de buitenwereld toegankelijk was. Dat was althans de verklaring die GeenStijl en de Telegraaf gaven. Maar een onderzoek naar de computer van Wesselius wees uit dat dit niet het geval kon zijn, omdat daarop geen software van LimeWare was geïnstalleerd [Elsevier 17.5.2006]. Wesselius zelf zei er ‘geen idee’ van te hebben hoe deze documenten naar buiten hadden kunnen komen. “Ik weet alleen hoe de computer aan en uit moet. Het is verschrikkelijk. Ik heb nog nooit op die computer muziek geruild, ik maak alleen teksten en stuur e-mails” [Telegraaf 13.5.2006]. De vertrouwelijke informatie die via de computer van de officier van justitie op straat belandde, is dus mogelijk afkomstig van diefstal.

Samen met de Telegraaf slaagde GeenStijl erin om iemand zwaar te beschadigen door te citeren uit persoonlijke documenten die op dubieuze wijze waren verkregen. Het aan de kaak stellen dat er opsporingsdocumenten open en bloot via internet verkrijgbaar zijn door incompetent handelen van een officier van justitie, dient nog een maatschappelijk belang. Maar dat geldt niet voor het beschadigen van de privépersoon - dat dient geen ander doel dan het brengen van sensatie over de rug van een ander. Dat is niet ‘geinig’ en heeft niets te maken met ‘het opzoeken van grenzen’, en alles met het overschrijden van elementaire morele grenzen en het tarten van beschavingsvormen. Wesselius reageerde woedend: “Dat je privéleven zo te grabbel wordt gegooid is heel erg. Je gevoel gaat alle kanten op. Gelukkig kreeg ik zelf alleen maar goede reacties: honderd procent vindt het een godgeklaagd schandaal.”

Index


Leraar verliest geduld - Nederland, 2008
Het gebeurde al eerder en elders, maar in november 2008 duikt een video op waarin een leraar van het Stedelijk Gymnasium in Utrecht een van zijn leerlingen hardhandig de klas uitzet. Een leerling moet de klas uit zonder zijn tas. Een andere leerling probeert die tas alsnog mee te nemen. Maar hij wordt, met tas en al, hardhandig het lokaal uitgewerkt door economiedocent Jongerius. Een derde filmde het incident met zijn mobiel, voorzag het filmpje thuis van tekst en muziek, en dumpte het op GeenStijl.

De rector van de school, Hanneke Taat, benadrukte dat het filmpje maar een deel van de waarheid onthult. “Een leraar mag zijn geduld niet verliezen, maar soms wordt het wel erg moeilijk gemaakt. Dit filmpje laat echter maar één kant van de zaak zien. We weten nog niet precies wat eraan vooraf ging. We zijn het aan het uitzoeken.” Drie leerlingen van de Utrechtse Scholengemeenschap werden geschorst. Maar het kwaad was al geschied en het filmpje is nu nog op het internet te zien. Een filmpje op internet, en de schoolreputatie is naar de filistijnen. Op sommige scholen worden mobieltjes in de klas verboden en moeten zij in kluisjes worden opgeborgen.

Index


Prins aan de schandpaal(journalistiek) - Nederland, 2004
Een van de eerste slachtoffers van de Nederlandse treiterblogs was Trudy Prins, directeur van Stivoro (voorlichtingsorganisatie op het gebied van roken). Het begon met een op 2 januari 2004 in GeenStijl gepubliceerd redactioneel commentaar waarin getwijfeld werd aan het aantal mensen dat zich volgens Stivoro had voorgenomen om te stoppen met roken. De redactie van GeenStijl nodigt haar bezoekers vervolgens uit om e-kaarten te sturen naar Prins en haar op te bellen. Zij werd overspoeld door haatmails, bekendmaking van persoonsgegevens en dreigementen. Er werd zelfs gesuggereerd om een pedofiel naar haar huis te sturen om haar kinderen anaal te verkrachten. De redactie van GeenStijl gaf hiertoe de aanzet, maar wijst elke verantwoordelijkheid voor wat hun bezoekers (‘reaguurders’) in het weblog opschrijven van de hand.

Met gepaste voorzetten van de redactie van GeenStijl nam de razernij steeds dreigender vormen aan:

En op elke tegenactie wordt met nog grover vertoon van woorden gereageerd: Dagenlang kreeg Trudy Prins onophoudelijk telefoontjes. Ze wist niet zeker in hoeverre ze de bedreigingen serieus moest nemen.

Prins overwoog aangifte te doen van de haatcampagne. Maar zij werd er door de digitale recherche op gewezen dat de pakkans zeer klein was, dat een onderzoek naar de herkomst van deze teksten weer nieuwe haatberichten zou genereren en dat de dader waarschijnlijk toch niet meer zou krijgen dan een lichte taakstraf. Zij zag er uiteindelijk van af om zich juridisch te verweren. Maar de stichting Stivoro wist de provider van GeenStijl zodanig onder druk te zetten, dat het bedrijf de samenwerking met het weblog opzegde. Naar aanleiding van de bedreigingen van Trudy Prins ging GeenStijl tijdelijk uit de lucht, maar kwam na een aantal maanden weer online. “GeenStijl was even uit de lucht, om vervolgens via een andere hostingprovider opnieuw woest grommend bij Stivoro aan de broekspijp te hangen” [WebWereld].

De wet van het moddergevecht
Wat kun je doen als je de eer te beurt valt om doelwit te worden van de meute van een afzeiksite? In bijna alle gevallen is het onverstandig om inhoudelijk te reageren. Wie dat doet krijgt onmiddellijk een volgende lading modder over zich heen. Het moedigt de stijlloze meute alleen maar aan om nog verder te gaan. Hier geldt de oude volkswijsheid: ‘Wie geschoren wordt moet stilzitten’. Bovendien geldt ook: ‘Worstel nooit met een varken. Je wordt er beiden vuil van, maar de varkens houden daarvan’. Het negeren van publieke aanvallen is vaak de beste manier om ze binnen de perken te houden.
Varken in de modder
Never wrestle with a pig:
You both get all dirty,
and the pig likes it
De riooljournalistiek van GeenStijl volgt een vast patroon. Op voorzet van de redactie worden de reaguurders uitgenodigd om anoniem hun hart te luchten over een persoon die hen om een of andere reden niet bevalt. De reaguurders overtreffen elkaar in kwaadaardige diskwalificaties, scheldkanonnades en bedreigingen. Na bekendmaking van telefoonnummer en adres van het slachtoffer wordt deze vervolgens in de privésfeer lastiggevallen door de meest geagiteerde reaguurders. Laster, smaad en bedreigingen vormen het stijlloze recept van een redactie die zich altijd lafhartig achter haar reaguurders verschuilt en elke verantwoordelijkheid voor het gebeuren probeert te ontwijken. Wie zich daartegen verzet krijgt een nog kwaadaardiger behandeling. Schaamteloos tot op het bot, met maar een doel voor ogen: nog controversiëler en spraakmakender te zijn dan andere shock- of treiterblogs (‘afzeiksites’).

Hoewel GeenStijl nog steeds haar kettersrol binnen de journalistiek vervult, zijn inmiddels bijna alle reacties die betrekking hebben op de directrice van Stivoro van het weblog geschrapt. Zelfs de vermelding van het Stivoro-verhaal bij de ‘Stijlloze Klassiekers’ is inmiddels van de openingspagina verwijderd. Bovendien werden ook de huisregels verscherpt. Wat niet meer wordt toegestaan zijn “racisme, antisemitisme, rabiaat extreemrechts taalgebruik en bedreigingen”. In de toelichting wordt daaraan toegevoegd:

Inmiddels adverteert Stivoro sinds december 2007 weer met betaalde reclamebanners op GeenStijl: “stoppen met reaguren is ’n eitje, stoppen met roken is moeilijker, dump je stopfilm, klik hierrr...” Voor geld is bijna alles altijd te koop.

Het motto van de SchandpaalJournalistiek
“Wij zijn geen journalistiek medium. Ons motto is: Tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend” [Dominique Weesie in Vrij Nederland, 30.8.2008]
Dominique Weesie
Dominique Weesie
In een interview met de Volkskrant verklaarde Dominique Weesie (‘Fleischbaum’) —samen met Ambroos Wiegers (‘Prof. Hoxha’) oprichter van GeenStijl— dat de redactie met name in de affaire met Trudy Prins te ver is gegaan. GeenStijl had spijt moeten betuigen over het linken naar een artikel met een telefoonnummer van Prins, die met bellende reaguurders te maken kreeg. “Hier was een spijtbetuiging op zijn plaats geweest. En die is veel te lang uitgebleven. Dat zit mij dwars. Dat had nooit mogen gebeuren en het is niet goed te praten. We hadden overigens wel een punt: ze had gesjoemeld met de cijfers.”

Index


Schaamteloze exploitatie van de schaamte: Mugshots en Revenge Porn
In de Verenigde Staten is inmiddels een criminele industrie ontstaan rond de foto’s die de politiek van arrestanten maakt. Het is in de VS niet moeilijk om aan die foto’s (mugshots) te komen. In een aantal Amerikaanse staten zijn politiedossiers openbaar. In sommige politiedistricten is het gangbaar dat foto’s van arrestanten online worden gezet om het gevoel van veiligheid van de burger te vergroten. Dubieuze ondernemers zetten de politiefoto’s online en vragen vervolgen honderden dollars om ze weer van het internet af te halen.

Het is een moderne toepassing van een oude afpersingspraktijk van de maffia: tegen betaling wordt ‘bescherming’ geboden tegen aanvallen van diezelfde maffia. Websites zoals RemoveMyMug brengen portretten van arrestanten in omloop, zelfs als de verdenking niet tot een veroordeling heeft geleid. Er zijn inmiddels meer dan zestig van dergelijke mugshot-sites. Zij verdienen grof geld aan de verwijderbijdragen van de slachtoffers (en aan advertenties van advocaten).

Tegenwicht
Inmiddels is er verzet op gang gekomen tegen deze vorm van chantage. In de Amerikaanse staat Georgia mogen de websites niet langer geld vragen en moeten ze binnen 30 dagen een foto verwijderen als de verdenking tegen de geportretteerde niet tot een veroordeling heeft geleid. Vergelijkbare wetten inmiddels in een groot aantal Amerikaanse staten doorgevoerd.

Een even schaamteloze wraakzuchtige exploitatie van schaamte zijn sites waarbij ex-partners pikante foto’s online zetten die ze in betere tijden van hun geliefden maakten. Voorbeelden van deze revenge porn zijn Rate My Ex Girl Friend, Girl Friend Revenge en Submit Your Ex.

De slachtoffers van deze pornografische wraak van voormalige partners krijgen vaak weinig gehoor bij justitie. Bovendien worden zij ontmoedigd om aangifte te doen omdat een rechtszaak nog meer ongewenste aandacht trekt (het zgn. Streisand effect). Er zijn inmiddels wel steunorganisatie zoals Without My Consent die slachtoffers ondersteunen in hun verzet tegen ongewenst geopenbaarde foto’s en video’s.

Pornografische wraak is een vorm van schending van vertrouwelijkheid. Intieme partners vertrouwen erop dat de ander hen beschermt door gevoelige informatie voor zich te houden. De controle over wie toegang heeft tot persoonlijke informatie over onszelf is een noodzakelijke voorwaarde voor vriendschap, intimiteit en vertrouwen. De partners beloven elkaar meestal impliciet en als vanzelfsprekend om de gevoelige informatie niet met anderen te delen. Dit vertrouwen maakt mensen kwetsbaar omdat de keuze om informatie te openbaren (met derden te delen) niet meer alleen van henzelf afhankelijk is. Als een partnerschap of liefdesrelatie wordt verbroken omdat daaraan de vertrouwensbasis is ontvallen, dan lopen de ex-partners het risico dat de vertrouwelijkheid van gevoelige informatie wordt geschonden. Dit verlies van controle op de ex-partner biedt kansen voor revenge porno.

Bij pornografische wraak wordt de vertrouwelijkheid van informatie die voormalige partners met elkaar deelden geschonden. Voordat een wraakzuchtige ex-partner de gevoelige informatie openbaarde, werd die informatie nog als vertrouwelijk beschouwd en werd daarmee nog integer omgegaan. Na de scheiding voelt een der partners zich niet meer gebonden aan deze impliciete belofte en begint onbetrouwbaar te handelen. Daarmee wordt de redelijke verwachting van privacy doorbroken.

