Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

Virtuele bibliotheken

dr. Albert Benschop
University of Amsterdam

button Interactief publiceren
button Lineaire en Hypertekst
button Kwaliteit op het net
button Intellectueel eigendom en copyright

Inleiding

Bibliotheken hebben altijd al een centrale rol vervuld in het beheer van wetenschappelijke informatie. Maar deze rol wordt tegenwoordig door twee ontwikkelingen ter discussie gesteld.

De vraag is of de crisis die veroorzaakt wordt door de financiering van de collectievorming kan worden verzacht of opgelost met behulp van de nieuwe elektronische informatietechnologieën.

De conventionele bibliotheek Tot voor kort beperkte de automatisering van de bibliotheken zich voornamelijk tot een aantal interne functies, zoals uitleenregistratie, catalogisering en verwerking van acquisities. Met de nieuwste elektronische technologieën kunnen alle secondaire bibliografische bronnen worden gedigitaliseerd: catalogi, informatie over informatie, toegang tot bezit van andere instellingen, indexen van tijdschriften enz. Al die informatie kan zodanig worden gepubliceerd dat zij door gebruikers op elke willekeurige plaats vanaf de eigen computer kan worden geraadpleegd. Het revolutionaire potentieel van deze technologieën ligt besloten in het feit dat ook de primaire informatie zelf op deze manier toegankelijk gemaakt kan worden. Bij elektronische publicaties gaan het vinden van de referentie en het vinden van de informatiebron waarnaar verwezen wordt steeds meer samenvallen.

Vroeger was het een slechts een droom: een universele bibliotheek waarin alle kennis en informatie uit de hele geschiedenis van de mensheid ligt opgeslagen en die voor iedereen vrij toegankelijk is. Het was altijd weer even schrikken als je wakker werd en toch weer op de fiets naar een bibliotheek moest rijden om naar dat ene boek te zoeken dat je zo graag wilde lezen. Dat is tegenwoordig al heel anders, ook al zullen er nog heel wat bossen gekapt en boeken gedrukt worden voordat de droom van een echte wereldomspannende virtuele bibliotheek werkelijkheid wordt.

Index De droom van een universele bibliotheek


Bibliotheken zijn een belangrijke schakel in de wetenschappelijke informatieketen. Zij filteren informatie (selectie) en brengen de boeken, tijdschriften in een specifieke fysieke ruimte onder (opslaan, bewaren). Vervolgens ordenen zij deze informatie en maken die toegankelijk door het toevoegen van referentiële informatie (ontsluiten). Tenslotte stellen zij de verzamelde en geordende informatie beschikbaar aan een bepaald publiek (dienstverlening).

Vroeger ging het zo: als je bibliografische informatie zocht over een bepaald onderwerp dan liep, fietste of reed je naar de dichtstbijzijnde bibliotheek. Daar was je vaak uren bezig om de informatie te vinden die je zocht. In de wereld van cyberspace is dit een stuk gemakkelijker geworden. In plaats van uren in een bibliotheek rond te hangen, heb je maar een paar minuten nodig om bibliografische verwijzingen en volledige artikelen te ontsluiten. Anders dan bij de gedrukte tegenhanger verwijst de informatie die je vindt naar andere informatiebronnen (‘cross-reference online’). Daarom is het gemakkelijk om bronnen te lokaliseren die je anders niet zo snel zou vinden.

De digitalisering van de wetenschappelijke informatievoorziening is in volle gang. De recente ontwikkeiling van de informatietechnologie en van netwerken heeft ertoe geleid dat er steeds meer elektronische bibliotheken zijn ontstaan. Zij worden ook wel virtuele bibliotheken genoemd. Iedereen met toegang tot het internet kan elektronische informatie uit deze bibliotheken naar de eigen computer overbrengen.

Virtuele bibliotheken zijn geënt op het concept van de ideale bibliotheek. In het predigitale tijdperk stelde men zich de ideale bibliotheek voor als een ruimte waar alle boeken, tijdschriften, artikelen, preprints, statistieken, kortom, echt alles te vinden is, waar je in een oogwenk aantreft wat je zoekt en nog op ideeën gebracht wordt ook. Van zo'n ideale bibliotheek gaf de Argentijnse dichter Jorge Luis Borges de volgende omschrijving:

De bibliotheek die Borges voor ogen stond is bijna volmaakt. Bijna, omdat zijn droom van een universele bibliotheek in ruimtelijk opzicht oneindig is. Zijn ideale bibliotheek is met de predigitale technologie nooit te realiseren omdat bibliotheken nu eenmaal niet over een oneindige ruimte beschikken - nog afgezien van de gigantische investeringen die hiermee gemoeid zouden zijn.

