Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

Virtuele Gemeenschappen English Version

— Bouwstenen voor een sociologie van het internet —

dr. Albert Benschop

Tijd voor revisies
    Basisbegrippen op de tocht
    Onderzoeksagenda
Netwerken van de toekomst
    Wat is een netwerk?
    Niveaus van handelingsintegratie
    Aanwezig en nabij
    Twee typen van sociale relaties
    Gemeenschappen
    Virtuele simulatie van nabijheid
    Thomas Theorema Revisited
    Manmoedige lofzang op het lokale
Sociale aanwezigheid
Kwantiteit schept kwaliteit
Traditionele & virtuele gemeenschap
    Traditionele, lokaal verankerde gemeenschappen
    Virtuele, computergemedieerde gemeenschappen

Politieke gevolgen
Face-to-face of Virtueel?

Informatiebronnen

Gerelateerde teksten
Index Zichzelf-organiserende netwerken
Index Peer-to-peer: netwerken van vrienden
Index De mobiele samenleving
Index Flitsmeute: happening voor internetters

Tijd voor revisies en nieuwe concepten

Basisbegrippen op de tocht
De analyse van virtuele netwerken en gemeenschappen stelt sociale wetenschappers voor aanzienlijke problemen. De belangrijkste oorzaak hiervoor is dat het begrippenapparaat waarmee zij lokale netwerken en gemeenschappen te lijf gaan niet goed is toegesneden op de ontcijfering van hun virtuele tegenhangers. Basisbegrippen van de predigitale sociologie zijn daarom toe aan een grondige revisie. Dit geldt niet alleen voor de begrippen «sociaal handelen», «interactie», «sociale relatie» en «netwerken van sociale relaties«, maar ook voor begrippen als «groep», «gemeenschap», «organisatie» en «maatschappij». Bovendien is het nodig een aantal nieuwe begrippen te introduceren om vat te krijgen op de eigenaardigheden van sociale figuraties die zich volledig of primair via het internet reproduceren. Nieuwe basisbegrippen zijn bijvoorbeeld ‘virtuele relatie’, ‘virtuele gemeenschap’, en ‘teleaanwezigheid’. Deze geherdefinieerde en nieuwe begrippen zijn belangrijke bouwstenen voor een sociologie van het internet.

Hier wordt een begin gemaakt met deze revisie. Centraal in deze inleiding op de internetsociologie staan de verschillen en overeenkomsten tussen direct persoonlijke (face-to-face) relaties en virtuele (computergemedieerde) sociale relaties. Daarbij aansluitend worden overeenkomsten en verschillen tussen traditionele en virtuele gemeenschappen onder de loep genomen.

virtuele gemeenschap Er zijn inmiddels veel studies verricht naar virtuele gemeenschappen. Daaruit kunnen vier algemene conclusies worden getrokken.

Index


Onderzoeksagenda
De onderzoeksagenda’s van de internetsociologen staan echter nog vol met lastige open vragen: Al deze vragen bij elkaar resulteren in een zeer omvangrijk sociaalwetenschappelijk onderzoeksprogramma. In deze bijdrage beperk ik me tot het essentiële paradigma van dit programma. Ik zal daarom eerst een antwoord proberen te vinden op de meest fundamentele vragen. We gaan dus op zoek naar de ‘harde kern’ van een sociologisch onderzoeksprogramma voor (in meer of minder sterke mate) gevirtualiseerde sociale relaties, netwerken, gemeenschappen, organisaties, en samenlevingen.

Eisen aan een theorie
Van een sociaalwetenschappelijke theorie wordt niet alleen verwacht dat ze begrippen op een consistente manier definieert en de factoren benoemt die relevant zijn voor de verklaring van het kennisobject. Van een theorie over de virtuele sociale wereld mag worden verwacht dat ze gefundeerde uitspraken bevat over afhankelijkheidsrelaties tussen deze relevante factoren (en dat er dus onderbouwde uitspraken worden gedaan over functionele, structurele of historisch-causale verbanden). Bovendien zouden deze uitspraken in goed afgebakende en empirisch toetsbare hypothesen moeten worden samengevat, geoperationaliseerd en door empirisch-historisch onderzoek getoetst moeten worden.

Die harde kern bestaat enerzijds uit de explicatie van centrale probleemstellingen (probleemstructurering), en anderzijds uit de identificatie en afbakening van basisbegrippen. Dat is dus nog geen theorie in de zin van (i) een geordend systeem van helder gedefinieerde begrippen waarin de onderlinge verbanden tussen die begrippen zijn geëxpliciteerd, (ii) een samenhangend heuristisch model waarin de verschillende niveaus waarop virtueel sociaal handelen is geïntegreerd of geaggregeerd duidelijk van elkaar worden onderscheiden; (iii) uitspraken over de historisch-causale, functionele of structurele oorzakelijke verbanden tussen fenomenen van de virtuele wereld.

We ontwikkelen hier dus (nog) geen ‘theorie’ in de strikte wetenschappelijke zin van het woord, maar protheorie [Bader/Benschop 1988; Benschop 1993/2017]. Zo’n protheoretische benadering heeft een aantal voordelen.

Wie op zoek is naar die ene, superdelux-allesomvattende-totaaltheorie van de gevirtualiseerde sociale werkelijkheid moet dus nog even geduld hebben: “you can’t always get what you want.”

Index Geen tweedehands wereld

Een virtuele gemeenschap is een verzameling mensen die ‘virtueel’ een gemeenschap vormen in plaats van een ‘werkelijke’ gemeenschap in de lokale of nostalgische zin van het woord.