Van Holly Jacobs werden in januari 2009 naaktfoto’s op het internet gezet door haar partneer waarmee zij juist de relatie had beëindigd. Deze foto’s werd op grote schaal verspreid en belandden op meer dan 100.000 sites. Zij veranderde haar naam, werd uit haar baan als lerares verdreven en werd onder enorme druk gezet door duizenden vreemden die niet alleen wisten wie zij was, maar ook hoe zij de liefde bedreef. Zij was in de staat Florida de eerste een proces aanspande voor schending van privacy en emotionele kwelling. Zij nam het initiatief voor de End Revenge Porn campaign en vormde samen met twee andere slachtoffers de steungroep Women Against Revenge Porn.

Nog steeds blijven profiteurs bezig om slachtoffers van revenge porn geld uit de zak te kloppen. De site Change My Reputation brengt duizenden dollars in rekening om de foto’s van You Got Posted te verwijderen. Het vermoeden is dat beide websites tot dezelfde criminele organisatie behoren.

Privacy als contekstuele integriteit
Helen Nissenbaum formuleerde in Privacy as Contextual Integrity drie principes van privacy:
  • Bescherming van privacy van individuen tegen intrusieve overheidsactoren
    Dit principe komt in het geding wanneer actoren van de overheid ongelimiteerd allerlei persoonlijke informaties verzamelen en gebruiken.
  • Beperking van toegang tot intieme, gevoelige, of vertrouwelijke informatie
    Dit principe komt in het geding wanneer vertrouwelijke informatie zonder toestemming van de betrokkene met derden wordt gedeeld. Mensen hebben recht op hun geheimen. Persoonlijke informatie die in een specifieke contekst aan een ander ter beschikking wordt gesteld, blijft altijd verbonden aan die contekst en mag daarbuiten nooit te grabbel worden gegooid.
  • Beperking van intrusies in persoonlijke of private ruimtes
    Dit principe komt in het geding zodra de soevereiniteit van een persoon in zijn of haar eigen domein wordt geschonden. Burgers hebben het recht om zichzelf af te schermen van de blik of het oor van anderen wanneer zij binnen hun eigen particuliere domein verkeren.
Deze drie principes van contextuele integriteit vormen samen het referentiekader voor de normering van informatiestromen en de beoordeling van schending van (informationele en communicatieve) privacynormen. Online kwelling heeft desastreuze gevolgen voor het slachtoffer. Het recht van elk individu om zijn/haar goede naam te beschermen is de grondslag van de waardigheid van elk menselijk individu. Pornografische wrekers proberen hun —meestal vrouwelijke— slachtoffer te intimideren door publieke schaamte en vernedering [Calo 2011; Citron 2009].

Index Vervreemding van virtuele goederen

Kan het vervreemden van digitale goederen als strafbaar feit worden aangemerkt, of is het ‘slechts’ een onfatsoenlijke daad die morele afkeuring verdient? Het antwoord op die vraag bleef in Nederland jarenlang onbeantwoord. Voor oktober 2008 werden de dieven van digitale goederen door de rechter vrijgesproken. Digitale objecten werden door de rechters niet beschouwd als ‘goederen’ die wederrechtelijk kunnen worden toegeëigend. Artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht zegt daarover: “Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.” Door het toegenomen economisch belang van online gaming en de verhandeling van virtuele objecten die door spelers worden gebruikt in online games, wordt de vraag steeds urgenter wat de juridische status is van die objecten. Kunnen virtuele goederen object van eigendom zijn?

Index


Dieven in Habbo Hotel
Wie zijn eigen huis binnen loopt en merkt dat alle meubels opeens verdwenen zijn, doet onmiddellijk aangifte van diefstal. Als de dader(s) van deze diefstal kunnen worden opgespoord, zullen zij door de rechter voor wederrechtelijke toeëigening worden veroordeeld. De meubeldieven hebben immers op onrechtmatige wijze feitelijke beschikkingsmacht verkregen over goederen die mijn eigendom zijn. Maar hoe ligt dat in de virtuele wereld? Kun je virtuele goederen stelen? De meubels, kleding, huizen, huisdieren en gadgets in de 3D virtuele werelden zijn weliswaar ‘niet echt’ in de zin dat het tastbare objecten zijn. Maar de objecten waarover men in virtuele werelden kan beschikken hebben voor hun gebruikers wel degelijk grote waarde, en zij hebben daarin veel tijd en soms ook veel echte euro’s geïnvesteerd. Wie ook over deze objecten wil beschikken moet daarvoor met echte euro’s betalen of moet de vaardigheden ontwikkelen die nodig zijn om ze zelf te maken. Wie dergelijke objecten van anderen pikt, maakt zich dus schuldig aan diefstal dan wel schending van intellectueel eigendom (vervreemding van zelfgemaakte digitale objecten).

Credits
Habbo Hotel is een populaire internetsite voor jongeren tussen de acht en zestien jaar oud. Zij kunnen daar door een virtueel hotel lopen, met andere gasten chatten en hun eigen hotelkamer inrichten met virtuele meubels. Zij ontmoeten andere bezoekers in het café, disco, pizzeria en zwembad. De website van Habbo is weliswaar gratis, maar voor extra diensten (zoals inboedel) moet worden betaald met Credits die gekocht worden met echt geld. De Postbank houdt de ouders van potentiële Habbo-bewoners voor: “In Habbo Hotel kan uw kind ondernemen door bijvoorbeeld meubi’s te verkopen en activiteiten te organiseren. Is uw kind ondernemend genoeg om ook in het echt zelf geld te verdienen? Dan kan hij of zij een eigen Bizznizz starten door bijvoorbeeld als tuinman te werken of op te treden op feestjes. Zo leren kinderen op een leuke, slimme manier al jong met geld omgaan.”
In 2007 werd een 17-jarige jongen uit Gennip opgepakt wegens diefstal van meubels in het online spel Habbo Hotel. Hij ontfutselde jonge gebruikers hun login-gegevens en verplaatste meubels, die de jongeren met hun eigen zakgeld betaald hadden, naar zijn eigen kamers. De meubels vertegenwoordigde een totale waarde van 4.000 euro. Naast diefstal en heling werd de Habbo-dief door de Amsterdamse digitale recherche ook beschuldigd van computervredebreuk en vernieling. Wereldwijd gaat er in Habbo Hotels ongeveer 4 miljoen euro per maand om; Second Life heeft een dagelijkse omzet van meer dan 1 miljoen euro. Het proces tegen de Habbo-dief was een testcase. De cruciale vraag was of het stelen van virtuele goederen strafbaar is.

Voor het stelen van digitale goederen op Habbo Hotel werden diverse tactieken gebruikt. Om achter de gebruikersnamen en wachtwoorden voor Habbo Hotel te komen, werden hotmail-accounts van andere jongeren gehackt en werd gebruikt gemaakt van nep-websites. In een uitzending van Nova [13.11.07] werd deze virtuele diefstal in beeld gebracht.

Toch werd dief van de digitale spullen niet veroordeeld [DAG - 14.11.07].

Index


Vervreemding van RuneScape
‘Dan zou ik hem nog meer klappen geven’
Een van de verdachten verklaarde: “Omdat [slachtoffer] niet meewerkte, heb ik hem de keel dichtgeknepen. Wij dwongen [slachtoffer] om in te loggen op die computer. [slachtoffer] wilde niet zijn wachtwoord geven en inloggen op de computer om het spel te spelen. Doordat wij hem bedreigden, heeft hij op een gegeven moment wel ingelogd en het spel opgehaald. Ik bedreigde [slachtoffer] dat hij wel mee moest werken. Als [slachtoffer] niet wilde meewerken dan zou ik hem nog meer klappen geven” [NJD].
In oktober 2008 worden voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis twee jongens van 14 en 15 jaar oud wegens ‘diefstal van virtuele goederen’ veroordeeld tot een taakstraf van 160 en 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één en twee maanden. Ze hadden in september 2007 een 13-jarige RuneScape-speler mishandeld en hem vervolgens onder dreiging van een mes beroofd van zijn virtuele rijkdom: zij dwongen hem een virtueel masker en een virtueel amulet over te schrijven naar de accounts van de daders. Door het onder geweldsdreiging afpersen van het wachtwoord, verwierven de daders zich toegang tot de virtuele bezittingen van het slachtoffer. Het slachtoffer had veel tijd gestoken in het spel en had daarom een account van grote waarde. De advocaten probeerden de daders te verdedigen met het argument dat er geen sprake van diefstal was, omdat het niet om ‘tastbare goederen’ ging. Maar in dit geval zag de rechter dat toch anders. De Rechtbank van Leeuwarden oordeelde dat ook diefstal van virtuele goederen onder Artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht valt, en dat op grond daarvan de verdachten schuldig werden bevonden. Virtuele objecten hebben volgens de rechter wel degelijk waarde voor gamers.

De rechter motiveerde zijn oordeel als volgt:

‘Digitale goederen’ zijn objecten die primair in de virtuele wereld hun betekenis en waarde hebben en die daarom ook object van vervreemding kunnen worden. De status van een speler in een online game is door die speler zelf opgebouwd en vereist in de regel een grote tijdsinvestering. De toegang tot die virtuele rijkdom en de formele beschikkingsmacht om daarmee online te manipuleren worden beschermd door de unieke inloggegevens (gebruikersnaam en wachtwoord) waarmee men toegang krijgt tot het spel. Wie over deze inloggegevens beschikt, kan daarmee allerlei handelingen verrichten die een eigenaar toekomen, zoals overdragen, uitsluiten van derden, vernietigen en prijsgeven (in de regel verwerven de gebruikers deze rechten op grond van de gebruiksovereenkomst met de aanbieder). Gebruikers verkopen virtuele goederen dan ook alsof het hun in eigendom toekomende zaken zijn (hoewel dit soms in tegenspraak is met een contractueel overdrachtsverbod, zoals bij Second Life).

Iemand die zich deze toegangssleutel onrechtmatig toeëigent, doet precies hetzelfde als een dief die de bankdirecteur dwingt om de code van de geldkluis af te staan.

Virtuele diefstal
Van een virtuele diefstal is sprake wanneer de toegangscodes tot een speciale internetruimte via het internet zelf worden ontvreemd. Daarvoor hoeft men het slachtoffer niet te bedreigen of te mishandelen — het gebeurt juist achter de rug van het slachtoffer om, die pas later merkt dat zijn virtuele eigendommen gestolen zijn.
Men verwerft zich illegaal toegang tot de eigendommen van iemand anders. In het eerste geval zijn dat virtuele goederen, in het laatste geval geld. Het online dreigen met geweld om een wachtwoord te ontvreemden is dan ook geen ‘virtuele diefstal’ —zoals in veel krantenberichten stond vermeld— maar een diefstal van virtuele goederen. Ook al kun je deze goederen niet aanraken (hetzelfde geldt overigens ook voor giraal geld, zie: HR 11.5.82, NJ 1982, 583). Digitale of virtuele objecten hebben zeker een bepaalde waarde, niet alleen voor het slachtoffer, maar ook voor de dieven. In het rechtsgevoel van gebruikers worden digitale objecten in ieder geval als eigendom ervaren [Lagemaat/Boonk/Biet 2006]. Bovendien vertegenwoordigen zij in de lokale wereld ook steeds meer een monetaire waarde en worden zij op speciale markten en speelpleinen verhandeld.

De uitspraak van de Rechtbank in Leeuwarden zorgt voor interessante jurisprudentie: het stelen van virtuele spullen is in Nederland voortaan strafbaar.

Een avatar vermoorden
In Japan maakte een 43-jarige pianolerares zich zo kwaad over haar scheiding van haar online echtgenoot in een virtueel spel, dat zij zijn digitale karakter vermoordde. “Ik was opeens gescheiden, zonder waarschuwing vooraf. Dat maakte me zo kwaad.” De vrouw, die overigens in het echt getrouwd is, werd door de politie opgesloten op verdenking van illegale toegang tot een computer en het manipuleren van elektronische data. Zij gebruikte zijn identificatie en wachtwoord om in te loggen op het populaire interactieve spel Maple Story (50 miljoen inschrijvingen) en pleegde in mei 2008 de virtuele moord [The Guardian, 24.10.08].