In de virtuele bibliotheek wordt dat nadeel overwonnen: een virtuele bibliotheek overvleugelt de ruimte in de meest letterlijke zin. De virtuele bibliotheek is namelijk onbegrensd zonder dat ze enige fysieke beperkingen oplegt. De tijdruimtelijke structuur van de bibliothecaire informatievoorziening wordt verdicht, gecomprimeerd. Digitale informatie hoeft niet meer in een bepaalde fysieke plaats te worden ondergebracht, maar kan willekeurig waar ter wereld op een computer staan die op het internationale netwerk is aangesloten. Zij is van elke plek op de wereld waar een telefoonnet bestaat benaderbaar. Men kan er zoeken en vinden met de snelheid van het licht.

Formeel gezien vervullen digitale bibliotheken eenzelfde rol in de informatieketen als traditionele bibliotheken: zij selecteren, ontsluiten en conserveren informatie en stellen deze aan het publiek beschikbaar. De belangrijkste verschillen met de traditionele bibliotheken zijn:

  1. Aard van de informatie
    De informatie is niet meer op papier gedrukt, maar is elektronisch (gedigitaliseerd). Digitale informatie is informatie die alleen met behulp van computerhardware en -software kan worden gemaakt, verspreid, geraadpleegd en opgeslagen. Digitale informatie omvat zowel tekst, afbeelding, video als audio en kan in verschillende vormen (‘formats’) worden vastgelegd. Tekst (leestekens) kan worden vastgelegd in ASCII, RTF, PDF of in een vorm die eigen is aan een specifiek tekstverwerkingsprogramma. Afbeeldingen (stilstaande beelden) kunnen worden vastgelegd in TIFF, JPEG, GIF, BMP, PCX of PDF. Voor video (bewegende beelden) wordt meestal gebruik gemaakt van het format MPEG, AVI, MOV of EPS. En voor audio (geluid) zijn WAV, AU en MP3 de meest gebruikte digitale vormen.

  2. Opslag van informatie
    De informatie hoeft niet meer per se ‘in huis’ te zijn, maar kan overal ter wereld op een computer staan die is aangesloten op het internationale netwerk. Digitale informatie kan gedistribueerd worden opgeslagen in een groot aantal virtuele archieven die via specifieke protocollen met elkaar kunnen samenwerken.

  3. Ontsluiting en beschikbaarstelling van informatie
    Gebruikers hoeven niet meer naar de locatie te gaan waar de bibliotheek gevestigd is, maar kunnen vanuit elke plek in de wereld waar een telefoon staat de virtuele bibliotheek — of beter: het samenstel van virtuele archieven die met elkaar de universele bibliotheek vormen — raadplegen en informatie opvragen en overhalen.
Het gevolg hiervan is dat het begrip collectie in twee opzichten wordt verruimd. Het revolutionaire karakter van de omwenteling is dat intellectuele inhoud wordt bevrijd van materiële objecten. Informatie- en kennisbronnen kunnen gaan zweven in de oneindige ruimte van cyberspace en zijn daarin in principe vrij toegankelijk voor iedereen die toegang heeft tot het internet. Informatie- en kennisbronnen die op open elektronische netwerken zijn geplaatst kunnen door een willekeurig aantal individuen tegelijkertijd worden gebruikt zonder het gevaar dat deze bronnen op de een of andere manier uitgeput raken en zonder dat hierdoor anderen worden belemmerd om deze bronnen tegelijkertijd te benutten. Cyberspace kent geen schaarste.

Het gebruik van hypertekst op het internet vereist nieuwe navigatie- en indexeringssystemen. Omdat het vinden van de referentie en het vinden van het item waarnaar verwezen wordt bij elektronische publicaties samenvallen, zullen ook de ontsluitingssystemen gaan veranderen.