Een virtuele gemeenschap is geen technologische, cyberpunkfantasie waarin mensen leven in tweedehands werelden. In werelden waarin zij, geketend aan hun computerschermen, het leven ervaren via een dehumaniserende technologie in plaats van door menselijk contact en intimiteit. Dat is de negatieve utopie waarin de mens bestuurd en geknecht wordt door ‘de technologie’ in plaats van omgekeerd.

Sceptische sociologen
Sociale wetenschappers discussiëren al jaren over de sociale gevolgen die het internet als medium van communicatie heeft. De sceptici brengen drie argumenten in het geding.
  • Ten eerste zou het internet als communicatiemedium niet echt nieuw zijn. Al lang voor de opkomst van internet maakten we gebruik van elektronische communicatietechnologieën zoals telegraaf en telefoon. Tom Tyler concludeerde: “In many case the Internet seems to have created a new way of doing old things, rather than bein a technology that changes the manner in which people live their lives. As a consequence, the policy implicaties of increasing Internet use may be less than is often believed” [Tyler 2002].

  • Zelfs al zou het internet nieuw zijn dan is het tweede argument dat het internet net als andere electronische media, geen nieuwe socialle verbindingen genereert omdat online interactie meestal is ingebed in de bestaande netwerken van face-toface contact [Putnam 2000 - Bowling Alone].

  • In situaties waar nieuwe sociale relaties ontstaan in virtuele omgevingen dan zijn dergelijke relaties meestal oppervlakkig en onbetekenend [Calhoun 1998 - Community without Propinquity]. Virtuele sociale relaties zouden hoogstens zwakke duiventil-relaties kunnen zijn. Daarom zouden internetgebruikers minder sociaal betrokken zijn, en meer eenzaam en depressief [Kraut e.a. 1998, maar niet in latere publicaties].
De sceptici geloven niet dat het internet zo revolutionair en transformerend is als anderen suggereren.

Howard Rheingold
Howard Rheingold
Een virtuele gemeenschap is een gemeenschap die uitsluitend of primair ontstaat door computergemedieerde of digitale communicatie. De waarschijnlijk eerste, en voor velen oriënterende sociologische definitie van online gemeenschappen werd geformuleerd door Howard Rheingold. In The Virtual Community [1993:5] definieerde hij virtuele gemeenschappen tamelijk losjes maar toch redelijk scherp als “sociale aggregaties die vanuit het internet ontstaan wanneer voldoende mensen voldoende lang publieke discussies voeren, met voldoende menselijk gevoel, om netwerken van persoonlijke relaties in cyberspace te vormen.”

In deze definitie ligt de nadruk op de relatieve duurzaamheid van de communicaties via het internet en ontbreekt een ruimtelijke dimensie. Rheingold gebruikt een biologische analogie om de gemeenschap binnen cyberspace te beschrijven. Hij vergelijkt een virtuele gemeenschap met het model van een petrischaal:

De gemeenschappen in cyberspace zijn gedeeltelijk ontstaan als reactie op het verdwijnen van informele publieke ruimtes in het lokale leven. Maar zij zijn ook en vooral het resultaat van de pioniersgeest van netsurfers die tot virtuele gemeenschappen werden aangetrokken omdat de interactie met andere mensen op een volledig nieuw niveau plaats vindt.

Internet is het grootste ooit door mensen creëerde netwerk. Mensen met gelijksoortige belangen, verlangens, interesses, hobby’s of politiek-culturele oriëntaties kunnen elkaar met slechts een paar muisklikken bereiken. Tegenwoordig weet iedereen: internet is de snelste en meest effectieve manier om het grootste aantal mensen te bereiken.

Index


Sociale interrealiteit
In virtuele gemeenschappen kunnen mensen alles doen waarvoor hun lichamelijke aanwezigheid en fysieke nabijheid tot anderen niet vereist is. Als je feitelijk en duurzaam in virtuele werelden verkeert dan vervaagt de scheidslijn tussen ‘echt’ en ‘virtueel’ of tussen het fysiek-lokale en het synthetisch-globale domein. Er ontstaat een hybride geheel van lokale en virtuele sociale werkelijkheid, een interrealiteit. We leven tegelijkertijd en permanent in twee werelden: met het ene been vast verankerd in de lokale wereld van de fysieke objecten en lichamen, en met het andere been losjes surfend over de digitale snelwegen van het internet. Wat doet het er eigenlijk toe of je een digitaal document op een website leest of een artikel in een papieren tijdschrift? En wat doet het er nog toe dat je nu eens met je vrienden via internet ervaringen uitwisselt en dan weer in je eigen stamkroeg? Online gemeenschappen zijn in het bijzonder voor de jongere generaties een alledaagse —en in die zin normale— en vitale bestaansconditie geworden.

Index Netwerken van de toekomst

Afbakening van het begrip netwerk
Netwerkanalyses zijn er tegenwoordig in alle soorten en maten. Sommige netwerktheoretici sluiten direct aan op de ruiltheoretische benadering van Peter Blau. Anderen bouwen voort op de oudere sociometrische benaderingen, de recentere communicatietheoretische benaderingen of op de meer empirisch georiënteerde cultureel-antropologische onderzoekstraditie. Meer recent is de belangstelling voor het scale-free model van Barabási, waarin de basismechanismen van zichzelf organiserende netwerken worden gethematiseerd en het accent ligt op de machtsvorming in netwerken. Het netwerkconcept kan dus in zeer uiteenlopende theoretische referentiekaders worden gebruikt.

