Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

Lineaire en Hypertekst

—Nieuwe technieken en culturen van schrijven en lezen—

dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam

Lineaire tekst

Hypertekst

Voorlopers
    Deconcentrerende schrijvers
    De memex van Vannevar Bush
    Van Ted Nelson tot Tim Berners-Lee

Nieuwe mogelijkheden

Problemen
    Navigatie: waar ben ik?
    Digibetisme

Literatuur: Gedrukt
Literatuur: Internet

button Interactief publiceren
button Weblog: doe-het-zelf medium
button Virtuele bibliotheken
button Kwaliteit op het net
button Het semantisch web

“What is crucial in all these events from the scholar‘s point of view:
we no longer have to use books to analyse and study other books or texts.”
[Jerome McGann, The Rationale of Hypertext]

De teksten die op de websites van het internet verschijnen zijn niet alleen talrijk en kleurrijk, maar ook laagrijk. Het zijn gelaagde teksten die gebruik maken van de mogelijkheden van hypertekst. Het snelst groeiende onderdeel van het internet, het ‘World Wide Web’ is een hypertekstueel netwerk dat een verbinding legt tussen de informatie die op vele, ver van elkaar verwijderde sites beschikbaar is. Hypertekst is een recente uitvinding die een aanvulling en verrijking betekent van de traditionele lineaire teksten zoals we die kennen in de vorm van boeken en artikelen.

Wat is hypertekst? Wat zijn de verschillen met de traditionele papieren teksten? Welke nieuwe mogelijkheden heeft hypertekst te bieden aan auteurs? En wat zijn de problemen met het lezen van hyperteksten?

Index Lineaire tekst

Een tekst is samengesteld uit diverse eenheden: een paragraaf, een pagina, een alinea, misschien slechts één woord. De omvang van een tekstuele eenheid is variabel en arbitrair. In conventionele, lineaire teksten, zoals boeken of artikelen, is elke eenheid met ten hoogste twee andere eenheden verbonden, degene die eraan voorafgaat en degene die erop volgt, de pagina, paragraaf of woord daarvoor en de pagina, paragraaf of woord daarna. Vanaf het begin van het werk tot aan het einde loopt een rechte lijn. Daarom noemen we dit ‘lineaire’ teksten.

tisa De lezer volgt het ene traject dat door de auteur is (voor)geschreven. De vraag ‘Wat wil je hierna lezen?’ doet zich niet voor: het is altijd de volgende zin, paragraaf of hoofstuk. Lineaire teksten lijken veel op een volledig voorgekookte reis. Bij een lineaire structuur is de enige keuzemogelijkheid die de lezer heeft ‘vooruit’ of ‘terug’. Je kunt hooguit nog kiezen of je voetnoten direct wilt lezen of later en of je tussendoor de index of inhoudsopgave wilt raadplegen. Het lezen van een lineaire tekst wordt dus gekenmerkt als ‘het volgen van een tekst’ - de lezers volgen het door de auteur gecreëerde leespad.

Een papieren tekst heeft zowel een fysieke als een conceptuele structuur. Paragraven en pagina’s staan in een fysieke relatie van voor en na die niet veranderd kan worden zonder de fysieke integriteit van het werk te vernietigen.

Lineaire structurering van informatie
Menselijke communicatie wordt niet alleen door technologie gefaciliteerd, maar ook beperkt en gekleurd. In het orale tijdperk werd informatie overgedragen via de eendimensionale tijdas van gesproken taal. De informatie moest zodanig worden gepresenteerd dat deze door mensen onthouden kon worden. Kenmerkend voor de orale stijl is de lineaire ordening van een gedachtenspoor [Ong 1982]. Door de overgang naar geschreven informatie-overdracht hoefde het menselijk brein bevrijd geen lange teksten meer te onthouden. De informatie werd op een nieuwe wijze gestructureerd: de eendimensionale tijdas van spraak verandert in de tweedimensionale ruimte van de geschreven tekst. Door de uitvinding van tweedimensionale grafieken konden bovendien grote hoeveelheden gegevens worden gerepresenteerd [Tufte 1990].

Er ontwikkelde zich een heel eigensoortige technische stijl van schrijven [Havelock 1986]. De schrijver schrijft voor een onbekende lezer en schept daarom een pad dat door iedereen gevolgd kan worden. In dat opzicht verschilt de schrijfstijl niet van de spreekstijl: een goed gestructureerd betoog wordt in achtereenvolgende stappen opgebouwd. De lezer wordt gedacht dit spoor te volgen. Toch hoeft de lezer niet te beginnen met de eerste regel om zich vervolgens braaf door de hele tekst naar het einde te worstelen. Voordat de lezer een tekst begint te lezen kan deze willekeurig door een tekst springen, de pagina’s doorbladeren, of de conclusies en voetnoten scannen [Kircz/Harmsze 2000].