Boeken De universele bibliotheek is een bibliotheek die overal en nergens is. Ondanks het indrukwekkende opslagvermogen van de huidige digitale informatiedragers en ondanks alle progressie in de comprimeringsmethoden is het niet realistisch om te denken dat de universele bibliotheek ergens in een groot fysiek gebouw zal worden opgeslagen. De kern van de pan-cyberspace droom is de 'semantische federatie': het scheppen van lokale systemen die zodanig op elkaar zijn afgestemd dat zij door gebruikers als één collectie worden ervaren.

Index Tussen droom en daad liggen voetangels en klemmen

De harde werkelijkheid waarin de bibliotheken op dit moment verkeren maakt het moeilijk om de droom van een universele virtuele bibliotheek te realiseren. De belangrijkste problemen kunnen in de volgende punten worden samengevat.

  1. Budgettaire beperkingen
    De budgetten van de bibliotheken zijn veel te beperkt om de last van het digitaliseren van volledige collecties te dragen. Laten we 's werelds grootste bibliotheek als voorbeeld nemen, de Library of Congress (LOC). Volgens het National Digital Library Program (NDLP) moeten in het jaar 2000 al 5 miljoen items van de enorme collectie van de bibliotheek zijn gedigitaliseerd en online gezet. Dat lijkt ontzettend veel, maar het is nog lang geen digitale bibliotheek waar studenten en professionals echt onderzoekswerk kunnen verrichten. Op dit moment is nog minder dan een halve procent van de totale collectie - die 120 miljoen items bevat op ongeveer 530 mijl boekenplanken - gedigitaliseerd. Voor het digitaliseren van die 5 miljoen items heeft het Congres ongeveer 15 miljoen dollar uitgetrokken. De digitalisering zal in totaal ongeveer 60 miljoen dollar gaan kosten. De collectie van de LOC breidt zich elk jaar uit met zo'n 2,5 miljoen items. Om alleen al deze nieuwe items te digitaliseren is al 30 miljoen per jaar nodig (bijna 10 procent van haar jaarbegroting).
    De Library of Congress is ook qua budgettaire mogelijkheden een zeer geprivilegieerde instelling. De meeste andere bibliotheken kampen in verhouding met nog veel grotere financiële problemen. De openbare en universitaire bibliotheken hebben zwaar geleden onder de bezuinigingsmaatregelen van de overheden waarvan zij afhankelijk zijn. Zij staan nu voor een dubbele taak. Enerzijds moeten zij in de digitale toekomst investeren om in de pas te blijven met het tempo waarin steeds meer informatie naar cyberspace verhuist. Anderzijds moeten zij blijven investeren in het onderhoud van hun traditionele collectie van gedrukte boeken en tijdschriften. Geld dat wordt uitgegeven aan gedigitaliseerd materiaal kan niet worden besteed aan aanschaf en onderhoud van gedrukt materiaal. De openbare en universitaire bibliotheken zitten overal ter wereld in een klempositie waarin zij hun schaarse budgettaire middelen moeten verdelen over digitale en traditionele informatiebronnen, die in omvang beiden sterk toenemen. Misschien is het daarom wel realistisch om ervan uit te gaan dat slechts een fractie van de gedrukte boeken en tijdschriften ooit elektronisch beschikbaar zal zijn.

  2. Beperking van indexeringstechnologie
    Het indexeren van internetdocumenten is nog tamelijk primitief. Veel van de classificaties worden nog handmatig verricht. Dat geldt voor de SocioSite evenzeer als voor Yahoo! Naarmate het internet groeit wordt dit een erg kostbare en onpraktische werkwijze. Om het classificeren van elektronisch materiaal te vergemakkelijken en te versnellen zijn er automatische indexeringsprogramma's ontwikkeld. De huidige generatie automatische indexeringstechnologie is indrukwekkend. Zo maakt Ultraseek bijvoorbeeld gebruik van een indexeringsrobot die in staat is om 25 miljoen pagina’s per week te indexeren. Zodra de robot een nieuwe pagina ontdekt wordt deze direct gedownload. Als dit gebeurd is kan deze pagina na 100 milliseconde middels een zoekactie worden gevonden. Dat zoeken zelf gaat ook al heel snel. Per seconde kan Ultraseek 1000 zoekacties verrichten op een databestand van meer dan 1 miljard documenten.
    Ondanks deze niet geringe prestaties blijft de indexeringstechnologie beperkt. Digitaliseren van papieren kennisbronnen is geen kwestie van het onder de scanner leggen van boeken en tijdschriften. Pagina's die grafische elementen (plaatjes, foto’s, kaarten enz.) bevatten moeten handmatig worden voorzien van verborgen codes om ze indexeerbaar en zoekbaar te maken. In Amerika wordt dit handwerk tegenwoordig verricht door vrouwen in federale gevangenissen!
    Om beeldmateriaal en video's sneller te indexeren worden op dit moment software programma's ontwikkeld die in staat zijn om zowel visuele beelden als gesproken taal automatisch te classificeren en indexeren. Deze beeld- en stemherkenningstechnologie wordt onder andere ontwikkeld door het ‘Informedia’ project op de Carnegie Mellon universiteit in Pittsburgh.