Wie in de huidige sociologische literatuur naar een heldere afbakening van het begrip netwerk zoekt, moet zich op een teleurstelling voorbereiden: het begrip ‘netwerk’ zelf is allesbehalve eenduidig. Netwerken worden niet alleen vanuit zeer diverse theoretische optieken gethematiseerd, maar het onderzoeksobject zelf lijkt in de laatste jaren aanzienlijk van karakter veranderd te zijn. De virtualisering van persoonlijke sociale relaties en netwerken vereist een revisie van de begrippen ‘sociale relatie’, ‘netwerk’, en ‘organisatie’.

In sommige sociologische benaderingen wordt het netwerkbegrip zo sterk opgerekt dat het praktisch allesomvattend wordt. Het netwerkperspectief groeide uit tot een ‘mainstream’ perspectief. Verhandelingen over de netwerksamenleving waren hiervan het gevolg. ‘Netwerk’ dreigt hierdoor een wat vermoeiende zo niet overspannen metafoor te worden.

Index


Niveaus van handelingsintegratie
Het is gebruikelijker en voor sociologisch onderzoek veel vruchtbaarder om netwerken te definiëren als een specifiek niveau van sociale handelingsintegratie. Daarbij is het van belang om een helder analytisch onderscheid te maken tussen drie niveaus van sociale handelingsintegratie: op maatschappelijk, organisationeel en interactioneel niveau. Vanuit een transformationeel perspectief wordt dit analytische model uitvoerig behandeld in: Naar een nieuwe economische sociologie [zie ook: Bader/Benschop 1988:61; Benschop 1993:75 e.v.]. Volgens het transformationele model van handelingsanalyse is het sociaal handelen van menselijke individuen ingebed of geïntegreerd in drie contexten:
  1. in netwerken van persoonlijke relaties: interactionele handelingscontext;
  2. in patronen van organisationele relaties: organisationele handelingscontext;
  3. in structuren van meer omvattende maatschappelijke verhoudingen: maatschappelijk handelingscontext.
Het interactionele integratieniveau omvat sociale handelingen die zich voltrekken in directe sociale aanwezigheid van actoren: face-to-face interactie en persoonlijke conversatie. Interactiesystemen ontstaan en reproduceren zich onder aanwezigen, dat wil zeggen wanneer de aanwezigen waarnemen dat zij elkaar waarnemen en deelnemen aan de communicatie. De inbedding van sociaal handelen in netwerken van persoonlijke relaties is slechts één —en niet op voorhand het belangrijkste— niveau van handelingsintegratie.

Niveaus van maatschappijanalyse Systeemniveau Handelingsniveau
Maatschappelijk Omvattend sociaal systeem Maatschappelijk handelen
Organisationeel Organisaties en instituties Organisationeel handelen
Interactioneel Directe sociale interactiesystemen:
dyadische sociale relaties & netwerken
Interactioneel of rolhandelen

De klassieke en moderne sociologen zijn er tot nu toe altijd van uitgegaan dat het interactionele niveau van handelingsintegratie fysieke nabijheid veronderstelt. Persoonlijke interactie zou alleen maar mogelijk zijn wanneer er sprake is van een directe tijdruimtelijke verbinding tussen minstens twee personen (copresence). Alleen in deze situatie zouden de twee kenmerkende eigenschappen van persoonlijke interactie volledig tot hun recht kunnen komen: rijkdom van informatiestroom (media richness) en facilitatie van terugkoppeling (feedback).

Index


Aanwezig en nabij
In de klassieke formulering van Erving Goffman werd deze conditie van copresence als volgt geformuleerd: De stelling van Goffman is dus dat sociale relaties en interactiesystemen onstaan en zich reproduceren onder mensen die aanwezig zijn. De aanwezigen kunnen waarnemen dat zij elkaar waarnemen en deelnemen aan de communicatie. De aanwezigen moeten zo dicht bij elkaar zijn (‘close enough’) dat zij elkaars aanwezigheid kunnen waarnemen en direct met elkaar kunnen communiceren. Maar deze nabijheid moet niet eenzijdig als fysieke nabijheid resp. afstand worden gedefinieerd die gemeten kan worden in het aantal meters dat de lichamen van individuen van elkaar verwijderd zijn.

Ik zal hieronder laten zien dat voor het ontstaan en de reproductie van sociale relaties en interactionele netwerken niet zozeer fysieke, dan wel sociale aanwezigheid is vereist en dat deze ook tot stand kan komen in louter virtuele omgevingen. In deze omgevingen zijn de deelnemende individuen slechts virtueel (computergemedieerd) aanwezig, maar kunnen zij wel degelijk de sociale aanwezigheid ervaren en nabijheid van anderen waarnemen.

Kans op directe interactie
Veel sociologen namen de media van het alledaagse leven voor lief en kenden weinig betekenis toe aan de technologie in het communicatieproces [Benschop 2012 - De mobiele samenleving]. Zelfs Erving Goffman, de meest scherpzinnige waarnemer van alledaagse routines schrijft zelden over de telefonische communicatie [Katz/Aakhus 2002:10].

Goffman werkte in een tijdperk waar telefonie al gevestigd was, maar dit speelde geen rol voor de algemene focus van zijn werk. Hij nodigt zijn lezers telkens uit om hun aandacht te richten op sociale situaties waarbij hij in het algemeen interactie in fysieke copresentie bedoelde [Goffman 1959:238].