Toen haar voormalige virtuele echtgenoot, een 33-jarige kantooremployee, ontdekte dat zijn geliefde avatar om het leven was gebracht deed hij aangifte bij de politie. Hij had zijn avatar meer dan een jaar ‘opgevoed’ [Sky News]. De pianolerares werd op 22 oktober 2008 thuis gearresteerd en 1.000 km van haar huis in Sapporo opgesloten

Dit voorbeeld laat niet alleen zien hoe de scheidslijn tussen werkelijkheid en fantasie kan vervagen, maar ook en vooral hoe internet gebruikt kan worden om persoonlijke rekeningen te vereffenen. Wanneer het hiernaastmaals van de virtuele wereld vervloeit met het hiernumaals van de lokale wereld, hoe groot is dan de afstand tussen een virtuele moord op een zorgvuldig gekoesterde avatar en een fysieke moord op het lichaam van zijn schepper?

Uit experimenteel onderzoek blijkt dat de persoonlijkheid van iemands Second Life karakter doorwerkt in het lokale leven van de speler. Yee & Bailenson [2007, 2008] noemen dit het Proteus Effect (de Griekse god Proteus kon zeer uiteenlopende zelfrepresentaties aannemen; hij had de onhebbelijke gewoonte om op de vreemdste momenten op te duiken, telkens in andere gedaanten). Als iemand bijvoorbeeld een meer aantrekkelijke avatar heeft, dan acteert die persoon niet alleen extraverter dan normaal in een online spel, maar kan die extravertheid ook op het lokale leven overslaan. Wanneer we onze avatars ontwerpen verandert ook op subtiele wijze de manier waarop we ons gedragen. Individuen acteren assertiever en agressiever wanneer zij met een grote avatar spelen, zelfs als zij in werkelijkheid niet groot zijn. Je kunt het ook omkeren, zoals Kristina Dell van Time Magazin suggereerde: “Ik overweeg om mijn avatar een hutje bij de zee te geven en een charitatief baantje. Misschien stromen dan een paar van de positieve gevoelens over naar mijn werkelijke leven.” Het zou kunnen werken, want zelfperceptie beïnvloedt ons gedrag.

Van Winston Churchill is de bekende uitspraak: “We shape our buildings, and afterwards our buildings shape us.” Dit geldt ook voor avatars: wij maken onze avatars, en vervolgens maken onze avatars ons.

Index Internet als burgerwacht en dievenvanger

We hebben gezien hoe internet gebruikt wordt om persoonlijke rekeningen te vereffenen, om gênant gedrag van individuen te ridiculiseren en om normoverschrijdend gedrag aan de orde te stellen. Internet fungeert daarbij als prisma waarin individuen plotseling en onvrijwillig in de schijnwerpers van cyberspace worden geplaatst. In principe heeft iedereen ermee te maken: van pubers, gescheiden vrouwen, leraren, politici tot de directeuren van grote ondernemingen. In veel gevallen wordt daarbij privé materiaal zonder toestemming van de eigenaar op internet gepubliceerd (bij afpersing wordt daarmee gedreigd). Volgens de Raad van Journalistiek is dat verboden. Maar de internetpublicisten houden zich niet aan deze journalistieke code.

Internet wordt in toenemende mate ook gebruikt om echte wetsovertreders op te sporen. Vermeende daders van een misdrijf worden herkenbaar in beeld gebracht en met naam en toenaam genoemd. Soms gebeurt dit door particulieren, maar steeds meer wordt het middel ook door de overheid zelf toegepast.

Index


Eigenmachtige opsporing
Een drogist uit Nieuwegein was door een jongeman bestolen in zijn winkel. De drogist, Aart van Tellingen, nam begin maart 2006 wraak op de winkeldief: hij zet een filmpje van de stelende jongen online. Op het filmpje is te zien hoe de jongeman schaamteloos zijn tas vult met tientallen mascararollers ter waarde van 1.400 euro. Toen de drogist aangifte deed, stelde hij de bewakingsbeelden ook aan de politie ter beschikking. Tegenover het AD [3.3.06] verklaarde hij: De drogist verwijderde het filmpje nadat hij gebeld werd door de echtgenoot van een vrouw die ook op het filmpje te zien was en die niets met de diefstal te maken had, maar wel herkenbaar door het beeld liep. Dat vond ook de drogist te ver gaan.

De Utrechtse politie laat dergelijke filmpjes niet zien in het opsporingsprogramma op de regionale televisie omdat daarvoor het delict te licht is. Dit gebeurt alleen als het gaat om veelplegers, diefstal in vereniging of geweldsdelicten. Ook het Openbaar Ministerie liet weten geen voorstander te zijn van het plaatsen van dergelijke video’s op internet: “Als het doel is de dief op te sporen, dan is dit middel te grof.” Het College Bescherming Persoonsgegevens voegde daar aan toe dat de drogist de wet overtreedt: “Dit gaat richting de schandpaal.”

Index


Snoopy: klopjacht op een hondendoder

Snoopy zoals die dood werd aangetroffen in een Lotto-tas.
Foto’s: Dierenpolitie Gelderland-Zuid
Op 11 mei 2013 werd in het Maas-Waalkanaal in Nijmegen een oude sporttas gevonden met een dode hond. De politie vermoedde dat de hond geen natuurlijke dood was gestorven en mogelijk was verdronken [Gelderlander, 14.5.13]. De dierenpolitie verspreidde nog op dezelfde dag via Twitter foto’s om de eigenaar op te sporen: Wie herkent deze tas? en Wie herkent deze hond?. De hond, een Amerikaanse Staffordshire, had beschadigingen aan de snuit.

De digitale tamtam kwam via Twitter op gang en al snel werd de identiteit van de eigenaar van de hond achterhaald. Op dinsdagavond 14 mei verzamelden zich in de Nijmeegse wijk Hatert groepjes verontwaardigde en boze buurtbewoners op het Binnenhof. Zij waren ervan overtuigd dat daar de hondeneigenaar woonde die zijn beest heeft gedumpt in een sporttas. De bewoners dreigden het recht in eigen hand te gaan nemen. De politie hield daarom een oogje in het zeil en patrouilleerde regelmatig door de straat. Met grote moeite probeerde de politie tot diep in de nacht de gemoederen te bedaren. [Gelderlander, 14.5.13]. Diezelfde nacht nog werd de eigenaar van de hond opgepakt. De 51-jarige man wordt ervan verdacht zijn hond levend in een tas in het water te hebben gedumpt [Gelderlander, 15.5.13].

Burgemeester Hubert Bruls van Nijmegen liet weten dat hij geschrokken was van de klopjacht die via de sociale media onstond op de vermeende eigenaar van de hond. “Van eigenrichting kan en mag geen sprake zijn. En ga je niet verlagen tot het niveau van de dader, door allerlei ernstige verwensingen op sociale media te plaatsen” [Gelderlander, 15.5.13].

De reacties in de sociale media kenmerken zich door sterke bewoordingen van grote verontwaardiging: verschrikkelijk, smeerlap, vuilakkerij, zieke geest. Daarbij wordt ook met grote regelmaat aangegeven hoe de dader bestrafd zou moeten worden: opsluiten en niet meer vrijlaten; in een grote vuilniszak stoppen en laten afzinken; neerknuppelen; gevalletje doodstraf. Daarbij wordt opgeroepen om een ouderwetse klopjacht op de dader te openen. Maar er zijn ook reaguurders die ervoor waarschuwen niet het recht in eigen hand te nemen.

De hond werd herkend door een onderhuidse chip. Via Facebook werd de identiteit van de vermoedelijke dader Doby van A. (met foto) en zijn woonadres, bekend gemaakt. Via Facebook en Twitter werd zijn adres duizenden keren gedeeld.

Veel deelnemers aan de klopjacht op de vermeende dader beschouwen hun activiteiten niet als een vorm van eigenrechting, maar als een noodzakelijke civiele aanvulling op de beperkte politionele opsporingsmogelijkheden.

Index


Hinderlijk volgen en brandmerken
Er zijn diverse particuliere sites waarin de burgers worden geïnformeerd over al dan niet veroordeelde oplichters, fraudeurs en pedofielen. Met behulp van internet worden burgers opgeroepen om waakzaam en weerbaar te zijn. Voorbeelden daarvan zijn mokka.punt.nl (tot maart 2007) en ListEnBedrog.nl (“een openbare aanklacht tegen misstanden”) die namen publiceert van oplichters. Een daarvan is Sebastiaan B. [1985] uit Breda die bij een aantal mensen en bedrijven schulden maakte die hij nooit betaalde. Hij is daarvoor inmiddels veroordeeld en gaat niet in hoger beroep. Sinds 2004 wordt B. op diverse websites bedreigd en beschuldigd van allerhande zaken. De gevolgen zijn niet te overzien: B. ondernam twee zelfmoordpogingen en werd ook nog daarna bedreigd en beledigd. Volgens zijn advocaat maakten de eigenaren van het weblog zich schuldig aan smaad, laster en bedreiging. B. erkende dat hij fout zat en accepteerde zijn veroordeling. Zijn probleem is niet de veroordeling, maar zijn kans op een tweede start: “Ik krijg door de publicaties op internet nooit de kans om opnieuw te beginnen. Het blijft me achtervolgen.”

Internet verjaart niet — het kan je je hele leven achtervolgen. In het strafrecht wordt uitgegaan van de onschuldpresumptie (je bent onschuldig, tenzij je door de rechter wordt veroordeeld) en na een bepaalde straftijd te hebben uitgezeten, krijg je een nieuwe kans om in de samenleving te integreren. Wie eenmaal op internet als crimineel aan de schandpaal is genageld, is levenslang gebrandmerkt en loopt grote kans als ex-gedetineerde duurzaam gediscrimineerd te worden.

De maker van listenbedrog, Martin van Kampen, vond het “flauwekul dat de dader niet bij naam genoemd mag worden en het slachtoffer wel.” Hij had de site opgezet als “een waarschuwing tegen dit soort mensen.” Bovendien haalde hij de meeste publicaties uit de kranten: “ik bundel ze alleen maar.” De advocaat van B. sprak dit tegen: “Listenbedrog mixt journalistieke feiten met eigen inkleuring en hangt daarom tegen laster of smaad aan” [AD, 3.6.06].

Index


Jagen op veroordeelde pedofielen
Jagen op mannen die via het internet, onder een valse identiteit contact zoeken met kinderen en die hen proberen te verleiden tot seksuele handelingen. Dat mag en kan zelfs preventief werken. Maar het achtervolgen van veroordeelde pedoseksuelen die hun straf hebben uitgezeten? Dat is misplaatste eigenrichting. Op de site Stopkindersex (SKS) die op 31 mei 2006 werd gelanceerd stond een lijstje met postcodes van wijken waarin een veroordeelde pedofiel woont. Iedereen kan op die manier nagaan of er een veroordeelde pedoseksueel in zijn of haar postcodegebied leeft. “De site is opgericht om mensen te waarschuwen tegen heren die op internet zitten en die seksueel contact met kinderen willen”, zei initiatiefneemster Yvonne van Hertum. Zij was al eerder door de rechter veroordeeld omdat zij pedofielen met naam en toenaam op haar site had geplaatst. In het televisieprogramma Pauw & Witteman [26.2.07] legde van Hertum uit dat zij en haar vrijwilligers op verschillende chatsites heren uit de tent lokken die via het internet seksueel contact zoeken met minderjarigen. Gaat iemand in op de avances, dan wordt het individu in kwestie publiekelijk aan de schandpaal genageld: zij worden met foto, naam en toenaam op de site geplaatst [zie ook: EénVandaag - 26.9.07].

Het publiceren van adressen van veroordeelden is in Nederland verboden. Daarom publiceert de Nederlandse actiegroep StopKinderSexs (SKS) sinds 6 februari 2009 via een Amerikaanse site adressen van kinderbelagers op internet. Wie zijn postcode of woonplaats intikt, krijgt te zien of bij hem vermeende pedofielen in de buurt wonen. De gegevens van pedofielen worden aangeleverd door slachtoffers of hun omgeving. Het motto van Yvonne van Hertum is nog steeds hetzelfde: pedofielen hebben geen recht op privacy. “Op het moment dat ze met hun handen aan een kind komen, verliezen ze wat ons betreft alle rechten” [Volkskrant 5.2.09].

Pedojaagster in de cel voor eigenrechting
Op 8 mei 2009 werd pedojaagster Yvonne van Hertum door het Haagse gerechtshof veroordeeld tot vier maanden celstraf, waarvan twee voorwaardelijk voor het medeplegen van smaadschrift [Rechtspraak, 08.05.2009].

Zij had ten onrechte een man beschuldigd van erotische chats met minderjarige meisjes en zijn foto en woonadres op het internet gepubliceerd. Door zwaarte van de straf wilde het gerechtshof laten zien dat het gedrag van de verdachte ‘afkeuring’ verdient. In haar uitspraak benadrukte het hof dat een valse beschuldiging op internet iemand lang kan achtervolgen. “Het slachtoffer is op internet kwetsbaar, en kan tot in lengte van jaren worden achtervolgd.”