  3. Beperking van zoektechnologie
    De huidige technologie van zoekmachines die gebaseerd op 'string matching' is al zo'n dertig jaar oud. Voor het zoeken in een paar miljoen documenten werkt dit tamelijk goed wanneer daarin een duidelijk gedefinieerde terminologie wordt gehanteerd. Maar deze technologie stuit op haar grenzen als ze wordt losgelaten op een web met zo’n 100 miljoen pagina’s met zeer uiteenlopend materiaal. Daarom wordt er steeds meer gebruik gemaakt van een zoektechnologie die gebaseerd is op statistische clustering. Hiermee worden woorden geteld, hun frequentie berekend en hun nabijheid tot andere woorden vastgesteld. Het blijft weliswaar gedachteloos tellen, maar met de relatief krachtige computers van tegenwoordig worden al resultaten behaald die op z'n minst een intelligente analyse van de natuurlijke taal simuleren.
    Knelpunt in de huidige zoektechnologie is - net als bij de indexering - het zoeken naar beelden en naar gesproken taal. Experimenten hebben laten zien dat het in principe mogelijk is ook deze barrière te doorbreken. In het eerder genoemde ‘Informedia&’ project in Pittsburgh is inmiddels software ontwikkeld waarmee men niet alleen naar visuele beelden en gesproken tekst kan zoeken, maar hiervoor ook als input gebruik kan maken van beelden en gesproken taal. Voer een foto van Diana in en laat je computer zoeken naar videoclips waarin haar gezicht voorkomt. Met behulp van statistische clustertechnieken is de computer in staat om tekst en beeld te integreren. De computer kan hierdoor het beeld dat wordt ingevoerd verbinden met de naam ‘Diana’, met ‘prinses’ en met visuele variaties van haar gezicht.

  4. Vluchtige aard van elektronische teksten
    Het belangrijkste probleem voor digitale bibliotheken is de nogal vluchtige aard van elektronische teksten. Materiaal verdwijnt, verhuist naar andere locaties, verandert drastisch van omvang en inhoud. Een internettekst kan gewijzigd zijn zonder dat ergens hoeft te worden aangegeven wat de status en de datum van de wijziging is.
    Een aantal van deze problemen kan worden ondervangen door het ontwikkelen van naamgevingsconventies en standaardprocedures voor de toevoeging en verwerking van metadata. Voor wetenschappelijke en gecontroleerde informatie zal een standaard ontwikkeld moeten worden voor door de auteur/uitgever toe te voegen meta-informatie (inclusief indicatie van status, kwaliteit, versie etc.). Deze meta-informatie zal deel uitmaken van het document zelf.

  5. Bescherming van intellectueel eigendom
    In de gemeenschap van internetgebruikers heeft zich de opvatting gevestigd dat de inhoud van het net vrij is. Gebruikers zijn niet bereid om iets te betalen voor de informatie die zij in websites aantreffen. Zij willen universele toegang tot alles. Bibliotheken zouden kunnen overwegen om een systeem te implementeren waardoor gebruikers moeten betalen voor elk item (eenheid van informatie) dat zij bekijken of downloaden (‘pay-per-view’). Maar voor bibliotheken zou dit betekenen dat zij veranderen in incassobureaus voor uitgevers. Bibliotheken zouden daarom ook kunnen kiezen voor een abonnementsmodel. In dit model brengen uitgevers het materiaal waarvan zij copyright houder zijn zelf op de open markt en leveren zij dit tegen speciale tarieven aan bibliotheken die hiervoor een abonnementsprijs als toegangsvoorwaarde stellen.