    “Een sociale situatie kan ... worden gedefinieerd als elke omgeving waarin wederzijdse waarneming mogelijk is die duurt zolang twee of meer individuen in elkaars directe fysieke aanwezigheid verkeren en die zich uitstrekt over het hele gebied waarbinnen deze wederzijdse waarneming mogelijk is” [Goffman 1967:167 - Ritual Interaction].
De conditie van copresentie is dat individuen zo dicht bij elkaar zijn dat zij van elkaar kunnen waarnemen wat zij doen [Goffman 1963:17 -Behavior in Public Places]. Goffman benadrukt echter dat het meest wat hij schrijft over interactierituelen zowel geldt voor directe als indirecte ontmoetingen [Goffman 1967:5,33]. Het bijzondere van directe persoonlijke contacten is volgens hem dat dit “unieke informationele voorwaarden” biedt: gelijktijdige aanwezigheid in een ruimtelijk verband biedt “de fysieke mogelijkheid van gesproken interactie”, inclusief lichaamstaal [idem:33].

Goffman beweert niet dat fysieke nabijheid de enige noodzakelijke voorwaarde is voor het ontstaan van betekenisvolle sociale interactie. “Personen moeten het gevoel hebben dat zij dicht genoeg bij elkaar zijn om van elkaar te kunnen waarnemen wat zij doen” [Goffman 1963:17]. Daaruit zou men kunnen concluderen dat het bij Goffman strikt genomen niet gaat om de fysieke aanwezigheid, maar vooral om het gevoel van nabijheid, d.w.z. om de ervaring dat men elkaars gedrag wederzijds kan observeren. Dit gevoel van nabijheid komt gemakkelijk tot stand in situaties van fysieke nabijheid, maar het kan evenzeer optreden bij gemedieerde interacties.

Toch zijn er diverse passages waarin Goffman begint de mogelijkheid te onderzoeken van het ensceneren van interactie via —of ondanks— de telefoon. Hij suggereert dat telefonie een activiteit is die achter de coulissen (backstage) wordt uitgevoerd. Hij schrijft:

    Achter de coulissen “worden instrumenten zoals de telefoon weggeborgen, opdat zij voor privé-doeleinden gebruikt kunnen worden” [Goffman 1959:112].
Er zijn ook hedendaagse sociologen die nog denken dat betekenisvolle sociale relaties en sociale cohesie de fysieke nabijheid van anderen vereist. Randell Collins is heel consistent met zijn bewering dat rituele interactie per definitie een activiteit is die zich alleen maar kan voltrekken wanneer personen gelijktijdig in elkaars fysieke nabijheid zijn — copresent [Collins 2004;78] Zie uitvoeriger: Manmoedige lofzang op het lokale.

Index


Twee typen van sociale relaties
In moderne netwerktheorieën wordt meestal een onderscheid gemaakt tussen twee typen van sociale relaties: (a) dyadische of paarsgewijze relaties: relationele inbedding; (b) netwerken van sociale relaties: structurele inbedding. Netwerken van sociale relaties komen tot stand middels institutionalisering van wederzijdse gedragsverwachtingen. Hieruit ontstaan relatief duurzame sociale verplichtingen, zoals respect & piëteit; genegenheid, vriendschap, liefde; trouw, steun, loyaliteit, collegialiteit en kameraadschap.

Sociale sluiting De posities die mensen in interactienetwerken innemen zijn de resultante van twee nauw op elkaar aansluitende sociale processen:

Door deze beide vormen van sociale discriminatie worden de uitgeslotenen beroofd van relatiekansen en van de daaraan verbonden materiële en immateriële voordelen.

Sociale sluiting leidt enerzijds tot selectieve associaties tussen mensen die beschikken over een gelijksoortig bronnenpotentieel en anderzijds tot patronageverhoudingen tussen mensen die niet over een gelijksoortig bronnenpotentieel beschikken. Selectieve associaties zijn netwerken van sociale relaties tussen gelijken. De transacties in de sociale relaties tussen —ongeveer— gelijken berusten op wederkerigheid en zijn —ten minste op de lange duur— ongeveer complementair of gelijk. Bekende voorbeelden van selectieve associaties zijn exclusieve bindingen tussen familieleden en verwanten, persoonlijke vriendschapsrelaties en vriendenkringen, intieme erotische en liefdesrelaties, gemeenschappen van dorps-, buurt-, straat- en huisgenoten, bindingen tussen jaargenoten op scholen en universiteiten, professionele bindingen tussen beroepsgenoten, collegiale bindingen tussen bedrijfsgenoten. In de sociologische traditie worden deze selectieve associaties meestal ‘gemeenschappen’ genoemd.

Index


Gemeenschappen: definitie, grondslagen en uitingsvormen
Gemeenschappen zijn relatief duurzame, min of meer geïnstitutionaliseerde, maar niet noodzakelijk geformaliseerde interactienetwerken van individuen die eenzelfde of gelijksoortige sociale positie innemen of die dezelfde of gelijksoortige belangen of verlangens nastreven. Het zijn kringen van persoonlijke relaties tussen individuen die elkaar persoonlijk kennen of elkaar gemakkelijk kunnen ontmoeten. Deze netwerken van sociale relaties ontstaan niet alleen in maatschappelijke arbeids- en levensverhoudingen of in primaire interactiegroepen zoals families, maar ook binnen en in aansluiting op formele organisaties, betrekkingen tussen organisaties, ruilrelaties enzovoort. Face-to-face interacties en interactienetwerken ontstaan niet alleen quasi spontaan, maar zijn ook het resultaat van een specifieke activiteit: relatie-arbeid. Relaties worden gezocht en aangeknoopt, op- en uitgebouwd, gekoesterd en in stand gehouden, uitgebreid en geïnstitutionaliseerd. Dit kan zowel bewust en gericht gebeuren, maar ook min of meer terloops en onbewust.