In december 2011 verwierp de Hoge Raad in cassatie haar bezwaar nogmaals en werd de celstraf vastgesteld op drie maanden en drie weken, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar [Rechtspraak, 13.12.2011].

De logica van naming and shaming is dat zedendelinquenten die hun straf hebben uitgezeten, nog een keer door de samenleving worden gestraft. Zij worden onvoorwaardelijk en zonder uitzicht op verjaring aan de virtuele schandpaal genageld. Het op een dergelijke wijze afficheren van veroordeelden past niet in de Nederlandse rechtsorde, schreef de Minister van Justitie, Hirsch Ballin in antwoord op kamervragen [bron]. Wie melding wil maken van kinderporno en het seksueel benaderen van kinderen op of via het internet, kan dit beter rechtstreeks melden bij de Politie, of anoniem bij Meld Misdaad Anoniem, of bij het Meldpunt Cybercrime.

Index


Politie zoekt extra ogen
In zijn nieuwjaarstoespraak van 2004 opperde korpschef Peter Vogelzang van de regio Utrecht om foto’s van draaideurcriminelen (‘veelplegers’) op internet te zetten en te verspreiden in de wijken waar ze hun misdrijven plegen. Door criminelen in het openbaar aan de schandpaal te nagelen, hoopt de politie burgers beter te informeren over veiligheid en criminaliteit in de buurt. “Burgers zijn grotendeels zelf verantwoordelijk voor de veiligheid in hun buurt. Ze hebben dan ook het recht om te weten wie in hun wijk voortdurend misdrijven pleegt.” Vogelzang wist dat hij daarmee de grenzen van de privacywet opzoekt, maar hij meent “dat maatschappelijke belangen prevaleren boven de privacybelangen van criminelen.” Hij kreeg hiervoor weinig steun vanuit de politiek en het Openbaar Ministerie, vooral vanwege het gevaar van ‘eigen rechter spelen’. De juridisch woordvoerder van de PvdA Wolfson merkte op: “Het lijkt op het rondrijden van een veroordeelde op de mestkar, net als in de Middeleeuwen.” Het voorstel van de korpschef ging in werkelijkheid nog verder. Bij het uit de anonimiteit halen van veelplegers gaat het immers niet om opsporing van verdachten of om tentoonstelling van veroordeelden, maar om het waarschuwen van het publiek tegen ex-veroordeelden die op vrije voeten zijn. Daarmee wordt ex-gedetineerden de kans onthouden om terug te keren in de maatschappij zonder dat zij worden beschimpt, bespot of belaagd.

Peter Hustinx
Peter Hustinx
Het Openbaar Ministerie liet weten niets te voelen voor het publiceren van foto’s van criminelen op het internet. Maar premier Balkenende sloot zich daarbij niet aan en benadrukte slechts dat er een goede balans moet zijn tussen de privacy van de daders en het belang van de samenleving. De voorzitter van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP), Peter Hustinx, stoorde zich aan de laatdunkende wijze waarop politiecommissarissen zich uitlaten over privacy. Hij keert zich scherp tegen het idee dat criminelen hun recht op privacy verspelen [NRC 12.1.04]. In het tv-programma Buitenhof [11.1.04] verklaarde hij dat korpschefs die oproepen tot het indammen van de privacy van veelplegers, bezig zijn met ‘gevaarlijke stemmingmakerij’. Volgens hem vertonen zij een gebrek aan besef wat precies hun plaats is in de rechtsstaat en moeten zij niet meebuigen met de oproep van eigenrichting en herintroductie van de schandpaal.

In 2005 gooide de politie Rotterdam Rijnmond de knuppel in het hoenderhok en publiceerde op internet de foto’s van verdachten bij de voetbalrellen rond de wedstrijd Feyenoord-Ajax op 17 april 2005. De dienst stuurde 17.000 sms’jes naar iedereen wiens mobieltje in de buurt was op het moment van de rellen. Met deze moderne opsporingstechnieken werden veel mensen bereikt (bijna 80.000 hits op de site), en kon uiteindelijk ook een aantal verdachten worden gearresteerd en stadionverboden worden uitgedeeld. Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP), de privacywaakhond, onderzocht de publicatie van de foto’s, maar concludeerde dat dit ‘gewetensvol’ was gedaan. Het publiceren van foto’s van verdachten is toegestaan, mits met mate en in redelijkheid. Daarbij dienen het Openbaar Ministerie en de politie steeds belangen tegen elkaar af te wegen: het belang van privacy versus dat van straf en preventie. Publicatie mag alleen bij verdachten van misdrijven waar voorlopige hechtenis op staat. En bij ontsnapte, gewelddadige gedetineerden, vermiste personen en onbekende doden. Het CBP eist dat de beslissing om te publiceren per verdacht individu apart moet worden genomen. Daarbij moet in het bijzonder worden gelet op “beschadigende en onomkeerbare neveneffecten van publicatie op internet voor ‘first offenders’, mensen die nooit eerder met de politie in aanraking waren.” Het publiceren van politiefoto’s moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De publicatie moet enerzijds in een redelijke verhouding staan tot het doel (het voorkomen van strafbare feiten) en mag anderzijds alleen als er geen ander, minder ingrijpend middel voorhanden is [NRC 1.2.08].

In januari 2008 besloot de Rotterdamse gemeenteraad om foto’s en camerabeelden van Rotterdamse raddraaiers en vandalen standaard op internet te zetten. Daarbij werd een escalatiemodel gehanteerd, waarbij raddraaiers en vandalen eerst met een balkje voor de ogen, maar uiteindelijk volledig herkenbaar worden afgebeeld. “Wie zich misdraagt, verspeelt het recht op privacy,” verklaarde PvdA-fractievoorzitter Peter van Heemst. Hij vindt dat de politiek zendtijd moet inkopen bij de lokale tv-zender en “desnoods wekelijks beelden laat zien van lieden, die de leefbaarheid in deze regio aantoonbaar verzieken.” De Rotterdamse Ombudsman, Migiel van Kinderen, noemt het “een draconische maatregel, die ingegeven lijkt door rendementsdenken en appelleert aan onderbuikgevoelens” [NRC 1.2.08].

Index


Politieke overdrijvingen
Volksgerechten en publieke schandpalen zijn koren op de molen van populistische partijen. In 2007 stelde het PVV-Tweede Kamerlid Raymond de Roon voor om alle tot vrijheidsstraffen, taakstraffen en tbs veroordeelde personen vijf jaar lang met naam, adres en foto op een website van justitie te zetten [moties van 18.1.07 en 15.11.07]. Hij ging er van uit dat een digitale schandpaal ook een preventieve werking heeft, omdat potentiële criminelen zich extra zullen bedenken voordat ze over de schreef gaan. Zijn motto: “De burger heeft het recht te weten wie de criminelen onder ons zijn.” Zijn motivatie: Wie zich eenmaal heeft misdragen krijgt geen faire kans op terugkeer in de samenleving en blijft jarenlang na het uitzitten van zijn straf gebrandmerkt als misdadiger. Dat is iets anders dan het opzoeken van de grenzen van de rechtsstaat. Het is de vernietiging van een van haar peilers: bescherming van de privacy van alle (ook ex-gedetineerde) burgers.

Welkom in Vernederland...
Zelfs in de PvdA duiken er regelmatig stemmen op om de schandpaal in ere te herstellen. In oktober 2008 stelde PvdA-Kamerlid Hans Spekman, woordvoerder armoedebeleid en asielzaken, in het weekblad Vrij Nederland voor om de Marokkanen die structureel niet willen deugen, te vernederen voor de ogen van hun eigen mensen. Op die manier meende hij een gedragsverandering te kunnen bewerkstelligen.
    “De Marokkanen die niet willen deugen moet je vernederen, voor de ogen van hun eigen mensen. Als je ze alleen maar een waarschuwing of een boete geeft, lachen ze je uit. En van een celstraf krijgen ze alleen maar meer status in hun groep. Je moet ze zo aanpakken dat ze hun status juist verliezen. Dat is het enige dat werkt” [VN 14.10.08].
Door het ten toon stellen van criminelen worden zij ontdaan van hun menselijke waardigheid. Dit was en is nog steeds het sterkste morele argument tégen schandpalen, lijfstraffen en verhoren onder marteling. Dergelijke middeleeuwse praktijken zijn volledig in strijd met internationale verdragen en de Nederlandse grondwet. Een overheid mag nooit moedwillig mensen vernederen. Het is een vorm van georganiseerd sadisme. Bovendien lijkt Spekman verschillende soorten strafrecht te willen invoeren, toegesneden op de etnische afkomst [Etty 2008]. Het zijn twee ernstige inbreuken op de fundamenten van de zo moeizaam verworven democratische rechtsstaat: bescherming van menselijke waardigheid en het non-discriminatiebeginsel in een klap op de vuilnishoop van de moderne geschiedenis. Welkom in Vernederland!

Index


Amber Alert
In november 2008 werd ook in Nederland een omvangrijk alarmsysteem, Amber Alert, in werking gezet waarmee de politie in heel Nederland groot alarm kan slaan zodra een kind wordt vermist. Via sms, e-mail en beeldschermen op stations en vliegvelden kunnen de gegevens van een vermist kind openbaar worden gemaakt. Op die manier kunnen heel veel mensen tegelijk naar een vermist of ontvoerd kind uitkijken.

Amber Alert werd ontwikkeld door het software bedrijf Netpresenter, in samenwerking met het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). In de Verenigde Staten is het systeem al sinds 1996 in gebruik. In dat jaar werd het 9-jarige meisje Amber Hagerman in Arlington (Texas) ontvoerd. Zij werd op 13 januari van haar fiets in een vrachtwagen getrokken en werd vier dagen later dood gevonden.

Sinds de introductie van het Amerikaanse systeem zijn volgens de beheerders al honderden kinderlevens gered. Maar er zijn onderzoekers die dergelijke aantallen betwisten. De criminoloog Timothy Griffin (Universiteit van Nevada, Reno) onderzocht honderden ontvoeringszaken tussen 2003 en 2006. Hij concludeerde dat Amber Alert in werkelijkheid geen enkele rol vervulde in de eventuele terugkeer van ontvoerde kinderen. In de zeldzame gevallen waarin kidnappers van plan waren het kind te verkrachten of te doden, slaagde Amber Alert er meestal niet in om levens te sparen. De successen van Amber Alert betroffen meestal voogdijgeschillen die voor de ontvoerde kinderen geen risico vormden. De meeste ontvoeringen van kinderen worden uitgevoerd door een familielid (meestal een gescheiden ouder die niet de voogdij kreeg toegewezen) of goede kennis van het slachtoffer (vaak een babyoppas). Bovendien zou het merendeel van deze kinderen ook gered zijn zonder Amber Alert. Griffin ziet Amber Alert als een “crime control theater” en vreest dat het systeem meer op emoties gebaseerd is dan op acties die daadwerkelijk effectief zijn. Amber Alerts zijn het minst succesvol in de meest gevaarlijke gevallen, waarin het kind door een vreemde ontvoerd is.

Het multimediale alarmsysteem biedt burgers de mogelijkheid om opsporingsberichten te ontvangen via de PC (e-mail, pop-up venster, screensaver of instant messenger), via de mobiele telefoon of PDA (sms, app), via de eigen website (website alert pop-ups, RSS-newsfeed), via Facebook, Hyves en Twitter, of via beeldkranten op goed zichtbare plekken in benzinestations, gemeentehuizen, bibliotheken, supermarkten, trams, treinen, metro’s, voetbalstadions, of wachtruimtes in treinstations, luchthavens of ziekenhuizen.

Amber Alerts worden alleen uitgestuurd wanneer gevreesd wordt dat het leven of de gezondheid van het kind gevaar loopt (bijvoorbeeld als een kind ontvoerd wordt door een onbekende). De verwachting was dat het kindalarm maximaal 10 keer per jaar geactiveerd zou worden, maar in de praktijk is dit gemiddeld 4 keer per jaar. De berichten bestaan uit een foto, de naam en andere belangrijke gegevens van het kind. Als het kind door een onbekende is meegenomen wordt tevens informatie verstrekt over diens auto, de kleur of het kenteken.

Op 8 mei 2013 werd voor de eerste keer een Amber Alert Europa uitgegeven voor de broertjes Ruben en Julian uit Zeist — die later vermoord werden aangetroffen [NOS, 8.5.13].