Index Hypertekst

Hypertext Een hypertekst bestaat ook uit tekstuele eenheden. Maar bij hypertekst is de tekstuele eenheid gedefinieerd als de inhoud van het computerscherm, inclusief wat men te zien krijgt door ‘scrollen’. In hypertekst kan elke eenheid verbonden zijn aan vele andere teksten, en wel zodanig dat de lezer elk van de vele mogelijke opvolgers kan zien. De lezer krijgt een van deze opvolgers te zien door zelf te kiezen (bijvoorbeeld door met de muis op een woord of icoon op het scherm te klikken) of de door de auteur gecreëerde paden te volgen die afhankelijk zijn van vorige keuzes die de lezer heeft gemaakt.

Een hypertekst bestaat fysiek in de vorm van codes in een opslagmedium zoals een harde schijf en in de RAM (random access memory) van de computer. Elke hypertekst kan meerdere voorafgaande teksten hebben en meerdere teksten die erop volgen. Een herschikking van de tekst impliceert geen fysieke vernietiging van het bestaan van het werk. Je kunt hyperteksten niet ‘verscheuren’ zoals dat met een boek kan.

Er bestaat geen lineair pad door het werk. Het lezen van een hypertekst lijkt meer op het raadplegen van een kaart of het kijken naar een schilderij of foto, dan op het lezen van een boek. Lezers kunnen in vele richtingen de paden volgen die de auteur heeft voorbereid. Net zoals we bij het kijken naar een schilderij de paden volgen die de artiest voor ons oog heeft gecomponeerd. De structurering van een hypertekst legt de grenzen vast waarbinnen het leesgedrag kan variëren en bepaalt binnen deze grenzen de kans dat specifieke leestrajecten daadwerkelijk gevolgd worden. De lezer kiest in het netwerk van onderling verbonden tekstuele eenheden een traject dat overeenkomt met zijn eigen interesses en voorkeuren.

Hyperteksten zijn gedecentreerde teksten. De hiërarchieën en privileges van lineaire papieren teksten worden doorbroken. De voetnoten en andere secondaire commentaren worden gelezen als elementen die visueel gelijkwaardig zijn aan de basistekst. De referenties en geciteerde tekst worden geïmplementeerd door een verbinding met het origineel, waar zij gelezen kunnen worden als deel van die andere contekst.

Index Voorlopers

De toenemende populariteit van het WWW heeft ertoe geleidt dat hypertekst algemeen bekend werd. Minder bekend is echter dat het concept hypertekst veel eerder bestond dan het WWW en dat daar al langer wetenschappelijk onderzoek naar werd gedaan.

Hypertekst is een uitbreiding van oudere experimenten om teksten op een nieuwe manier te organiseren. We kennen allemaal de voetnoten die ons vanaf de hoofdtekst leiden naar de noot en van de noot terug naar de tekst. Voetnoten zijn minimale hyperteksten. De teksten van encyclopedieën zijn zo georganiseerd dat er meervoudige paden bestaan van het ene artikel naar het andere, de links worden aangegeven door de referenties aan het eind van het artikel.

Deconcentrerende schrijvers
Ook in de literatuur zijn er een aantal voorlopers op de hypertekst. In aantal romans werd geprobeerd om afstand te nemen van het lineaire tekstprincipe. Een aantal romanschrijvers heeft geëxperimenteerd met hypertekstuele vormen in fysieke, gedrukte boeken.

Al deze schrijvers dwingen de lezer tot een kronkelig, meerpadig doorlezen van de tekst. Lezers raken in verwarring als zij proberen deze romans te lezen als continue lineaire teksten. Deze experimentele schrijvers maken allemaal gebruik van topografische instrumenten die de lezer hier en daar richting geven. Gegeven de beperkingen van het boekformaat, was er geen alternatief voor typografische instrumenten.

Barthes en Foucault
In S/Z [Paris, Édition du Seuil, 1970] beschrijft Roland Barthes een ideale tekstualiteit welke grote overeenkomst vertoont met wat we nu hypertekst noemen. Een tekst die is samengesteld uit blokken woorden (of beelden) die elektronisch aan elkaar verbonden zijn door meerdere paden of ketens in een tekstualiteit met een open einde.
    “the networks [réseaux] are many and interact, without any one of them being able to surpass the rest; this text is a galaxy of signifiers, not a structure of signifieds; it has no beginning; it is reversible; we gain access to it by several entrances, none of which can be authoritatively declared to be the main one; the codes it mobilizes extend as far as the eye can reach, they are indeterminable ... ; the systems of meaning can take over this absolutely plural text, but their number is never closed, based as it is on the infinity of language” [R. Barthes, S/Z, New York: Hill and Wang, 1974].
Ook Michel Foucault beschouwt een tekst in termen van netwerken en verbindingen. In De archeologie van kennis wijst hij erop dat de grenzen van een boek nooit duidelijk getrokken zijn omdat een tekst is ingebed in een systeem van verwijzingen naar andere boeken, andere teksten en andere zinnen: “het is een knooppunt in een netwerk van verwijzingen”.

Barthes en Foucault beschrijven de tekst, de wereld van de letteren en de machts- en statusverhoudingen die deze impliceren dus al in termen die verwant zijn aan die van de computergemedieerde hypertekst.