Het lidmaatschap van een gemeenschap komt tot uiting in twee factoren:

  1. De feitelijke participatie in de sociale interacties die typerend zijn voor de betreffende gemeenschap. Dit is vooral van belang in bedrijfs- en beroepsgebonden associaties, in gezins- en buurtrelaties en in vriendenkringen. Men is lid van een gemeenschap in die mate dat men daadwerkelijk deelneemt aan de activiteiten die kenmerkend zijn voor het karakter en de reproductiewijze van de gemeenschap.

  2. De feitelijke acceptatie binnen de sociale relaties: wie tot een bepaalde gemeenschap behoort wordt door andere leden van deze gemeenschap als gelijke geaccepteerd (‘referentiegroep’). Dit was de ratio van Lloyd Warner’s gemeenschapsbenadering: de leden van een sociale gemeenschap hebben ‘intieme toegang tot elkaar’ en zij hebben ‘intieme kennis van elkaar’.
Sociale relaties en gemeenschappen zijn altijd ook nuttige verbindingen die specifieke beloningen impliceren, zoals vertrouwen en emotionele steun, maar ook materiële ondersteuning. Mensen zijn om zeer uiteenlopende reden lid van een bepaalde gemeenschap. Het lidmaatschap van geloofsgemeenschappen is meestal overwegend traditioneel gemotiveerd (piëteit met het geloof van de ouders). Het lidmaatschap van vriendenkringen is meestal primair affectief gemotiveerd (sympathie voor bepaalde personen). Zo kan het lidmaatschap van politieke gemeenschappen primair normatief gemotiveerd zijn (legitimiteit van bepaalde doelstellingen) of juist primair utilitair (goed voor het eigenbelang). In werkelijkheid hebben mensen meestal samengestelde en soms tegenstrijdige motieven om zich met een bepaalde gemeenschap te verbinden en daarvan lid te blijven.

Aan het saamhorigheidsgevoel dat zo kenmerkend is voor een gemeenschap liggen dus meerdere motieven ten grondslag. Het gebruik van de sociale relaties die in een gemeenschap zijn verdisconteerd impliceert altijd ook een specifieke utilitaire oriëntatie, namelijk de bereidheid om deze relaties te benutten om particuliere —persoonlijke of groepsspecifieke— voordelen te behalen [Boissevain 1974:154]. De gemeenschapsrelaties en de personen die daarin participeren worden dus altijd tot op zekere hoogte —bewust, voorbewust of onbewust— strategisch geobjectiveerd, ook al komen gemeenschappen niet uitsluitend of hoofdzakelijk om utilitaire redenen tot stand. Net als in emotionele en erotische verhoudingen is hier de strategische objectivering van de Ander bijzonder opvallend: ‘partners’ worden ‘objecten’. Personen worden tot waterdragers of stijgbeugels, nuttige idioten, of tot lust- of liefdesobjecten gemaakt. In alle menselijke betrekkingen vindt men aspecten van een dergelijke strategische objectivering terug. Dit is alleen maar een schandaal voor wie gelooft in het idee van ‘relaties om wille van zichzelf’ (dit naïeve idealistische concept is slechts de keerzijde van het beperkt burgerlijke egoïsme). Vanuit een normatief-democratisch perspectief is het schandaal echter niet dát men andere mensen gebruikt of benut, maar wanneer dit structureel asymmetrisch gebeurt. Het verlenen van vriendendiensten is zelfs een kernelement van elke vriendengemeenschap.

Index


Virtuele simulatie van nabijheid
De combinatie van computer- en telecommunicatietechnologieën heeft geleid tot revolutionaire tijdruimtelijke verdichting: versnelling van de tijd en contractie van de ruimte. Hierdoor zijn volledig nieuwe mogelijkheden voor directe persoonlijke interactie en communicatie ontstaan. Bijna alle vormen van interactie en communicatie kunnen via op het internet aangesloten computers, laptops, tablets of smartphones verlopen. Door deze computergemedieerde communicatie wordt de oude premisse van de copresentie voor persoonlijke sociale relaties en netwerken in toenemende mate achterhaald.

“One of the factors that will drive videoconferencing into the mainstream is that it saves on travel expenses. However, what really separates the teleconference from the conference call, what makes videoconferencing so provocative, is the whiteboard. This particular application can be used to mutually manipulate charts and graphs, or to effectively communicate some other visual, such as the x-ray …” [Danielle M. Underferth]
Interacties die vroeger face-to-face verliepen worden steeds meer door computers gemedieerd. Sociale interactie en communicatie kunnen digitaal worden gerepliceerd. Met de huidige internettechnieken kunnen zowel tekst, geluid als beeld op een geïntegreerde wijze digitaal worden gedupliceerd en gedistribueerd.

Voor directe sociale interactie zijn twee elementen van essentieel belang: stem en gelaatsuitdrukking. Zij zijn bepalend voor het gevoel van sociale aanwezigheid van de ander en van het reciproke gevoel door de ander geaccepteerd te worden. Door de gedigitaliseerde hereniging van gezicht met stem wordt fysieke nabijheid zo goed als werkelijk, dus virtueel gesimuleerd. De aanwezigheid van de communicatiepartner wordt ervaren als sociale werkelijkheid. Virtuele communicatie via het internet biedt steeds betere mogelijkheden om het gevoel van sociale aanwezigheid te creëren. Hierdoor zullen de grenzen tussen face-to-face en gemedieerde interacties steeds meer vervagen, zonder dat zij helemaal verdwijnen.