Index


Opsporingssites
Dagelijks vinden er in heel Nederland tal van misdrijven plaats waarbij de politie de hulp nodig heeft van mensen die bijvoorbeeld getuige van het misdrijf waren of waardevolle informatie hebben. Door middel van opsporingsberichtgeving vragen OM en politie het publiek om hulp bij de opheldering. Dit gebeurde al via de televisie, de radio en de krant, en gebeurt nu ook via internet. Zowel op nationaal als op regionaal en plaatselijk niveau zijn er diverse opsporingssites, waarin politie en justitie van gewone burgers vraagt een steentje bij te dragen aan de misdaadbestrijding. Soms zijn deze sites door de politie zelf opgezet, soms ook door particulieren in samenwerking met de bevoegde autoriteiten.

Opsporingsberichtgeving is één van de opsporingsmiddelen die een officier van justitie kan inzetten in het onderzoek. Het Openbaar Ministerie beslist óf opsporingsberichtgeving kan worden ingezet en in welke vorm en op welk moment dat gebeurt. Een opsporingsbericht kan met foto en personalia worden getoond. Dit gebeurt alleen als de voorzitter van het College van procureurs-generaal in overleg met de minister van Justitie hiervoor toestemming heeft gegeven. Omdat het middel verstrekkende gevolgen kan hebben, zijn de criteria die voor de toepassing van belang zijn vastgelegd in de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving.

Er zijn diverse gespecialiseerde meldpunten voor bijzondere vormen van criminaliteit. Een voorbeeld daarvan is het Steunpunt Acquisitiefraude (SAF). Via deze site worden meldingen van acquisitie- en advertentiefraude verwerkt, inclusief frauduleuze meldingen op websites en in internetgidsen, en spooknota’s.
Daarnaast fungeren in Nederland een aantal meldpunten waarop crimineel gedrag op internet kan worden aangemeld. Op het door de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken ingestelde Meldpunt Cybercrime kunnen alle vormen van cybercriminaliteit (kinderporno, terrorisme) worden aangemeld. Het Meldpunt Discriminatie Internet (MDI) werd opgericht om discriminatie op het Nederlandse gedeelte van het internet te helpen voorkomen en bestrijden. Het MDI werkt nauw samen met diverse organisaties zoals Art.1, Politiek, Openbaar Ministerie en verschillende buitenlandse organisaties die zich bezighouden met de bestrijding van discriminatie op het internet.

Index


Kabinet van betutteling?
Guusje ter Horst (Minister van Binnenlandse Zaken)
Guusje ter Horst
Minister van Binnenlandse Zaken
Ook de Nederlandse overheid heeft het fatsoensdeficit onderkend. Zo ging Guusje ter Horst als Minister van Binnenlandse zaken op zoek naar de balans tussen rechten en plichten. Want de burgers zijn zich volgens haar zeer bewust van hun rechten, maar veel minder van hun plichten. In een interview met de Volkskrant [18.11.2008] gaf zij een toelichting op haar fatsoensoffensief. Het doel van het initiatief is om burgers te stimuleren om het ‘sociale weefsel’ te herstellen. De kern van het fatsoensinitiatief is een handvest verantwoordelijk burgerschap. In een waardencatalogus worden burgers erop gewezen wat hun plichten zijn. “Daarin gaat de overheid vastleggen wat we goed burgerschap vinden.” Iedereen moet meedoen met de samenleving: “Stemmen. Niet langs de zijlijn staan en roepen, of anoniem laf op internet schelden.”

In de vele reacties op de waardencatalogus overheerste het wantrouwen tegen de ‘bemoeizucht’ en ‘betutteling’ door de overheid. “Laat de overheid zich eerst maar zelf fatsoenlijk gaan gedragen” — en dan volgen vele voorbeelden van onfatsoenlijk overheidsgedrag. Of omgekeerd: “Laten we als burgers maar eens vastleggen wat fatsoenlijke politici zijn.” Overigens hoort bij goed burgerschap ook: niet dronken achter het stuur zitten en vervolgens proberen om je onder een boete uit te werken (ook al ben je burgemeester van Nijmegen). Kortom: “Verbeter de wereld en begin bij jezelf.”

Hebben fatsoensoffensieven van de overheid überhaupt enige zin? Daar wordt sterk aan getwijfeld.

De invulling van goed burgerschap kan niet van bovenaf worden opgelegd. Burgers geven zelf vorm aan hun burgerschap: “een fatsoensnorm moet als imperatief gevoeld worden door individuen, het moet vanzelfsprekend worden” [Anton de Wit]. Als een overheid dat proces zelf wil beïnvloeden, dan is een fijnzinniger aanpak nodig dan het publiceren van een waardencatalogus. Marcel van Dam noemde het een “seculiere catechismus waar niemand op zit te wachten” [Volkskrant 20.11.08].

“Doe normaal of ga weg”
In de aanloop naar de 2e kamerverziekingen van 2017 schreef premier Mark Rutte een open brief aan alle Nederlanders. Hij stelde daarin een ‘mentaliteitskwestie’ aan de orde van mensen zich zich niet ‘normaal’ gedragen.
    “U herkent het vast wel. Mensen die zich steeds asocialer lijken te gedragen. In het verkeer, in het openbaar vervoer en op straat. Die van mening zijn dat ze altijd maar voorrang hebben. Die afval op straat dumpen. Die conducteurs bespugen. Of die in groepjes rondhangen en mensen treiteren, bedreigen of zelfs mishandelen.”

Op het eerste gezicht leek het slechts de zoveelste algemene en tot niets verplichtende oproep aan de Nederlandse bevolking om hufterigheid terug te dringen. Maar Rutte’s oproep tot fatsoen blijkt al snel wat minder algemeen.

    “We voelen een groeiend ongemak wanneer mensen onze vrijheid misbruiken om hier de boel te verstieren, terwijl ze juist naar ons land zijn gekomen voor die vrijheid. Mensen die zich niet willen aanpassen, afgeven op onze gewoontes en onze waarden afwijzen. Die homo’s lastigvallen, vrouwen in korte rokjes uitjouwen of gewone Nederlanders uitmaken voor racisten. Ik begrijp heel goed dat mensen denken: als je ons land zo fundamenteel afwijst, heb ik liever dat je weggaat. Dat gevoel heb ik namelijk ook. Doe normaal of ga weg.”
Rutte’s kruistocht tegen de anormaliteit blijkt vooralal bedoeld voor mensen die “naar ons land zijn gekomen”. Alleen voor hen geldt de boodschap “doe normaal of ga weg.”. Je kunt Nederlandse staatsburgers, ook al gedragen ze zich nog zo onbeschoft immers niet wegsturen.

Rutte zegt weliswaar dat de oplossing niet is “om dan maar groepen mensen over één kam te scheren, uit te schelden of hele groepen simpelweg het land uit te zetten.”, maar de stelling blijft: wie zich als buitenlander niet ‘normaal’ gedraagt kan maar beter oppleuren (deze laatste term gebruikte hij tijdens zijn optreden in Zomergasten, 4 september 2016).

Ook de buitenlandse pers was verrast over de fatsoensretoriek van premier Rutte. “Dutch Leader Takes Trump-Like Turn in Face of Hard-Right Challenge”, kopte de New York Times. “Veel Nederlandse burgers zijn met stomheid geslagen nu hun premier, die de opkomst van de populisten probeert neer te slaan, met een strategie komt die zo uit het boekje van president Trump had kunnen komen” [New York Times, 24.1.17].

De campagnestrategie van de VVD is erop gericht om de wind uit de populistische zeilen van te PVV halen. Of zoals Bert Wagendorp het formuleerde: Rutte gooide met zijn brief een hegeltje uit in Wilder’s vijver. In het hoofdredactionele commentaar van de NRC is dit trefzeker samengevat:

Het risico is dat de amateur-populist Rutte lessen blijft volgen bij de popi-profis Wilders-Trump en dat hij de onbehaaglijke onderbuikgevoelens over normafwijkend gedrag verder exploiteert.

Index


Belediging en discriminatie
In de loop der jaren zijn er uiteenlopende voorstellen gedaan om het internet wettelijk te reguleren. Een van de meest vergaande is het voorstel om de anonimiteit op internet te verbieden. Afgezien van de eerder genoemde principiële bezwaren is een dergelijk verbod praktisch niet doorzetbaar. Het zou in ieder geval de vrijheid van meningsuiting op het internet beperken.

Het vrije woord is echter pas echt vrij wanneer het de grenzen van respect en redelijkheid in acht neemt. Die grenzen worden getrokken door het verbod op belediging en discriminatie van groepen mensen en het aanzetten tot haat of geweld tegen bepaalde bevolkingsgroepen. Dat is ook in de Nederlandse wetgeving het geval. De belangrijkste grenzen van het vrije woord zijn vastgelegd in het Wetboek van Strafrecht (WvS).

Naast deze nadrukkelijke strafbaarstelling van belediging en het aanzetten tot haat tegen of discriminatie van groepen mensen bevat het Nederlandse strafrecht een speciale bepaling die het beledigen van goden waarin mensen geloven verbiedt.

Misdaad zonder slachtoffer
Blasfemie is een van de meest merkwaardige misdaden: atheïsten worden ervan beschuldigd een god te beledigen waarvan ze het bestaan ontkennen. Dan Barker formuleerde zijn bezwaar zeer pregnant: “You keep accusing me of blasphemy all of the time. But I cannot be convicted of a victimless crime.” Met een verbod op godslastering worden mythes en dogma’s verdedigd die zich op eigen kracht niet meer kunnen handhaven. Gelovigen zouden niet moeten vergeten dat ook Jezus Christus wegens godslastering werd vermoord. “Alle grote waarheden beginnen als blasfemieën” [George Bernard Shaw, Annajanska, 1919].
Voor democraten, liberalen en ongelovigen zijn dit moeilijk te verteren artikelen. De vrijheid van meningsuiting is een noodzakelijke pijler voor een democratische samenleving. Daarin is plaats voor meningen, denkbeelden en informatie die hinderlijk kunnen zijn voor de overheid of voor bepaalde groepen in de samenleving. En daarin is ook plaats voor kritische, sceptische, grievende en humoristische beschouwingen over collectieve neuroses, vereerde (af)goden, heilige teksten en religieuze tradities.

In 2008 stelde Minister Hirsch Ballin van Justitie voor om de strafbepaling inzake godslastering te laten vervallen. Daarmee leek hij eindelijk tegemoet te komen aan een wens van de parlementaire meerderheid. Maar hij stelde tegelijkertijd voor de werking van de anti-haatbepaling van artikel 137c uit te breiden, zodat daardoor ook religieuze gevoelens beschermd worden. Bovendien wil de minister in de tekst van artikel 137c na het woord ‘opzettelijk’ de woorden ‘onmiddellijk of middellijk’ invoegen. Daarmee wilde hij een signaal afgeven dat minderheidsgroeperingen tegen onnodig grievende uitlatingen beschermd moeten blijven.

Geuzenpenning - Liever Turks dan paaps
Geuzenpenning
Liever Turks dan paaps
Het huidige artikel 137c heeft de bescherming van bevolkingsgroepen tot doel, en niet zozeer hun overtuiging. Onder het nieuwe artikel 137c zou iedere gelovige die zich gekwetst voelt door een uitlating over zijn geloof een klacht over belediging of discriminatie van zijn bevolkingsgroep kunnen indienen. “Hiermee verschaft Hirsch Ballin aan religieuze minderheden een wapen om andersdenkenden het zwijgen op te leggen, waarbij de staatsmacht op afroep tot hun beschikking staat. Het is merkwaardig dat juist een land waar de slogan ‘Liever Turks dan paaps’ de trots van een bevrijd en zelfbewust volk uitdrukte, een land dreigt te worden waar de uitdrukking ‘Liever Turks dan paaps’ voortaan een strafbaar feit gaat opleveren” [Paul Verhaegh, VK 10.12.2008]. Het kamerlid Tofik Dibi (Groen Links) formuleerde zijn kritiek op deze inperking van de vrijheid van meningsuiting als volgt: “Ik ben Marokkaan en moslim, maar weet u wanneer u mij echt zou beledigen? Als u mij, meer dan anderen, zou beschermen tegen Fitna en tegen Mohammedcartoons. Het bouwen van een wettelijke muur om islamitische Nederlanders is een onderschatting van hun weerbaarheid, zoals bleek uit de voorbeeldige reacties op Fitna.”