De experimentele auteurs van het pre-digitale tijdperk probeerden zich te ontworstelen aan het juk van de lineariteit. Zij moesten hun strijd nog met ‘de pen op papier’ voeren. Door de digitalisering van de tekstuele, grafische, auditieve en visuele informatie, de opkomst van wereldomspannende elektronische netwerken en de hypertekstuele techniek beschikt de huidige generatie schrijvers over de middelen om het lineaire universum achter zich te laten en te bouwen aan een nieuw, polyzintuigelijk symbolisch universum.

Met behulp van de techniek van digitale hypertekst kan een schrijver nu elk gedeelte van een tekst verbinden aan vele andere plekken in het werk (ook aan het werk van anderen). Elk stuk tekst kan leiden naar een van vele alternatieve vervolgen of uitweidingen. De lezers kiezen welke links zij volgen en bepalen hierdoor de volgorde, en dus ook de inhoud, waarin een verhaal zich ontwikkelt. Hypertekst is een techniek die de lezers in staat stelt verscheidene, zich vertakkende en elkaar kruisende wegen door een verhaal of roman te volgen.

De memex van Vannevar Bush
Vannevar Bush Gezien de recente introductie in de populaire computertaal heeft hypertekst een verrassend lange geschiedenis. Een vroege computerwetenschapper, Vannevar Bush, was waarschijnlijk de eerste die (op papier) speculeerde over hypertekst (hoewel hij die term nog niet gebruikte - dat zou pas twee decennia later gebeuren). In juli 1945 schreef Bush in het tijdschrift The Atlantic Monthly een artikel met als titel: As We May Think. Daarin introduceerde hij de fundamentele concepten die later bekend zouden worden als hypertekst.

Bush maakte zich zorgen om de toenemende discrepantie tussen de enorme ‘store of knowledge’ die de mensheid inmiddels heeft opgebouwd en de gebrekkige instrumenten om toegang te krijgen tot deze kennis.

Bush keek eerst naar de manier waarop ons denken werkt en komt tot de conclusie dat wij vooral associatief denken. Terwijl we over het ene thema nadenken springen onze gedachten onmiddellijk naar het volgende thema dat ons door gedachtenassociatie wordt gesuggereerd. Bush beseft dat men dit mentale proces niet volledig kunstmatig kan dupliceren, maar dringt er wel op aan dat we hiervan iets moeten leren. Hij bedacht dat het mogelijk was om het principe van ‘selectie door associatie’ te mechaniseren. Dit bracht Bush tot de ontdekking van een systeem voor het associatief verbinden van informatie, de ‘memex’ (memory extension):

“Consider a future device for individual use, which is a sort of mechanized private file and library. It needs a name, and to coin one at random, ‘memex’ will do. A memex is a device in which an individual stores all his books, records and communications and which is mechanized so that it may be consulted with exceeding speed and flexibility. It is an enlarged intimate supplement to his memory.

It consists of a desk, and while it can presumably be operated from a distance, it is primarily the piece of furniture at which he works. On the top are slanting translucent screens, on which material can be projected for convenient reading. There is a keyboard, and sets of buttons and levers. Otherwise it looks like an ordinary desk.”

Klik om de memex te zien...

Hoe zag de memex er meer dan een halve eeuw geleden uit?

Het is nog niet meer dan een gedachtenexperiment, maar wat Bush voor ogen stond was een moderne PC gecombineerd met een geavanceerd hypertekst softwareprogramma. De manier waarop hij het gebruik van deze memex omlijnt is een perfecte beschrijving van de manier waarop de huidige lezer zich door een hypertekst beweegt:

Een aantal computergeleerden was enthousiast over de ideeën van Bush. Maar het zou nog meer dan twintig jaar duren voordat iemand de term ‘hypertekst’ introduceerde en in staat was om daaraan handen en voeten te geven.

Van Ted Nelson tot Tim Berners-Lee
“Let me introduce the word ‘hypertext’ to mean a body of written or pictorial material interconnected in such a complex way that it could not conveniently be presented or represented on paper” [Nelson 1965:96].

Hypertekst werd officieel geboren in 1965, dus ruim voor de uitvinding van het internet. In de jaren 60 filosofeerde Ted Nelson over hypertekst als een instrument waarmee je alle soorten informatie toegankelijk kunt maken voor iedere computergebruiker middels de klik van een muis. Hypertekst werd door Nelson omschreven als een stelsel van verbindingen tussen documenten die een netwerk van relaties vormen. De betekenis van een stuk ‘platte‘ tekst wordt uitgebreid en gepotentieerd door verbindingen met andere teksten. Ted Nelson

Voor Nelson was hypertekst een tekst die is samengesteld uit blokken tekst (die Barthes de lexia noemde) en de elektronische verbindingen die ze verenigen. De tekst is niet lineair, maar ingedeeld in meerdere onderdelen, die door de lezers in een door hen gekozen volgorde gelezen kunnen worden. De onderdelen van de tekst worden meestal aangeduid als knooppunten of informationele eenheden, vaak echter ook eenvoudig als documenten, pagina’s, websites, of zelfs als gegevens. Van hypertekst is slechts sprake wanneer de verbinding van de informationele eenheden gerealiseerd wordt met behulp van een computerprogramma.