Niet alle vormen van socialisatie zijn echter via digitale media overdraagbaar. Ondanks alle experimenten die er in deze richting worden ondernomen kunnen wij elkaar via computers niet echt ruiken en voelen. Voorzover ‘aanraken’ via complexe computerapparatuur wel mogelijk is (‘cybersuits’), kan dit bij lange na niet tippen aan de hoge sensibiliteit van onze tastorganen. Vooral bij intieme persoonlijke relaties is dit een enorme handicap. Zolang televoelen en teleruiken onmogelijk of uiterst beperkt zijn, wie verlangt er dan naar ‘televrijen’.

Computers kunnen direct menselijke interacties nooit volledig mediëren om de eenvoudige (maar zeer essentiële) reden dat computers geen menselijk lichaam hebben. Mensen voelen of weten bepaalde dingen omdat zij een menselijk lichaam hebben. Geen enkel technologisch apparaat zonder menselijk lichaam kan deze dingen voelen of weten op de zelfde wijze dat mensen ze voelen of weten. In discussies over kunstmatige intelligentie is dit het cruciale argument waarom computers nooit echt intelligent kunnen zijn. Omdat computer geen menselijk lichaam hebben, kunnen zij de typisch menselijke ervaringshorizon niet dupliceren.

Wat ruik je lekker ...
Van alle diersoorten heeft de mens zo ongeveer het slechtste reukvermogen. Dit betekent echter niet dat ons reukvermogen onbelangrijk is of ondergeschikt is aan de andere zintuigen waarmee wij het contact met de buitenwereld tot stand brengen en waarmee wij ons op de wereld om ons heen oriënteren. Baby’s van drie weken oud zijn al in staat om het T-shirt van hun moeders feilloos uit een berg ongewassen kleren te selecteren, louter door te ruiken. Lichaamsgeur speelt een grote rol bij het selecteren van mensen die we leuk, aardig of lief vinden. Leg aan mensen foto’s voor van andere mensen en vraag met welke persoon zij een avondje zouden willen uitgaan. De antwoorden die men geeft blijken niets te maken te hebben met de ‘schoonheid’ van de mensen op de foto’s, maar alles met de subtiele geuren die tijdens het bekijken van de foto’s onopgemerkt in de kamer worden verspreid.

Of wij iemand leuk, aardig of aantrekkelijk vinden wordt in sterke mate bepaald door de geur van die persoon. Vanuit dit inzicht is het niet verwonderlijk dat er rond de parfum zo’n uiterst lucratieve industrie is ontstaan. En misschien verklaart dit ook wel waarom het boek van Patrick Süskind, Het Parfum, zo’n wereldwijd succes werd.

Mensen kunnen elkaar alleen maar ruiken wanneer zij lijfelijk aanwezig zijn in een relatief beperkte ruimte waarin hun lichamen zich relatief dicht bij elkaar bevinden. Tot nu toe waren we alleen onder deze condities in staat de lichaamsgeuren van een ander te ruiken. De vraag is of wij ook in staat zullen zijn om via computers geuren te verspreiden en te ruiken. Kan de wereld van de geur worden toegevoegd aan de mens-machine interactie?

Ik kan je ruiken Volgens het bedrijf RealAroma was dit al in 1996 mogelijk. Het enige dat je hiervoor nodig hebt is een RealAroma Drive en ATML (Aroma Text Markup Language). Met behulp van deze twee (hard- en software) instrumenten zouden we in realtime via het internet reuksensaties kunnen uitwisselen. Zelfs bezitters van een 14.4k baud modem zouden kunnen genieten van de goddelijkste geuren omdat alle geurconversies lokaal plaatsvinden in de RealAroma Drive. De foto van deze drive zag er zeer realistisch uit: een kastje met daarop drie reageerbuisjes met basisgeuren, plus het gepatenteerde 3-Vile-syteem dat volgens de instructies uit de ATML-code precieze hoeveelheden van die drie geuren door elkaar mengt tot een uniek ruikend gas, dat aan de voorkant van het apparaat naar buiten kringelt. We kunnen nu eindelijk onze neus gebruiken bij het communiceren, onder het motto ‘surf and smell’.

De enige beperking leek te zijn dat het server bèta programma alleen werkte op Mac en HP UX besturingssystemen en dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het ooit op Windows zou werken. Bovendien was er zoveel vraag naar dit nieuwe product dat het voorlopig niet meer mogelijk was om nieuwe bestellingen te plaatsen. Dat was jammer. Maar het was nog veel vervelender dat het hier slechts om een aardig gepresenteerde grap ging.

Als we onze vrienden en vriendinnen willen ruiken, zullen we het vooralsnog op de ouderwetse manier moeten doen. We zoeken ze op, gaan er zo dicht mogelijk bijstaan en halen diep adem met onze mond dicht. “Goh, wat ruik jij weer lekker...” In het tijdperk van elektronische, computergemedieerde communicatie is dit natuurlijk wel een erg primitieve vorm van communiceren. Maar wie zou het willen missen?

Enkele jaren na de grap van RealAroma werden er serieuze pogingen gedaan om digitale geurtechnologie te ontwikkelen. Digitale geurtechnologieën worden inmiddels over de hele wereld ontwikkeld en op de markt gebracht. Actuele informatie over deze nieuwste internettechnologie is te vinden in het Digital Scent Technology Blog. “The internet comes to its senses”.