Index Zelfregulatie van virtuele gemeenschappen

Utopie van open gemeenschappen
Bij de eerste generaties internetgebruikers overheerste een utopische visie op de toekomst van online gemeenschappen. In deze visie zou de internettechnologie er min of meer automatisch toe leiden dat alle grenzen worden afgebroken en dat de macht van natie-staten wordt teruggedrongen. In de idyllische visie verschijnt internet als een ‘new frontier’ waar mensen in vrede leven, onder hun eigen regels, bevrijd van de dwangmatigheden van een onderdrukkende samenleving en vrij van overheidsbemoeienis. Internet werd gezien als een onstopbare moloch die de hele sociale en politieke organisatie van de samenleving op z’n kop zet. In plaats van het industriële kapitalisme met zijn exploitatie, zijn concentratie en zijn strakke hiërarchieën, zou een volledig laterale netwerksamenleving ontstaan, waarin de vrij geassocieerde burgers alle kennis en inzichten met elkaar delen (open-source) en al delibererend direct democratisch beslissen over de toekomst van de via internet verenigde mensheid. De utopische visie op internet werd gevoed door de hoop dat de wereld aanzienlijk zou verbeteren als elk individu in staat is om met elk willekeurig ander individu te communiceren.

Achter deze nogal naïeve verwachtingen gaat een denkwijze schuil die in de techniek-sociologie als technologisch determinisme bekend staat. Deze denkwijze kan in twee (vooronder)stellingen worden samengevat. Ten eerste wordt de technologische ontwikkeling opgevat als een gegeven dat zichzelf voortbrengt en slechts één traject volgt. Technologische innovaties zouden zich volgens een eigen logica voltrekken en volgens ontwikkelingswetten die louter technisch en niet sociaal beperkt zijn. Ten tweede wordt verondersteld dat het technologisch proces eenduidige externe of sociale effecten heeft. Internettechnologie zou per definitie en min of meer automatisch emanciperende en democratiserende effecten met zich meebrengen.

Illusies van een wereld zonder grenzen
In hun studie Who Controls the Internet? gaan Jack Goldsmith en Tim Wu uitvoerig in op de illusies van een wereld zonder grenzen. Zij benadrukken terecht dat nationale grenzen nog steeds werkelijke en belangrijke verschillen weerspiegelen tussen mensen die op uiteenlopende plaatsen leven. Dat heeft niet alleen te maken met taalverschillen (het werd niet English all the way), maar ook met verschillen in cultuur, klimaat, consumptieve voorkeuren of ethiek. Bovendien hebben ook diverse overheidsinterventies ertoe geleid dat het internet in toenemende mate is gelokaliseerd en geregionaliseerd. “Internet is een verbinding van nationale en regionale netwerken geworden” [Goldsmith/Wu 2008:57].
Daarom propageerden de utopisten ook het idee dat cyberspace een heel aparte ruimte is die verdedigd moest worden tegenover mogelijke interventies van territoriale overheden. De netizens zouden hun eigen sociaal contract wel ontwikkelen en moesten daarom worden gevrijwaard van elke intrusie van nationale staten of andere instellingen van de oude samenleving. Daarom verzetten de utopisten zich tegen elke vorm van regulering. Het internet kan en mag niet worden gereguleerd, zei de medeoprichter en directeur van het Media Lab van MIT: “It’s not that laws aren’t relevant, it’s that the nation-state is not relevant. The internet cannot be regulated” [Negroponte 1995]. Internet werd gezien als de belichaming van delibererende (directe) democratie in actie. De opkomende virtuele gemeenschappen zouden bewijzen dat de netizens in staat waren om volledig vrij toegankelijke en direct democratische associaties op te bouwen — zonder bemoeienis van wetgeving, zonder autoriteit en zonder sancties.

Het ideaal van de virtuele gemeenschap was dat zij volledig vrij en ongeregeld zou zijn:

Het is hier niet de plaats om de geschiedenis en de leerprocessen van virtuele gemeenschappen te schrijven. Maar het is wel duidelijk dat de noties over een volledig autonoom en zichzelf regerend virtueel hiernaastmaals inmiddels veel van hun frisse kleuren hebben verloren en zwaar in diskrediet zijn gebracht. Al in 1998 was internet al sterk gecommercialiseerd, op een manier die haar uitvinders en grondleggers niet voor mogelijk hadden gehouden. Door de commercialisering en pornoficatie van het internet hebben chatrooms, webfora en andere virtuele associaties vaak op de harde manier geleerd dat zij gedragsregels nodig hebben om zichzelf als gemeenschap in stand te houden en te beheren.

Index


Zelfregulatie en virtuele socialisatie
Om crimineel gedrag op internet te bestrijden is er behoefte aan een opsporings- en vervolgingsbeleid van de overheid, dat in staat is om de ‘boeven in cyberspace’ te identificeren. Deze monitoring van crimineel gedrag op internet is moeizaam van de grond gekomen en kampt nog steeds met onvoldoende capaciteit om in de zeer uitgebreide en erg complexe virtuele wereld naar digitale sporen te zoeken die naar daders kunnen leiden, en om voldoende betrouwbare informatie te verzamelen om een succesvolle aanklacht voor het gerecht te brengen.

Maar hoe goed de officiële opsporings- en vervolgingsinstanties ook hun werk doen, zij kunnen dat nooit alleen - zij hebben de hulp van de internetburgers hard nodig. Bovendien worden op deze manier alleen de grootste uitwassen die strafrechtelijk al verboden zijn bij de kop gepakt. Het ‘mindere kwaad’ van het onfatsoen en van de cultuur van de grote bekken blijft buiten het bereik van de sterke arm. Dit kwaad moet door de netburgers zelf bestreden worden.

De belangrijkste les uit de geschiedenis van virtuele gemeenschappen is dat zij zich beter moeten wapenen tegen interne balansverstoringen en kwaadaardige aanvallen van buitenaf. De virtuele gemeenschappen zullen zichzelf moeten reguleren en strategieën moeten bedenken om processen van virtuele socialisatie op gang te brengen.

De eerste stap in dit proces is het ontwikkelen van gemeenschappelijke waarden en gedragsnormen en de vastlegging daarvan in eigen huisregels. De basisidee van elke netiquette is simpel: “Gedraag je, ook op internet.” Maar zoals we gezien hebben zijn de fatsoensregels die daarbij gehanteerd worden niet altijd even duidelijk en soms sterk omstreden. ‘Iedereen moet kunnen zeggen wat hij wil’, maar het is niet erg verstandig en meestal ook erg onfatsoenlijk om alles wat je voor de mond komt ook maar op internet neer te typen. Discriminerende, beledigende of bedreigende uitlatingen zijn niet alleen onbehoorlijk en/of strafbaar, maar tasten de principiële voorwaarden aan van een werkelijk vrije discussie op webfora. Internetgemeenschappen die de vrijheid van meningsuiting koesteren, zullen erop moeten toezien dat de democratische voorwaarden voor een vrije meningsuitwisseling worden gerespecteerd. Dit is geen beperking van de vrijheid van meningsuiting, maar maakt deze vrijheid pas mogelijk.

Het rechttoe rechtaan zeggen wat men denkt, zonder de mogelijkheid van het overbrengen van toon en gelaatsuitdrukking, leidt snel tot misverstanden en soms tot hevige woede. De ervaringen daarmee hebben geleid tot de ethische norm: “Wees ruimdenkend bij het ontvangen en terughoudend bij het verzenden.” Zo’n morele richtlijn schrijft niet precies voor wat men wel en niet mag doen, maar biedt toch enig houvast in kritische discussies over de democratische cultuur van een virtuele gemeenschap.

Beleefdheid
Beleefdheid
Bij de klassieke beleefde begroeting doet men een stap achteruit en buigt men kort het hoofd. Met de stap terug symboliseert men de afstand, met de buiging in de richting van de ander de toegenegenheid, het respect. Lichamelijk neemt men afstand om sociaal naderbij te komen.
Het formuleren van gemeenschappelijke waarden en normen en het vastleggen daarvan in interne gedragsregels is slechts een eerste stap in de zelfregulering van virtuele gemeenschappen. De tweede stap is het toezien op de naleving van de huisregels en het treffen van sancties tegen degenen die deze regels schenden. Het toezicht op naleving van de huisregels is geen privilege van de beheerder of eigenaar van een webforum, maar een zaak van de hele gemeenschap. Veel online gemeenschappen hebben daarom een eigen meldpunt waar deelnemers kunnen aangeven welke bijdragen zij om welke reden niet gepast vinden. Aansluitend daarop kunnen er ook procedures worden vastgesteld die aangeven hoe dergelijke klachten verwerkt worden en wie daarover de definitieve beslissingen neemt. Wanneer onduidelijk is of de klacht gegrond is, kan de vraag aan de hele gemeenschap worden voorgelegd.

In de grotere webfora worden meestal uit het ledenbestand mensen gerekruteerd die de taak krijgen om de discussiebijdragen te modereren. Moderatoren zijn de poortwachters van virtuele gemeenschappen die dagelijks toezien op het verloop van de discussies. Omdat zij de postings op de voet volgen, kunnen zij waar nodig direct optreden wanneer zij de indruk krijgen dat er dingen gebeuren die niet in de betreffende gemeenschap passen. Vaak is het al voldoende om leden aan te sporen tot kalmte, en hen te wijzen op de huisregels. Maar soms is het ook nodig dat moderatoren harder ingrijpen. Dat is het geval wanneer een deelnemer volhardt in zijn of haar onfatsoenlijk optreden en willens en wetens probeert om de sfeer in de gemeenschap te verzieken. In dat geval kunnen moderatoren besluiten om postings van het forum te verwijderen of om de betreffende persoon tijdelijk of duurzaam uit te sluiten van de gemeenschap. Uitsluiting is het laatste redmiddel om een gemeenschap resistent te houden tegen verloedering.

In de loop der jaren zijn er steeds meer en zeer uiteenlopende grote online gemeenschappen ontstaan, waarin dagelijks vele duizenden mensen participeren. Bij de meest populaire webfora zijn de taken en verantwoordelijkheden van moderatoren sterk uitgebreid. Zij spelen een steeds vitalere rol in de bescherming van hun gemeenschap tegen onverlaten, vandalen, querulanten en trollen én in de stimulering van een sfeer die nodig is voor openhartige meningsuitwisseling. Aanvankelijk waren de moderatoren veelal vrijwilligers die onbetaald de taak op zich namen om hun gemeenschap te reguleren. Het toenemend besef van het belang van ‘zelfregulatie door moderatie’ heeft in veel virtuele gemeenschappen geleid tot initiatieven om hun moderatoren beter te kwalificeren. Het wordt tijd om ook in het reguliere onderwijs leertrajecten op te zetten die deze professionalisering van de moderatoren kan ondersteunen. Het bevorderen van deskundigheid bij moderatoren is een cruciale schakel voor het realiseren van een niet-repressieve sociale controle binnen online gemeenschappen.

Het zelfreinigend vermogen van online gemeenschappen lijkt in eerste instantie sterk beperkt te worden door het anonieme of pseudonieme optreden van de deelnemers. Maar het ontbreken van lokale mechanismen van sociale controle kan online worden gecompenseerd door virtuele socialisatie. Hierdoor kunnen de sociale cohesie en het groepsgevoel van virtuele gemeenschappen worden versterkt waardoor er voor extreme reacties geen (of in ieder geval veel minder) plaats meer is. Uiteindelijk is dat de inzet van het virtuele beschavingsoffensief — ‘Fatsoen moet je ook online doen’.

Wet van behoud van bagger
Krantensites met open discussiefora bestaan bijna niet meer omdat alleen de bagger aandacht krijgt. “Omdat we ons als krantenmensen rotschrikken van de brutaliteit en het onfatsoen waarmee mensen tekeergaan als ze anoniem over het nieuws kunnen meepraten. Omdat de bagger niet weggaat, wat je ook probeert. Bij DvhN (Dagblad van het Noorden] blijven we het toch proberen. We sluiten discussies die uit de hand lopen en weren trollen - vandalen - met ip-bans. Dat werkt, gelukkig. In elk geval maakt het de problemen hanteerbaar. Voelen we ons niet langer gegijzeld door een klein groepje onverlaten. Doel is dat de gebruikers van de site het samen oplossen. Als krant willen wij niet de volle verantwoordelijkheid overnemen, omdat we dat niet kunnen. Uiteraard blijven we aansprakelijk voor beledigende en racistische uitingen; die halen we weg zodra we erop worden gewezen. Maar het eerste streven is een open site, waarbij niet langer alleen onze toets van wat goed en slecht is de maat is. We doen dat omdat we werkelijk geloven in lezersgerichte journalistiek. In luisteren naar de lezer. Het is ondertussen natuurlijk een ongehoord experiment, omdat andere kranten niet zonder reden hun forum hebben gesloten, of er maar helemaal niet meer aan beginnen” [Henk Blanken, De wet van behoud van bagger, 2005].