Hoewel hij dit idee nooit heeft omgezet in een praktische toepassing, stimuleerde het bij veel anderen de fantasie. Aan het eind van de jaren zestig werd Nelson uitgenodigd om deel te nemen aan een project op de Brown Universiteit dat zou leiden tot de ontwikkeling van een elementair systeem voor hypertekst editing.

Nelson introduceerde ook de term hypermedia, dat is hypertekst die niet tot tekst beperkt wordt. Hypermedia kan multimedia omvatten: plaatjes, grafieken, geluid en film. Elke passage van een verbaal discours kan even gemakkelijk worden verbonden aan een andere verbale passage als aan beelden, kaarten, diagrammen en geluiden. Tegenwoordig wordt dit onderscheid tussen hypertekst en hypermedia niet meer zo strikt gehanteerd. Hypertekst is een aanduiding geworden voor een informatiemedium dat verbale en non-verbale informatie aan elkaar verbindt.

In 1967 stelde Nelson een globaal hypermedia systeem voor, Xanadu, waarin de hele wereldliteratuur met elkaar zou worden verbonden, met voorzieningen voor automatische betaling van auteursrechten. Na de oprichting van Xanadu in 1979 werd het project in 1988 opgekocht en verder ontwikkeld door Autodesk, Inc. tot het in 1992 werd stopgezet. Maar de goeroe van hypertekst ontwerpt nog steeds hyperteksten onder de vlag van het Xanadu project in Australië.

Halverwege de jaren ’80 ontwikkelde Bill Atkinson —samen met Dan Winkler— het eerste computerprogramma waarmee de fantasieën over hypertekst daadwerkelijk op een relatief eenvoudige wijze konden worden vormgegeven: ‘Hypercard’. Met dit programma van Apple Computer konden ‘stacks’ (stapels) van ‘cards’ (kaarten) worden geconstrueerd. De kaarten kunnen over en weer naar elkaar verwijzen. Door op een bepaalde plaats te klikken flits je naar een andere kaart met nieuwe informatie (tekstuele informatie, maar ook geluiden en beelden).

In maart 1989 stelde Tim Berners-Lee, een onderzoeker bij de Conseil Europeen pour la Recherche Nucleaire (CERN) in Geneva een hypertekst systeem voor om efficiënte informatiedeling mogelijk te maken voor leden van een hoge-energie fysica groep. De belangrijkste voorstellen die hij deed in HyperText and CERN waren:

Tegen het einde van 1990 draaide er een protoype van het WWW op een NeXT computer en werd er de laatste hand gelegd aan een gebruikersinterface (die WWW genoemd werd: een niet-hiërarchisch opgebouwd wereldwijd systeem). In maart 1991 werd de www interface op een netwerk gebruikt en in mei van dat jaar werd deze beschikbaar gesteld op centrale CERN machines. Op 15 januari 1992 werd de www interface voor het publiek toegankelijk vanaf CERN. Het CERN-team demonstreerde het Web aan internationale onderzoekers. Begin 1993 waren er al 50 Webservers, en kwamen de eerste grafische interfaces (die clients of browsers werden genoemd) voor het X Window Systeem and de Macintosh beschikbaar.

Index Nieuwe mogelijkheden

In hypertekst bewegen we ons door een werk door met de muis te klikken op een woord of richtingwijzend beeld (‘elektronische wegwijzer’). Hierdoor is de relatie tussen lezer en schrijver fundamenteel veranderd: zij werken nu samen om ‘werelden’ te scheppen. Het netwerk van een hyptekst bestaat uit losse teksten die verbonden zijn door links. Links geven echter alleen mogelijke verbanden aan. Pas als de lezer actie onderneemt door een link aan te klikken, ontstaat er een daadwerkelijk verband. De inbreng van de lezer is dus noodzakelijk voor de totstandkoming van de tekst als geheel. Lezers maken hun eigen boeken. Uit het materiaal dat de auteur heeft geprepareerd maken de lezers hun eigen boeken — zij worden in de letterlijke zin van het woord mede-auteurs van het werk. De lezer leest, kiest zijn eigen weg en interpreteert. Op deze manier helpt de lezer/interpretator het karakter van het werk te scheppen.