  6. Academische inertia: bluf en prestige
    Academisch prestige werd tot nu toe altijd opgebouwd en verworven met wetenschappelijke publicaties, d.w.z. door het schrijven van boeken en artikelen die door uitgevers worden geproduceerd en gedistribueerd. Het beloningssysteem voor wetenschappers is dus afhankelijk van conventionele publicaties die rang en status bepalend zijn. De echte beloning voor een wetenschappelijke publicatie komt niet zozeer uit de verkoop van het boek zelf, maar uit de progressie in rang, salaris en prestige welke door publicaties mogelijk worden gemaakt. Deze nauwe band tussen conventionele wetenschappelijke publicaties en het academisch prestige werkt als een conservatieve kracht op nieuwe elektronische publicatiemogelijkheden.
    Publiceren van wetenschappelijk materiaal via de nieuwe elektronische media heeft alleen kans van slagen wanneer de mechanismen van kwaliteitscontrole (‘peer reviewing’) worden overgedragen op de elektronische wereld. Zolang dit niet het geval is zullen veel academici weigeren om hun beste producten in de cyberruimte te plaatsen.
Voor het verwerkelijken van de droom van de ideale digitale bibliotheek moeten nog veel barrières worden genomen. De financiële beperkingen zijn waarschijnlijk het meest doorslaggevend. De beperktheid van de bibliothecaire budgetten kan misschien alleen worden gecompenseerd wanneer er nieuwe technologieën op de markt komen die de omschakeling naar een digitale bibliotheek goedkoper en sneller maken: het digitaliseren van gedrukt materiaal, het classificeren, het indexeren en het zoeken. De nieuwe experimentele technologieën die hiervoor ontwikkeld zijn, zijn wat dit betreft veelbelovend.

Niemand kan nog voorspellen waartoe deze ontwikkelingen in de toekomst zullen leiden. Maar men hoeft geen profeet te zijn om te voorspellen dat de hardste strijd gestreden zal worden onder het vaandel van de bescherming van intellectueel eigendom. Niet zozeer omdat de rechten van de auteurs —die verantwoordelijk zijn voor het scheppen van originele werken— in gevaar komen, maar omdat hun uitgevers niet bereid zijn om hun geprivilegieerde monopoliepositie in het centrum van het wetenschappelijke informatie- en communicatiesysteem op te geven. Daar staat tegenover dat de hele internettechnologie het mogelijk heeft gemaakt dat academici de producten van hun onderzoeks- en denkwerk nu direct kunnen publiceren, dus zonder tussenkomst van uitgeverijen of boekhandels. Zij kunnen rechtstreeks in de lucht schrijven die door alle mogelijke publieken kan worden ingeademd. Het is aan de wetenschappers zelf om uit te maken of zij van deze mogelijkheden gebruik willen maken.

Index Toekomst van openbare bibliotheek

Wat is de toekomst van de lokale openbare bibliotheek? Wie zal het zeggen. Degenen die baat hebben bij de mogelijkheden die het internet biedt voor directe en liefst gratis toegang tot alle mogelijke informatiebronnen (gedigitaliseerde teksten, plaatjes, video zowel als papieren boeken en tijdschriften)? Of de mensen die nu hun brood verdienen in de dienstverlening van lokale bibliotheken?

Sommige mensen maken zich zorgen om de toekomst van de openbare bibliotheek.

Voordat men zich afvraagt wat openbare bibliotheken kunnen doen om te vermijden dat zij overbodig worden, zou men een antwoord moeten geven op de vraag of het zin heeft om zich te verzetten tegen een (mogelijke) toekomst waarin iedereen vrijelijk toegang heeft tot het mondiale kennis- en informatiebestand dat dynamisch verbonden is via openbare elektronische informatienetwerken.

Het internet biedt toegang tot digitale informatiebibliotheken. Zij bieden zowel tekstuele als grafische informatie aan: volledige teksten, kleuren illustraties van fotografische kwaliteit, video en audio. Bovendien kan men op het internet gratis gebruik maken van een scala van bruikbare en steeds professioneler opgebouwde en publiek toegankelijke zoekmachines, systematische onderwerpgidsen en thematisch gespecialiseerde informatiesystemen.