De wet van behoud van bagger luidt: “Wat je als medium ook doet online, je zult altijd jouw deel van de bagger op je deurmat vinden, jouw deel van het platte racisme, van de domme onzin, van het anonieme jennen en het zinloze treiteren. Omdat bagger blijft, zijn tal van interactieve experimenten mislukt, forums gesloten en chatsessies uitgelopen op treurige drama’s” [idem, Herbert en het behoud van bagger]. Ofwel: “Als je de hele wereld uitnodigt op je feestje, kun je er zeker van zijn dat er iemand in je bier pist” [Wired]. Moderatie van weblogs is een effectief instrument om virtueel onfatsoen aan banden te leggen. Maar rotzooi blijf je houden. Al is het alleen maar dat de meeste webfora niet de middelen hebben om alle bijdragen in real-time te modereren.

Trollen zijn internetvandalen die online kwetsende, beledigende of bedreigende opmerkingen maken. De vraag is waarom ze dat doen. Uit onderzoek naar online pesten blijft dat trollen hun agressieve uitingen niet zozeer uit boos- of kwaadaardigheid posten, maar uit pure verveling. Volgens Claire Hardaker (Lancester University in Engeland) handelen trollen uit een gevoel van macht, vermaak, verveling en wraaklust. Zij kunnen dat vooral doen dankzij de anonimiteit die ze online hebben [Hardaker 2013; The Independent 27.6.13; Joop 27.6.13].

Index Nomadische gedachten

Verandering van mediale strijdperk
Het Het schandaal was altijd al onderdeel van de geschiedenis van de openbaarheid. Maar door de opkomst van is tegenwoordig bijna iedereen in staat om met een al dan niet verzonnen verhaal de meest omvangrijke vorm van publiciteit te bereiken. Internet is hé publieke domein van de 21e eeuw geworden. De klassieke journalistieke functie van poortwachter is op dit domein grotendeels buiten werking gesteld. Hierdoor is het publicitaire speelveld waarbinnen affaires en schandalen zich afspelen fundamenteel veranderd.

De digitale schandpaal vertoont een eigenaardige dynamiek. Zodra er een schandaal of affaire via internet in de virtuele openbaarheid wordt gebracht, wordt zij meestal ongecontroleerd overgenomen door andere internetters en daardoor ongeremd over het hele internet verspreid. Dit vliegwiel-effect wordt nog eens versterkt wanneer de traditionele media hierbij aansluiten en uit angst om achter de feiten aan te lopen ook overgaan tot publicatie over het schandaal.

In dit proces spelen nieuwswaarde, betrouwbaarheid van de informatie, journalistieke normen of geldende rechtsregels in de regel een ondergeschikte rol. De mediahype waardoor het schandaal wordt opgeklopt en privépersonen of instellingen worden beschadigd, laat zich niet temmen door ethische normen of door overwegingen van een (algemeen) maatschappelijk belang. De enige norm is de bevrediging van sensatiezucht.

De reactie van het digitale publiek speelt daarbij een belangrijke rol. Zij reageren verontwaardigd en kwaadaardig op de kleinste geruchten. En zij doen dat in de regel snel en in grote aantallen. Juist door deze publieke reactie komen de aangeklaagden onder zware druk te staan.

Index


Aansprakelijkheid voor postings
Klik om te vergroten Een cruciale vraag is: in hoeverre is (de beheerder van) een weblog verantwoordelijk voor de postings die door anderen worden gedaan? Wie is er aansprakelijk als er op een weblog door een bezoeker iets geplaatst wordt dat als belediging, bedreiging, schending van de privacy en portretrechten enz. gekwalificeerd kan worden?

Wanneer een internetprovider in Nederland door justitie gewezen wordt op de kwalijke inhoud van websites die op hun netwerk/servers draaien dan worden ze geacht hier wat aan te doen. Providers zijn niet aansprakelijk voor de plaatsing van illegaal materiaal, maar wel voor het niet verwijderen daarvan. Dit principe kan worden doorgetrokken naar weblogs zelf, zodat webmasters gedwongen kunnen worden discussies binnen de grenzen van de wet te houden. En liefst ook binnen de grenzen van het maatschappelijk betamelijke. Maar we weten inmiddels dat je fatsoen niet of moeilijk kunt afdwingen, en zeker niet met juridische middelen. Wat voor de een betamelijk is, is voor de ander onfatsoenlijk. Wat voor de een lomp is, vindt de ander scherpzinnig of geinig. En onfatsoenlijk zijn is niet strafbaar.

Index


Verleiden tot fatsoen: netiquette
In de klachten die over internet naar voren worden gebracht spelen criminaliteit en onfatsoen (onverdraagzaamheid en de ruwe omgangsvormen) een prominente rol. Hoe kunnen mensen worden geïnspireerd om zich ook in een digitale omgeving fatsoenlijk te gedragen? Beschaafd gedrag kan ook online niet worden afgedwongen. Het is onvermijdelijk dat het onfatsoen dat we op straat tegenkomen ook doorwerkt in populaire webfora. Als je een open webforum beheert dat erg populair wordt, dan moet je er rekening mee houden dat er ‘onfatsoenlijke’ postings worden geplaatst. Een webloghouder of forumbezitter kan zich voor de wet niet verbergen achter een disclaimer: criminele daden blijven ook als zij online worden begaan strafbare daden. Maar binnen deze grens zijn beheerders van webfora niet verantwoordelijk voor wat mensen op het forum plaatsen. Voor onfatsoenlijk taalgebruik hoeft hij zich niet te excuseren. Maar beheerders van webfora kunnen wel samen met hun bezoekers gedragsregels opstellen en bewaken die daaraan duidelijke grenzen stellen. Dat heeft niets te maken met het beperken van de vrijheid van meningsuiting. Integendeel, het ontwikkelen van een eigen netiquette is voor elke online gemeenschap een vitale voorwaarde om vrije meningsuiting mogelijk te maken.

Veel webfora hebben al jarenlang ervaring opgedaan met het opstellen en handhaven van internet gedragsregels. Die ervaring leert dat het lang niet altijd zin heeft om zeer gedetailleerde gedragsregels op te stellen. “Als je probeert expliciete normen te stellen, gaan mensen toch naar gaatjes zoeken. (...) Veel mensen vinden het toch leuk om de grens op te zoeken”, zegt Johan Heslinga van Fok. Het FOK!forum hanteert een eenvoudige gedragsregel: “Het voornaamste is dat we verwachten dat je je op fatsoenlijke wijze gedraagt tegenover je medeposters, dat je je aan de Nederlandse wetgeving houdt en dat je de instructies van moderators en (forum)admins opvolgt” [Fok Policy].

Index


Reputatiesysteem
Naast het opstellen van gedragsregels en het aanstellen van moderatoren kunnen online gemeenschappen nog een aantal andere middelen gebruiken om ervoor te zorgen dat mensen zorgvuldiger en vriendelijker met elkaar communiceren. Door middel van een waarderingssysteem kan men deelnemers in staat stellen om elkaars reacties omhoog of omlaag te stemmen. Op die manier komen de door velen hooggewaardeerde bijdragen ook bovenaan de lijst met reacties te staan. Je kunt bezoekers ook de mogelijkheid bieden om zelf te bepalen dat zij alleen maar reacties te zien krijgen met een hoge waardering.

Naast waardering van de afzonderlijke bijdragen kan ook de deelnemer zelf worden gewaardeerd middels een reputatiesysteem. Hierdoor wordt een positieve premie gezet op fatsoenlijk gedrag. Het reputatiesysteem speelt in op de behoefte om erkenning te krijgen. Bovendien kunnen alle leden van de gemeenschap de reputatiescore meenemen in hun beoordeling van tegenstrijdige opvattingen die door andere leden zijn gepubliceerd. In de praktijk blijkt overigens dat veel waarderings- en reputatiesystemen relatief makkelijk gemanipuleerd kunnen worden.

Tenslotte kunnen webfora ook nog gebruik maken van een klik-klaag-knop waarmee bezoekers van de site met één klik op de knop discriminerende, haatzaaiende, lasterlijke of andere strafwettelijk verboden uitlatingen kunnen registreren én naar de politie doorsturen. Met de software van Chat-Security kan men bijvoorbeeld in een keer een schermafdruk maken, waarna de gegevens van de betrokken deelnemer worden geregistreerd en in een databank geplaatst. De politie kan deze gegevens inzien en al naar gelang de ernst van de overtreding stappen ondernemen. Met software van Chat-Security wordt niet alleen de moderator, maar ook de politie gewaarschuwd. Marokko.nl is de eerste site in Nederland die de software gaat gebruiken. Marokko.nl kwam in december 2008 in opspraak, nadat minister Van der Laan (Integratie) geschokt was door opruiende teksten tegen onder meer homo’s en joden op de fora van de website. Volgens oprichter Khalid Mahdaoui is het voor de dertig moderators van Marokko.nl ondoenlijk om alle tienduizenden berichten die dagelijks binnenkomen zélf te controleren.

Index


Moderator: de digitale hydra
De goede moderatoren van webfora zijn veelzijdige mensen. Voor het in stand houden van grotere gemeenschappen zijn al vroeger diverse belangrijke functies in het leven geroepen. Mensen die in staat waren om nieuwelingen te helpen om hun plaats binnen de gemeenschap te bepalen. Mensen die ervoor zorgden dat er in de gemeenschap geen dingen gebeurden die het voortbestaan van die gemeenschap in gevaar brachten. Mensen die in staat waren om te interveniëren in vastgelopen of uit de hand gelopen discussies. De moderne moderator van populaire webfora vervult niet alleen al deze functies tegelijkertijd, maar doet dit bovendien in gemeenschappen die vaak veel omvangrijker zijn dan alle lokale gemeenschappen die we tot nu toe hebben gekend.

Moderatoren kunnen op grond van de huisregels of netiquette —liefst als uitkomst van een discussie met bezoekers of gemeenschapsleden— ingrijpen om de randvoorwaarden van een vrije discussie te beschermen. Een moderator kan een overtreder van de communicatieregels vriendelijk vermanen of waarschuwen om te stoppen met het ongewenste gedrag. Hij kan de desbetreffende posting verwijderen, een hele discussielijn (‘thread’) sluiten, of als uiterste middel die persoon tijdelijk of duurzaam uit het systeem verwijderen en zijn IP-nummer blokkeren. Praktisch elke vorm van lokale sociale controle kan online worden gerepliceerd.

Index


Beschaving als gestileerde zelfbeheersing
Beschaving is een ingewikkeld begrip met een heel lange, maar ook tegenstrijdige geschiedenis. Het was vanaf haar oorsprong een term waarmee maatschappelijke elites zich profileerden ten opzichte van mensen die in hun ogen ‘eenvoudiger’ en ‘primitiever’ waren. Civilisatie was altijd al een begrip waarmee de heersende elites zichzelf en anderen probeerden wijs te maken dat zij boven de ‘gewone mensen’ uitstaken [Elias 1939/82: (1) 62]. Hierdoor kleeft er een elitaire lading aan het begrip beschaving (net zoals bij fatsoen). Het is echter heel goed mogelijk, en mijns inziens ook noodzakelijk, om het beschavingsbegrip los te wrikken uit haar elitaire cocon.

Beschaving is het reguleren van ons drift- en gevoelsleven door een duurzame zelfcontrole. Deze zelfcontrole is een onmisbare voorwaarde voor menselijk samenleven. Bij een volledig ongecontroleerde uiting van ons drift- en gevoelsleven wordt samenleven onmogelijk, in ieder geval zeer onaangenaam. Ons hele opvoedingsproces staat in het teken van het leren van zelfcontrole, en daarmee ook van zelfstandigheid en weerbaarheid. De kunst is nu om dit leerproces ook voort te zetten in ons virtuele hiernaastmaals.