Hyperfictie
Hyperfictie is de narrative variant van hypertekst. Hyperfictie is een digitale vertelvorm die bestaat uit losse teksten die via links met elkaar verbonden zijn. De lezers kunnen kiezen tussen verschillende links en beïnvloeden daarmee de volgorde waarin zij het verhaal lezen. Het verhaal is geen vaststand gegeven meer, maar kan voortdurend worden gemanipuleerd en uitgebreid. Soms kan daarbij alleen de structurering van het verhaal worden gevarieerd, soms kan de lezer ingrijpen op zowel inhoud als structuur van het verhaal [Van den Bos].
Hypertekst is non-lineaire tekst. Maar elk individueel traject dat een lezer door hypertekst aflegt is natuurlijk lineair. De lezer leest of bekijkt immers nog steeds in een bepaalde volgorde de onderwerpen, het ene na het andere. Het beslissende kenmerk van hypertekst is daarom niet non-lineariteit maar keuze. De lezer bepaalt welke van de vele mogelijke trajecten door de beschikbare informatie op een bepaald tijdstip gekozen wordt. Hypertekst geeft de lezer meerdere opties: “Wat wil je hierna lezen?” is de vraag die steeds weer opniew gesteld wordt. Al naar gelang de interesses van de lezer zullen er telkens andere keuzes worden gemaakt. Iedereen zoekt zijn eigen individuele traject door het aangeboden materiaal. Iedereen creëert op die manier zijn eigen informatiepad. Van lezers wordt een actieve houding gevraagd: zij moeten telkens opnieuw beslissen - “Wat gebeurt er hierna?” Iedereen die hypertekst gebruikt maakt zijn of haar eigen interesses en voorkeuren tot organiserend principe voor het onderzoek op dat moment. Op die manier assembleren lezers hun eigen versies van een symbolische wereld, op dezelfde manier als ze unieke, persoonlijke versies van hun lokale wereld samenstellen uit de fragmenten van hun ervaring.

De computergebaseerde hyperteksten scheppen een nieuwe wereld van coöperatieve verbindingen (links). Er ontstaan schrijfinstrumenten, nieuwe tekstuele vormen en arrangementen, en nieuwe lezers.

Hypertekst is tekst die meer is dan tekst. Het is meer dan het ene woord achter het andere, vanaf het begin tot het eind, zonder dat enige variatie wordt toegestaan. De hyperteksten van de toekomst zullen eerder op een symbolisch web gaan lijken dan op een boek of een tekstbestand. Voor auteurs biedt de hypertekst tal van nieuwe mogelijkheden. Hypertekst maakt het gemakkelijker om een complex verhaal te vertellen. We kunnen elkaar overlappende en door elkaar heenlopende verhaalstructuren construeren in complexe patronen. Deze patronen zijn tevens dynamisch omdat zij resulteren uit de intersectie van de keuzes van de lezers met beperkingen die de auteur heeft gecreëerd.

Hypertekst maakt het mogelijk om complex gestructureerde theorieën beter te presenteren. Complexe theorieën opereren op meerdere abstractieniveaus tegelijk die zeer vaak als geneste hiërarchieën zijn gestructureerd. Met de hypertekstuele instrumenten zijn we veel beter in staat om de complexiteit van onze intellectuele constructies op een voor de lezer transparante manier weer te geven. In abstractieniveaus en analyse-eenheden gestratificeerde theoretische modellen kunnen in hun volle omvang en diepgang worden gerepresenteerd.

Hypertekst is een netwerk van mogelijkheden, een netwerk van leeservaringen. In dit opzicht lijkt hypertekst op het leven zelf dat vol is met keuzes en gevolgen, vol kruispunten waarbij men telkens moet kiezen welke afslag men neemt. Hypertekst is de taal van verkenning en ontdekking. Daarom is het de perfecte taal om als moedertaal te dienen voor het informatietijdperk. Wie in de toekomst de taal van hypertekst niet verstaat, moet niet vreemd opkijken als hij/zij vroeger of later voor analfabeet (of beter: ‘andigibeet’) wordt versleten.

Index Problemen

Geoefende lezers weten hoe zij een boek of artikel moeten lezen: je begint met het eerste woord op de eerste pagina en leest in een rechte lijn door totdat je het laatste woord op de laatste pagina hebt bereikt. De paragraaf, de pagina, de inhoudsopgave, de voetnoten en de index zijn instrumenten die voor ons inmiddels vanzelfsprekend zijn. Maar al deze instrumenten waren niet aanwezig in de papierusrollen die aan gedrukte boeken voorafgingen. Zij moesten worden uitgevonden en hun gebruik moest worden geleerd. Analoge problemen deden zich voor bij de introductie van de telefoon. Toen de technische problemen eenmaal waren opgelost, ontstond het probleem van de coördinatie van communicatief handelen. Wie moest er bijvoorbeeld het eerst spreken wanneer de telefoon werd beantwoord en wat moest men dan zeggen?

Hyperteksten bieden niet alleen tal van nieuwe mogelijkheden maar stellen ons ook voor een aantal problemen: omdat deze interactieve teksten zo nieuw zijn moeten zij op een totaal andere manier geschreven en gelezen worden dan traditionele teksten. Lezers van hypertekst moeten leren om zich in complex gestructureerde (‘gestratificeerde’) symbolische webstructuren te bewegen. Dat vereist een aantal nieuwe vaardigheden.

Index


Navigatie: waar ben ik?
Het grootste probleem is het navigatieprobleem. Bij het lezen van een papieren tekst weet men precies waar men is: men ziet paginanummers, kop- en voetregels waarin de hoofdstuktitel wordt herhaald en men kan aan de fysieke dikte van de pagina’s inschatten hoeveel men al gelezen heeft en hoever men nog te gaan heeft. Bij het lezen van een hypertekst vanaf het computerscherm is het veel moeilijker om zich te oriënteren. Men krijgt geen duidelijke indicaties van waar men is: HTML-documenten hebben geen fysiek gescheiden pagina’s, de pagina’s zijn meestal niet genummerd. Daarom weet men vaak niet precies hoeveel men al gelezen heeft en hoeveel er nog te wachten staat. Alleen de scroll bar aan de rechterkant van het scherm geeft een globale indicatie waar het actuele scherm gelokaliseerd is tussen het begin en het einde van het document.