Index Terugvechten: vonkjes hoop

Academische en openbare bibliotheken staan onder zware druk van de toenemende kostenstijging van bibliothecair materiaal dat zij van grote commerciële uitgeverijen betrekken. De Association of Research Libraries (ARL) heeft berekend dat sinds 1986 de abonnementsprijzen van tijdschriften met 147% is toegenomen en de prijzen voor monografieën met 63%. Onderzoeksbibliotheken besteden gemiddeld 124% meer geld aan 7% minder tijdschriften. Wat kunnen bibliotheken zelf doen om deze bedreiging van hun collecties af te slaan?

Tot nu toe hebben bibliotheken een aantal strategieën gehanteerd om hun begrotingen in balans te brengen en hun koopkracht uit te breiden: het opzeggen van tijdschriften, minder monografieën aanschaffen, delen van bronnen en gezamenlijke inkoop. Met deze strategieën is men er echter niet in geslaagd om de algemene kosten van bronnen te verlagen. Laat staan dat zij erin geslaagd zijn om invloed uit te oefenen op de uitgeverswereld. Elke bibliotheekdirectie beseft dat zij in haar eentje niet in staat is om de gevolgen van de prijsspiraal te keren. Daarom proberen zij een uitweg te vinden door verdergaande samenwerking, het gebruik van nieuwe technologieën en het ontwikkelen van nieuwe publicatie- en distributiemodellen.

Het huidige publicatie- en distributiemodel is eenvoudig. De resultaten van overwegend met overheidsgelden gefinancierd wetenschappelijk onderzoek worden naar uitgevers gebracht die in ruil voor de belofte van publicatie eisen dat de auteur zijn copyrights aan hen overdraagt. De uitgevers verkopen vervolgens het materiaal weer terug aan de academische gemeenschap. Facultaire en universitaire bibliotheken worden net als de academici en hun studenten gedwongen om zeer hoge prijzen te betalen voor hun informatie- en studiebronnen omdat de producenten van wetenschappelijk materiaal hun producten afstaan aan commerciële uitgeverijen. Bovendien wordt de economische macht in de wetenschappelijke publicatiebranche steeds sterker geconsolideerd in handen van slechts een paar grote commerciële ondernemingen. Het meest recente voorbeeld is de fusie tussen de Engels-Nederlandse onderneming Reed Elsevier en zijn voormalige concurrent, Wolters Kluwer. De nieuwe onderneming wordt de grootste uitgever van academische tijdschriften in de hele wereld (2200 titels).

Wat kunnen universitaire en facultaire bibliotheken doen om zich te ontworstelen aan deze extreme monopolisering in de uitgeverswereld? De commerciële uitgevers hebben zich tot nu toe Oost-Indisch doof gehouden voor protesten uit de academische wereld. Daarom heeft de ARL in oktober 1997 besloten een nieuwe coalitie van wetenschappelijke bibliotheken te vormen: Scholarly Publishing & Academic Resources Coalition (SPARC). Deze coalitie heeft een drieledige taak:

SPARC wil samenwerkingsverbanden aangaan met bibliotheken die lid zijn van de ARL, met wetenschappelijke verenigingen, universitaire uitgeverijen en andere organisaties die dezelfde academische waarden delen en belang hebben bij het ontwikkelen van nieuwe strategieën voor kostencontrole en verbetering van toegang tot onderzoeksinformatie.

Men kan op goede gronden twijfelen aan de mogelijkheid om het concentratieproces in de commerciële uitgeversbranche om te keren. Integendeel, het is veel waarschijnlijker dat de monopolisering in deze sector zich op wereldschaal nog veel sterker zal doorzetten. Dat neemt niet weg dat door versterking van de samenwerking met universitaire uitgevers enig tegenwicht geboden kan worden. Het meest succesvol lijkt echter toch een strategie die volledig breekt met het traditionele academische publicatie- en distributiemodel. Om de vrije toegang tot informatie voor onderzoek en onderwijs te realiseren zal het hoofdaccent gelegd moeten worden op het innovatief gebruik van de nieuwe communicatie- en publicatietechnologie die het internet ons biedt.

Index Informatiebronnen
Boeken

Index
Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

26 September, 2013
Eerst gepubliceerd: November, 1997