Hechte en weerbare virtuele gemeenschappen
Er zijn op internet genoeg goed functionerende virtuele gemeenschappen waarin de deelnemers ondanks hun anonimiteit sterk op elkaar betrokken zijn. De hechte sociale contacten scheppen een positieve sfeer. Een sfeer waarin onderling vertrouwen en respect voor elkaars standpunten de toon aangeven. Het zijn meestal gemeenschappen waarvan de leden gedurende langere tijd met elkaar interacteren en die daardoor een eigen stijl van communicatie hebben ontwikkeld en een gedeelde geschiedenis hebben. Juist deze sterke gemeenschappen laten zien dat ongeacht de anonimiteit van hun communicatie, virtuele socialisatie uiterst succesvol kan zijn.
De zelfregulatie van het internet die hier wordt bepleit, begint met het meest letterlijke en nabije ‘zelf’: ik. ‘Civiliseer het internet, en begin bij jezelf.’ Als ik me erger aan onbeschoftheid, schuttingtaal, hufterigheid en haatdragendheid, dan moet ik er zelf voor zorgen dat ik me daaraan niet schuldig maak en dat ik optreed tegen degenen die dat wel doen. Op internet zijn er genoeg mensen die er ook zo over denken. Door de handen ineen te slaan kunnen virtuele gemeenschappen zichzelf beschermen tegen verloedering, en kunnen zij ook daadwerkelijk digitale omgevingen worden waarin het goed toeven is. Dat zijn omgevingen waarin we naar elkaar luisteren, waarin we elkaar kunnen kritiseren zonder te schelden, waarin we elkaar kunnen overtuigen zonder te dreigen, en waarin we af en toe iets van elkaar kunnen leren. De vrijheid van kritiek gedijt vooral in een omgeving waarin mensen ruimdenkend zijn als zij kritiek ontvangen, en terughoudend als zij kritiek verzenden. Het is een kunst die men al doende leert. Fatsoen moet je ook online gewoon doen.


Index Informatiebronnen
  1. A bit of Fry & Laurie - Sex talk in class [2006]
    Een sketch uit de eerste episode van A bit of Fry and Laurie waarin de draak wordt gestoken met de normering van taalgebruik.

  2. Andrichem, Linda
    [2007] Second Lifestyle: een onderzoek naar gemeenschapsvorming, status en sociale identiteit in Second Life.
    Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.

  3. Barak, Azy
    [2005] Sexual Harassment on the Internet
    In: Social Science Computer Review, 77.

  4. Barkow, Jerome H.
    [1995] Beneath New Culture is Old Psychology: Gossip, Class, and the Environment.
    In: Jerome H. Barkow, Leda Cosmides and John Tooby (eds.) [1995] The Adapted Mind. Evolutionary Psychology and the Generation of Culture. Oxford University Press.

  5. Baumeister, Roy F. / Liqing, Zhang / Vohs, Kathleen D.
    [2004] Gossip as cultural learning

  6. Bennett, Drake
    [2008] Abducted!
    In: The Boston Globe, 20 juli 2008.

  7. Bosscher, D.
    [2007] Het Lewinsky-schandaal. Van pekelzonde tot impeachment.
    In M. Broersma, J. de Jong & T. de Vries (Eds.), Schandalen en media. Tijdschrift voor Mediageschiedenis, 10-2, pp. 90-110. Amsterdam: Boom.

  8. Brickell, Chris
    [2012] Sexuality, power and the sociology of the internet
    In: Current Sociology, 60:28-44/

  9. Brink, Gabriël van den
    [2004] Schets van een beschavingsoffensief: over normen, normaliteit en normalisatie in Nederland
    Amsterdam University Press.

  10. Brink, Gabriël van den / Petter, Frank (red.)
    [2005] Voorbij fatsoen en onbehagen. Het debat over waarden en normen.

  11. Burger, J. / Snel, F.G.
    [2004] Normen en waarden: het debat over fatsoen en moraal.
    In: Sociologische Gids, 51(3):193-5.

  12. Burkhardt, S.
    [2006] Medienskandale. Zur moralischen Sprengkraft öffentlicher Diskurse. Köln: Herbert van Halem Verlag.

  13. Calo, M. Ryan
    [2011] The Bounderies of Privacy Harm
    In: Indiana Law Journal, 86(3).

  14. Castells, Manuel
    [2011] Communication Power. Oxford University Press.

  15. Channel NewsAsia
    [2006] Hong Kong’s “Bus Uncle” Beaten Up by Three Men
    8 juni, 2006.

  16. Chonin, Neva
    [2006] Sex and the City
    In: San Francisco Chronicle, 17 september 2006.

  17. Citron, Danielle Keats
    [2009] Law’s Expressive Value In Combating Cyber Gender Harassment
    In: Michigan Law Review, 108: 373-414

  18. Cleiren, C.P.M. / Nijboer, Johannes Fredrikus / Crijns, J.H. /van der Meij, P.P.J. / Schoep, G K
    [2004] Strafrecht: tekst & commentaar: de tekst van het Wetboek van Strafrecht en enkele aanverwante wetten voorzien van commentaar. Kluwer.

  19. CNN

  20. Dekker, Paul / Hart, Joep de / Beer, Paul de
    [2004] De moraal in de publieke opinie - Een verkenning van ‘normen en waarden’ in bevolkingsenquêtes
    Den Haag: SCP.

  21. Dommering, Egbert J.
    Een grondrecht op vertrouwelijke informatie
    In: Mediaforum, 9: 142-147

  22. Dunbar, Robin
    [1996] Grooming, Gossip, and the Evolution of Language.
    Harvard University Press.

  23. EenVandaag
    Test uw buurt op pedo’s [26.9.2007].

  24. Eikelenboom, Twan
    [2006] Shocklog: Introducing the term to the world
    In: Masters of Media, 12.10.06.

  25. Ekker, Anton

  26. Elias, Norbert
    [1939/1982] Het civilisatieproces. Sociogenetische en psychogenetische onderzoekingen.
    Utrecht/Antwerpen: Spectrum.

  27. Elle
    [24.04.2016] Internet als schandpaal, geen pretje als jij het mikpunt bent - Iris VandeMoortele

  28. Elsevier
    [2005] Zo hoort het - Fatsoen: Hoe het hoort - Liesbeth Wytzes (30.11.2005)

  29. Fairfield, Joshua
    [2005] Virtual Property
    In: Boston University Law Review. Vol. 85, pp. 1047.
    Definieert virtueel eigendom in onderscheid van intellectueel eigendom.

  30. Farrell, H. / Drezner, W.
    [2008] The power and politics of blogs.
    In: Public Choice 134, 15-30.

  31. Finkelstein, Joanne
    [1989] Dining Out: A Sociology of Modern Manners
    Polity Press.

  32. Foucault, Michel
    [1975] Surveiller et punir: Naissance de la prison. Paris: Gallimard.

  33. Green, Joanna
    [2006] Blind Date
    In: The Miami New Times, 14.9.2006.

  34. Griffin, Timothy / Miller, Monica K. / Hoppe, Jeffrey
    [2007] A Preliminary Examination of AMBER Alert’s Effects
    In: Criminal Justice Policy Review, 18(4): 378-94.

  35. Hamelink, Cees J.
    [1999] Digitaal Fatsoen. Mensenrechten in cyberspace
    Boom.

  36. Hartogh, Marko den / Koster, Albert
    [2005] Normen en waarden. Verval of verandering?

  37. Hilden, Julie
    [2006] Is Don'tDateHimGirl.Com Legal?
    In: FindLaw, 28.3.2008.

  38. Hofs, Yvonne
    [2008] Klikken is nu een teken van fatsoen
    In: Dag, 11.3.2008.

  39. Intermediair

  40. Jenkins, Henry
    [2006] Convergence Culture: Where Old and New Media Collide
    New York: NYU Press.

  41. Jesdanum, Anick
    [2006] Prankster posts sex ad replies online
    MSNBC, 12 september 2006

  42. Keen, Andrew
    [2007] De @-cultuur: Hoe internet onze beschaving ondermijnt
    Amsterdam: Meulenhoff.

  43. Keren, Michael
    [2006] Blogosphere: The New Political Arena
    Lanham (MD): Lexington Books.

  44. Kleve, Pieter
    [2004] Juridische iconen in het informatietijdperk
    Deventer: Kluwer.

  45. Krim, Jonathan
    [2005] Subway Fracas Escalates into Test of the Internet's Power to Shame
    Washington Post, July 7, 2005.

  46. Lagemaat, A.C. / Boonk, M.L. / Briet, M.
    [2006] Vermogensrechtelijke aspecten.
    In: Recht in een virtuele wereld: juridische aspecten van massive multiplayer online role playing games, chapter 2, pages 21-40. NVvIR, Elsevier, 2006.

  47. Lodder, Arno R. (red.)
    [2003] Recht in een virtuele wereld: Juridische aspecten van Massive Multiplayer Online Role Playing Games (MMORPG)
    Studiecommissie Virtual Law van de Nederlandse Vereniging voor Informatietechnologie en Recht (NVvIR)

  48. Lodder, Arno R.
    [2008] Why not qualify the taking away of virtual objects as theft?
    In: Terra Nova.

  49. Margalit, Avishai
    [1996] De fatsoenlijke samenleving
    Amsterdam: Van Gennep.

  50. McAndrew, Frank T.
    [2008] The Science of Gossip: Why We Can’t Stop Ourselves
    In: Scientific American.

  51. Nederlands Juridisch Dagblad

  52. Negroponte, Nicholas
    [1995] Being Digital
    New York: Random House.

  53. Neppelenbroek, Evert D.C.
    [2006] Het drakenzwaard of: virtuele goederen als vorderingsrecht uit online-contracten
    In: Ars Aequi, 55: 23-32.

  54. Netkwesties

  55. Netwerk

  56. Nissenbaum, Helen

  57. Nova

  58. NRC

  59. O’Reilly, Tim
    [2007] Draft Blogger’s Code of Conduct

  60. privacy.startpagina.nl

  61. Ramberg, Christina
    [2002] Internet Marketplaces. The law of Auctions and Exchanges Online
    Oxford.

  62. Shalhoub-Kevorkian, Nadera / Berenblum, Tamar
    [2010] Panoptical Web: Internet and Victimization of Women
    In: International Review of Victomology, 17:69-95.

  63. Sherwin, Adam
    [2013] Trolls who post vicious abuse on Twitter aren’t acting out of malice – they’re just bored, reveals study
    In: The Independent, 27.06.2013

  64. Shytov, Alexander
    [2005] Indecency on the Internet and International Law
    In: International Journal of Law and Information Technology, 13(2): 260-80.

  65. Sleebe, V.C.
    [1994] In termen van fatsoen: sociale controle in het Groningse kleigebied 1770-1914
    Van Gorcum.

  66. Solove, Daniel J.
    [2007] The Future of Reputation: Gossip, Rumor, and Privacy on the Internet
    Yale University Press.

  67. Steur, J.C. van der
    [2003] De grenzen van rechtsobjecten: Een onderzoek naar de grenzen van objecten van eigendomsrechten en intellectuele eigendomsrechten
    Deventer: Kluwer.

  68. Stronks, Jaap

  69. Suller, John
    The Online Disinhibition Effect

  70. Suller, John / Philips, W.
    The Bad Boys of Cyberspace - Deviant Behavior in Online Multimedia Communities and Strategies for Managing it

  71. Surowiecki, James
    [2004] The Wisdom of Crowds
    Doubleday.

  72. Swaan, A. de
    [1996] Schade en schande: over schandalen.
    In: W. Heuves & A. Boerwinkel (Red.), Een wijze van kijken. Psychoanalyse en schaamte (pp. 27-37). Amsterdam: Het Spinhuis.

  73. Telegraaf

  74. Trouw

  75. Vasterman, Peter L.M.
    [2010] De digitale schandpaal. De invloed van internet op het verloop van affaires en schandalen
    In: Tijdschrift voor Communicatiewetenschap, 38(2): 118-138.

  76. Volkskrant

  77. Vrij Nederland

  78. Webwereld

  79. Wijk, Wouter van
    [2007] Internet als schandpaal
    In: AD, 6 juni 2006.

  80. Wikipedia
    The Bus Uncle

  81. Wit, Anton de
    De dood van het fatsoen

  82. Yee, Nick / Bailenson, Jeremy
    [2008] The Proteus Effect: The Effect of Transformed Self-Representation on Behavior
    In: Human Communication Research, 33, 271-90.

  83. Yee, N. / Bailenson, J.N. / Ducheneaut, N.
    [2008] The Proteus Effect: Implications of Transformed Digital Self-Representation on Online and Offline Behavior
    In: Communication Research.

  84. Zittrain, Jonathan
    [2008] The Future of the Internet and how to stop it
    Yale University Press.

  85. Zunderdorp, R. / Bruggen A. van
    [2003] Sectorale, lokale en departementale initiatieven rond waarden en normen.
    Den Haag: Forum voor democratische ontwikkeling.
Index
Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

02 February, 2017
Eerst gepubliceerd: 1 December, 2008