Wat nu ? Schrijvers van hyperteksten moeten er rekening mee houden dat ongeoefende lezers vaak niet weten wat er van hen verwacht wordt en vaak ‘het spoor bijster raken’. Lezers klagen dat zij ‘niet weten waar ze zijn’ in relatie tot het begin en het einde van een tekst. Zij weten niet hoe zij de weg terug kunnen vinden naar een punt waarop zij zich op de teksten kunnen oriënteren. Daarom is het bij de constructie van hypertekstuele documenten van groot belang een goede en intuïve navigatiestructuur in te bouwen.

Het lastigste probleem is dat de lezer niet weet waar het einde van een tekst is. Omdat de tekst gedecentreerd is, is het moeilijk om vast te stellen waar de grenzen van een hyperboek of -artikel liggen. Het is onbevredigend om hierop te antwoorden dat hyperteksten strikt genomen helemaal geen einde kennen. Het is beter om te zeggen: ‘je bent klaar als je niet meer geïnteresseerd bent of wanneer je geen nieuwe teksten meer ziet’.

Index


Ongeduldige lezers — digibetisme
Lezers van hyperteksten op het internet zijn ongeduldig. Uit een recent onderzoek van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) blijkt dat de tijdspanne waarin intensieve surfers een webpagina aandachtig bekijken gemiddeld slechts negen seconden is — hetzelfde als dat van een goudvis. Ons concentratievermogen wordt sterk beïvloed door de dingen die we doen. Mensen die zeer intensief gebruik maken van het internet ontwikkelen een ongeduldiger concentratiepatroon. Zelfs als mensen op zoek zijn naar informatie die zij belangrijk vinden blijven de meeste online bezoekers niet langer dan 60 seconden op een gemiddelde site.

Maar het internet maakt het ook mogelijk om complexe ideeën te bespreken met een groot publiek. Internet gaat op een andere manier met menselijke aandacht om. Televisie stimuleert een kort concentratievermogen. Maar via internet kunnen ook uiterst complexe analyses en ideeën op een transparante en boeiende wijze worden gepresenteerd.

Toen 5 eeuwen geleden de drukpers van Gutenberg het licht zag, leidde dit er niet direct toe dat monarchiën werden afgeschaft en de Protestantse reformatie losbarste. De druktechnologie maakte een grootschalige verspreiding van geschreven documenten mogelijk. Maar het zou nog eeuwen duren voordat de intellectuele vaardigheid van het decoderen van die gedrukte pagina zich door de bevolking verspreidde. De introductie van digitale, hypertekstuele en hypermediale documenten vereist een nieuw soort geletterdheid: de alfabeet moet zich ontwikkelen tot digibeet.

Digibetisme vereist net als alfabetisme een aantal disciplinaire vaardigheden. Het lezen van digitale documenten vereist een speciale concentratie waardoor waardoor de aandacht gericht blijft op hoofdlijnen en men zich afschermd van afleidingen. Deze nieuwe discipline stelt ons in staat om signaal van ruis te onderscheiden, maar ook om kritisch om te gaan met de enorme zee van informatiebronnen. Om onzinnige, irrelevante en onbetrouwbare informatie te onderscheiden van zinnige, relevante en betrouwbare informatie is een sterk ontwikkeld bronkritisch vermogen vereist (crab detection). In een wereld waar informatie overvloedig is maar betrouwbaarheid niet wordt gegarandeerd door poortwachters en feitencontroleurs, moeten we leren kritisch

Index Literatuur over Hypertekst

Internet Bronnen Next

Aarseth, Espen J.
Cybertext: Perspectives on Ergodic Literature. Baltimore: Johns Hopkins University Press.
Een verkenning van “ergodische literatuur”, d.w.z. van literatuur waarin de lezer een actieve rol speelt. Ergodische literatuur is in tegenstelling tot conventionele (lineaire) literatuur op verschillende manieren te lezen. Een ergodische tekst geeft de gebruiker de mogelijkheid andere paden en mogelijkheden uit te proberen om een tekst te lezen, door in de tekst te navigeren en daarmee zelf het traject te bepalen. Het meest klassieke voorbeeld van ergodische literatuur is de IChing (1000 jaar voor Christus).

Bahloul, S.N. / Deba, A. [1995]
Hypertext: State of the Art and Perspectives.
Advances in Modelling & Analysis, 2:55-64.

Barret, Edwad (ed.) [1989]
The Society of Text: Hypertext, Hypermedia, and the Social Construction of Information.
Cambrdige, Mass.: MIT Press.

Barthes, Roland [1975]
The Pleasure of the Text. Trans. R. Miller. New York: Hill and Wang.

Berk, Emily / Devlin, Joseph [1991]
Hypertext/Hypermedia Handbook.
New York: Intertext Publications.