Geuren kunnen echter niet zoals beeld en geluid volledig en dus restloos worden omgezet in digitale enen en nullen. Je kunt geur daarom niet via het internet ruiken — je hebt hardware nodig om de geur in je neus te krijgen. Er is dus speciale randapparatuur nodig die in staat is om daadwerkelijk geuren te genereren. Zo’n apparaat moet duizenden geuren kunnen indexeren op basis van hun chemische structuur en plaats in het geurspectrum. Elke geur kan vervolgens worden gecodeerd en in een klein bestand worden gedigitaliseerd. Het digitale bestand kan ingebed zijn in een webpagina of in een e-mail. Open je mail, en de rozengeur komt je tegemoet. Vooral de e-commerce is erg geïnteresseerd in deze geurtechnologie.

Index


Thomas theorema revisited
We staan aan het begin van de ontwikkeling van computergemedieerde of virtuele sociale relaties en netwerken, gemeenschappen en organisaties. Het sociologisch begrip van (netwerken van) persoonlijke sociale relaties is toe aan een grondige revisie. Dit begrip moet zodanig worden ‘opgerekt’ dat computergemedieerde communicaties en virtuele interacties daarin een volwaardige plaats krijgen. Dat kan alleen wanneer de vooronderstelling van de lijfelijke ‘copresence’ wordt losgelaten. Tegenwoordig kunnen mensen direct met elkaar interacteren en communiceren wanneer zij niet gelijktijdig in een en dezelfde fysieke ruimte aanwezig zijn.

De essentie van intermenselijke interactie is niet de directe lijfelijke aanwezigheid, maar de sociale aanwezigheid, dat wil zeggen het vermogen van een communicatiemedium om groepsleden het gevoel te geven van de aanwezigheid van een actor waarmee men direct (‘interactief’) kan communiceren. Sociale aanwezigheid komt niet alleen tot stand door lijfelijke ‘copresence’ maar kan ook door computergemedieerde ‘telepresence’ [Minsky 1980] worden gegenereerd.

Voor sociale wetenschappers zou deze revisie van basisbegrippen, theorie en methodologie niet verwonderlijk moeten zijn. Zij zijn immer al sinds jaren vertrouwd met het inzicht dat als mensen iets als ‘werkelijk’ definiëren, dit ook effectief is in de gevolgen. Het is hun tijd om dit Thomas theorema toe te passen op virtuele sociale configuraties en interdependenties.

De virtuele ruimte van het hiernaastmaals ervaren mensen tegenwoordig als iets reëels. En daarom zouden we volgens het Thomas theorema ook kunnen verwachten dat dit werkelijke gevolgen heeft. Het sociologisch onderzoek concentreert zich op de virtuele sociale realiteit en haar effecten op lokale samenlevingsverbanden. Het sociale leven op het internet is een weerspiegeling van de ‘echte’ samenleving. Tegelijkertijd vomt de door internet gemedieerde virtuele samenleving een eigensoortige sociale werkelijkheid met een eigenaardige structuur en dynamiek. Internetsociologie identificeert en analyseert de structurele en dynamische eigenaardigheden van deze virtuele realiteiten.

De nieuwe sociale werkelijkheid van elektronische communicatie is virtueel —just like reality. Virtuele netwerkers delen dezelfde hallucinatie als andere bewoners van de internetgemeenschap. Virtuele relaties en gemeenschappen bestaan echt. Voor sommige mensen hebben zij veel grotere effecten op hun alledaagse doen en laten dan hun lokale persoonlijke relaties of traditionele gemeenschappen.

Index


Manmoedige lofzang op het lokale
Sommige moderne sociologen willen per se vasthouden aan de klassieke premisse van co-presentie. Randell Collins probeert ‘micro’ en ‘macro’ analyses met elkaar te verbinden in een omvattende theoretische visie. In zijn analytische strategie vertrekt hij vanuit “de dynamiek van situaties” [Collins 2004:14]. Om macrostructuren (algemene maatschappelijke verbanden) te verklaren, moet men volgens Collins vertrekken vanuit de gelokaliseerde mechanismen die hen constitueren. Interactierituelen (patronen of regelmatigheden die zich voordoen in sociale interacties) ontstaan volgens Collins alleen wanneer mensen fysiek aanwezig zijn in lokale contexten. Het is de oude stelling van de predigitale sociologie: betekenisvolle sociale relaties, gemeenschappen en organisatie kunnen alleen ontstaan wanneer mensen tijdruimtelijk verenigd zijn, en dus op een en hetzelfde tijdstip in fysieke of lichamelijke nabijheid interacteren.

De ingrediënten van gemeenschappen (of zoals Collins zegt: IR’s = interactierituelen) zijn daarom:

  1. Gelijktijdige aanwezigheid van twee of meer mensen in een ruimtelijk verband: copresence is een noodzakelijke voorwaarde voor alle sociale relaties en voor gemeenschapsvorming.

  2. Het trekken van een grens tussen de ingeslotenen (insiders) en uitgeslotenen (outsiders), waardoor de deelnemers aan de sociale relatie of gemeenschap een geprivilegieerd gevoel van inclusiviteit krijgen (het wij-gevoel).

  3. De deelnemers aan de interactierituelen van een gemeenschap of netwerk hebben een gemeenschappelijk doel, een gedeeld streven of verlangen. De deelnemers aan de ontmoeting “concentreren hun aandacht op een gemeenschappelijk object of activiteit, en worden door het communiceren van deze focus bewust van elkaars focus van aandacht” [Collins 2004:48].