Bergström, Annika [2006]
Changing Habits? — Swedish Readers in Transition
Paper presented at the COST A20 Conference: The Impact of Internet on the Mass Media in Europe, Delphi, Greece, 26-28 April 2006.

Bernstein, Mark [1990]
An Apprentice That Discovers Hypertext Links.
In: Proceedings of the ECHT90 European Conference on Hupertext, pp. 212-23.

Bernstein, Mark [1991]
Stucture, Navigation and Hypertext. The Status of the Nabigation Problem.
In: Third Annual ACM Conference Proceedings on Hypertext ’91, pp. 363-66.

Bernstein, Mark etl a.. [1991]
Architectures for Volatile Hypertext.
In: Third Annual ACM Conference Proceedings on Hypertext ’91, pp. 343-60.

Bernstein, Mark (ed.) [1996]
How to Read a Hypertekst.
Cambridge: Eastgate.

Bernstein, Mark / Carr, Leslie / Østerbye, Kaspar [1997]
Hypertext 97. Proceedings of the Eight ACM Conference on Hypertext.
University of Southampton, UK, 6-11 April 1997. New York: acnPRESS.

Birkerts, Sven [1994]
The Gutenberg Elegies: The Fate of Reading in An Electronic Age.
Boston/London: Faber & Faber.
Hier zijn een paar passages uit deel II: The Electronic Millenium.

Bolter, Jay David [1991]
Writing Space: The Computer, Hypertext, and the History of Writing. Hypertext editie, op disk. Cambridge, MA: Estgate Systems. Boek editie: Hillsdale, NJ: Lawrence Erlbauam. Hier vind je een samenvatting.
De hypertekst-pionier Bolter onderzoekt de technologie van het lezen en schrijven. Hij beschrijft de geschiedenis van papyrus rol, via codex book, gedrukte tekst en tenslotte elektronische tekst. De gedrukte tekst kan beschouwd worden als het laatste stadium in de ontwikkeling van lineaire, hiërarchische presentatie van materiaal. De computer wordt gethematiseed als een nieuw medium voor symbolische communicatie.

Bolter, Jay David /Grusin, Richard [1999]
Remediation. Understanding New Media.
Cambridge, Mass. /London.

Bolz, Norbert [1990]
Theorie der neuen Medien.
München.

Bornman, Hester / Solms, S.H. [1993]
Hypermedia, Multimedia and Hypertext: Definitions and Overview.
Electronic Library 11:259-68.

Brockman, John [2011]
Hoe verandert internet je manier van denken?
Maven: Amsterdam

Carr, Nicolas [2008]
Is Google Making Us Stupid?
The Atlantic, Julu/August 2008.

Carr, Nicolas [2010]
The Shallows: What the Internet is Doing to Our Brains.
Norton & Company: New York.

Chartier, Roger [2004]
Languages, Books, and Reading from the Printed word to the Digital Text
Critical Inquiry, 31(1): 133-152.

Chin-lung, Wei [1991]
Hypertext and Printed Materials: Some Similarities and Differences.
Educational Technology 21(3):51-53.

De Young, Laura [1990]
Linking Considered Harmful.
In: Rizk 1990: 238-49.

Douglas, Jane Yellowlees [1993]
Social Impacts of Computing: The Framing of Hypertext -- Revolutionary for Whom?
Social Science Computer Review 11(4):417-28.

Edwards, D.M. / Hardman, L. [1989]
Lost in Hyperspace: Cognitive Mapping and Navigatin in a Hypertext Environment.
In: McAleese 1989: 105-25.

Eisenstein, Elizabeth L. [1979]
The printing press as an agent of change: communications and cultural transformations in early modern Europe. 2 Volumes.
Cambridge: Cambridge University Press.

Eisenstein, Elizabeth L. [1996]
The printing revolution in Early modern Europe.
Cambridge: Canto Cambridge Univ. Press.

Freisler, S. [1994]
Hypertext: eine Begriffsbestimmung.
Deutsche Sprache 22(1): 19-50.

Gaggi, Silvio [1998]
From Text to Hypertext: Decentering the Subject in Fiction, Film, the Visual Arts, and Electronic Media.
Univ. of Pennsylvania Press.

Gauer, Albertine [1984]
A History of Writing.
Londen: British Library.

Geest, Thea van der [1995]
Hypertext Writing and Reading in a Non-Linear Medium.Quality of Technical Documentation, Amsterdam Rodopi, 1994: 49-66.

Gloor, Peter A. / Streitz, N.A. (eds.) [1990]
Hypertext und Hypermedia. Von theoretischen Konzepten zur praktischen Anwendung.
Berlin/Heidelberg: Springer.

Havelock, Eric. A. [1986]
The muse learns to write. Reflections on orality and literacy from antiquity to the present.
New Haven: Yale University Press.
Nederlandse vertaling: De Muze leert schrijven. De culturele gevolgen van de opkomst van het schrift. Amsterdam: Prometheus.

Hobart, Michael / Schiffman, Zachary [1998]
Information Age: Literacy, Numeracy, and the Computer Revolution.
Baltimore, Md.: Johns Hopkins University Press.

Hofmann, Martin / Simon, Lothar [1996]
Problemlösung Hypertext: Grundlagen, Entwicklung, Anwendung.
München / Wien: Hanser.

Krüger, Frank [1990]
Navigation und Orientierung in Hypertext.
Saarbrücken: Universität des Saarlandes.

Kuhlen, R. [1991]
Hypertext: Ein nicht-lineares Medium zwischen Buch und Wissensbank.
Berlin: Springer.

Landow, George P. [1993]
Hypertext: The Convergence of Contemporary Critical Theory and Technology. Baltimore: Johns Hopkins University Press.
Een boek vol ideeën over hypertekstuele theorie en de praktijk van hypertekst lezen en schrijven.

Landow, George P. (ed.) [1993]
Hypertext and Literary Theory. Baltimore: Johns Hopkins Press.

Landow, George P. (ed.) [1994]
Hyper/Text/Theory.
Baltimore: Johns Hopkins Univ. Press.

Laufer, Roger [1995]
Texte, hypertexte, hypermedia.
2nd ed. Paris: Presses Universitaires de France.

Loan, Fayaz Ahmad [2012]
Impact of the Internet surfing on reading practices and choices
Webology, 9(1), Article 94.

Lennon, Jennifer [1997]
Hypermedia Systems and Applications: World Wide Web and Beyond.
Berlin: Springer.

Lucarelle, Dario e.a. (ed.) [1992]
In: Echt ’92. Proceedings of the Fourth ACM Conference on Hypertext. Milano, Italy, Nobember 30 - December 4.
New York: acmPRESS.

Masten, Jeffrey / Stallybras, Peter / Vickers, Nancy (eds.) [1997]
Language Machines: Technologies of Litery and Cultural Production.
New York: Routledge.

McAleese, Ray (ed.) [1989]
Hypertext: Theory into Practice.
Norwood, NJ: Ablex.

McKnight, Cliff / Dillon, Andrew / Richardson, John (eds.) [1991]
Hypertext in context.
Cambridge: Cambridge University Press.

McKnight, Cliff / Dillon, Andrew / Richardson, John (eds.) [1993]
Hypertext: A Psychological Perspective.
West Sussex: Ellis Horwood.

McLuhan, M. [1962]
The Gutenberg galaxy, the making of typographic man.
Toronto: University of Toronto Press.

Moulthrop, Stuart [1991]
You Say You Want a Revolution? Hypertext & the Laws of Media.
Postmodern Culture 1(3). Ook herdrukt in Eyal Amiran & John Unworth (ed.) [1993] Essays in Postmodern Culture, New York: Oxford UP, pp. 69-97.

Nelson, Ted [1974]
Computer Lib/Dream Machines.
Een ‘must’ voor de geschiedenis van dit onderwerp. Zie ook de Xanadu home page.

Nelson, Ted [1982]
Literary Machines. Sausalito, CA: Mindful Press.

Nelson, Ted [1988]
Will Hypertext Save Mankind?
Byte 13(2):14.

Nelson, Ted [1992]
Opening Hypertext: A Memoir.
In: Myron, C. Tuman (ed.) [1992] Literacy Online: The Promise (and Peril) of Reading and Writing with Computers. Pittsburgh: U. of Pittsburgh Press, pp. 43-57.

Nielson, Jakob [1995]
Multimedia and hypertext: The Internet and beyond.
Boston: AP Professional.

Nielson, Jakob [2000]
Designing Web usability: The practice of simplicity.
Indianapolis: New Riders.

Ong, Walter J. [1982]
Orality and Literacy: The Technologizing of the Word.
London: Methuen.

Rizk, A. / Streitz, N. / André, J. [1991]
Hypertext: Concepts, Systems and Applications.
In: Proceedings of the First European Conference on Hypertext, INRIA, France, November 1990.
Cambridge: Cambridge University Press.

Rouet, Jean-François (ed.) et al.[1996]
Hypertext and Cognition.
Lawrence Erlbaum Ass.

Ryan, Marie-Laure [2005]
Peeling the Onion: Layers of Interactivity in Digital Narrative Texts

Schmar-Dobler, Elizabeth, [2003]
Reading on the Internet: The link between literacy and technology
Reading Online, September 2003, 17-13.

Snyder, Ilana [1996]
Hypertext: The Electronic Labyrinth.
Victoria: Melbourne University Press.

Tufte, Edward R. [1990]
Envisioning Information.
Cheshire: Graphics Press.

Ward, Tood / Taylor, Irene (eds.) [1998]
Literacy Theory in the Age of the Internet.
New York: Columbia University Press.

Wenger, Michael J./Payne, David G. [1996]
Comprehension and Retention of Nonlinear Text: Considerations of Working Memory and Material-Appropriate Processing.
American Journal of Psychology, 109(1): 93-130.

Wenger, Michael J./Payne, David G. [1996]
Human Information Processing Correlates of Reading Hypertext.
Journal of the Society for Technical Communication, 43(1): 51-60.

Index


Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

25 March, 2017
Eerst gepubliceerd: October, 1997