  4. De deelnemers aan het interactieritueel (de leden van deze lokaal verankerde sociale gemeenschap) “delen een gemeenschappelijke stemming of emotionele ervaring” [idem: 48]. Men kan twisten over de vraag of dit een ingrediënt of uitkomst is van het proces van gemeenschapsvorming. Maar op dit punt is er geen reden om de inzichten van grondleggers als Weber en Simmel tegen te spreken: voor de constitutie van relatief duurzame sociale gemeenschappen is het van essentieel belang dat de deelnemers het gevoel hebben dat zij (ongeveer) dezelfde ervaringen delen.
Deze ingrediënten van gemeenschapsvorming (samengestelde clusters van sociale relaties) kunnen onder bepaalde omstandigheden resulteren in relatief duurzame sociale configuraties. Dat kunnen zowel duurzame persoonlijke relaties zijn (zoals liefdes- en vriendschapsrelaties, collegiale of burenrelaties etc.), als lokale gemeenschapsrelaties, netwerken en organisaties.

Wanneer deze ingrediënten succesvol worden gecombineerd dan ontstaan er relatief duurzame, specifiek gestructureerde patronen van (specifiek gemotiveerde, gestructureerde en geïntegreerde) sociale relaties: netwerken, gemeenschappen (associaties & patronage) en zelfs formele organisaties. Succesvol wil in dit verband zeggen dat deze patronen duurzaam zijn, dat wil zeggen dat zij zichzelf reproduceren, stabiliseren, en garanderen.

Kenmerkend door al deze sociale configuraties is:

  1. De individuen die regelmatig deelnemen aan deze lokale interacties voelen zich solidair met elkaar. Zij beginnen zichzelf in de loop der tijd steeds meer te beschouwen als deelnemers of leden van een gemeenschappelijke onderneming. Zij voelen zich saamhorig: zij horen bij elkaar. En dus ook: ik hoor bij mijn club, en hij/zij bij die andere.

  2. Als leden van deze gemeenschap ervaren zij een speciale emotionele energie. Zij zijn bijeen, zij voelen zich een, zij voelen zich sterk, en zij krijgen een gevoel van opwinding, prestatie en enthousiasme dat leidt tot initiatief, tot een vorm van collectief handelen.

  3. De deelnemers aan het interactieritueel die lid zijn van een speciale gemeenschap genereren collectieve symbolen. Dat kunnen herhaalde grapjes zijn in vriendschappelijke betrekkingen, jaarlijkse bijeenkomsten van sportverenigingen, of herdenkingen van tragische of juist inspirerende historische gebeurtenissen — zoals de hongerwinter tijdens de tweede wereldoorlog, of de democratische revoltes op het Noord-Afrikaanse continent in 2011. Maar het zijn vooral ook de gemeenschapsinterne normen van goed gedrag.

  4. De normering van het gedrag van de leden van een gemeenschap is alleen maar effectief wanneer de schendingen van de gemeenschapsnormen en symbolen resulteren in gerechtvaardigde verontwaardiging over en sancties tegen degenen die schuldig zijn aan transgressie (regeloverschrijding). Er is dus gemeenschaps- of collectief handelen noodzakelijk om een gemeenschap in stand te houden.
Behalve het eerste ingrediënt van de copresence zijn alle condities en resultaten van gemeenschapsvorming ook geldig voor virtuele arrangementen.

In 2011 komt Collins in Interaction Rituals and the New Elektronic Media terug op de vraag of door het gebruik van nieuwe elektronische media de voorwaarden voor gemeenschapsvorming zijn veranderd.

Volgens Collins zijn er drie mogelijkheden.
  1. Er kunnen nieuwe soorten interactierituelen ontstaan met nieuwe vormen van solidariteit, symbolisme en moraliteit. In dat geval zou er een volledig nieuwe theorie ontwikkeld moeten worden.
  2. In virtuele figuraties ontstaan helemaal geen interactierituelen. Solidariteit en de andere uitkomsten van interactierituelen verdwijnen in een volledig gemedieerde wereld. Dit alternatief is niet erg plausibel omdat bijna niemand volledig via digitale media communiceert zonder belichaamd contact.
  3. Interactierituelen komen ook via nieuwe media tot stand, maar hun effecten zijn zwakker: collectieve opwinding door het groepsgevoel (effervescence) is minder hoog, evenals de mate van solidariteit en de gehechtheid aan de collectieve symbolen.
Volgens Collins wijst het huidige empirische onderzoek in de richting van het derde alternatief: “it is possible to achieve solidarity through media communications, but it is weaker than bodily, face-to-face interaction.” Hij noemt daarbij geen specifieke studies, maar benadrukt slechts de bekende beperkingen van gemedieerde interacties. Daaruit trekt hij zonder verdere argumentatie de conclusie dat gemedieerde verbindingen slechts een aanvulling (supplement) zijn op face-to-face ontmoetingen. Virtuele interacties en netwerken vervullen in zijn visie slechts een bijrol en dienen dus ook altijd vanuit hun aanvullende functie voor lokale figuraties geanalyseerd te worden (en dus niet vanuit hun eigen en vooral eigenaardige werking).

Compensatie voor sociale armoede
Volgens Collins zijn virtuele interactierituelen per definitie zwakker dan lichamelijke face-to-face rituelen. Uit deze aanname vloeien nauwelijks productieve hypothesen voort. Een voorbeeld daarvan is: “Since mediated IRs are weaker than bodily face-to-face IRs, people who have relatively few embodied IRs try to increase the frequency of mediated IRs to make up for them.”

Virtuele sociale associaties vervullen per definitie slechts een bijrol in de constitutie van lokale arrangementen, en daarom proberen mensen die in de lokale wereld relatiearm zijn dit gemis in de virtuele wereld te compenseren. Collins gaat zelfs nog een stap verder: naarmate iemand meer vertrouwt op gemedieerde dan op belichaamde interactierituelen zijn zij sterk verslaafd aan virtuele softdrugs (zij hebben een steeds hogere dosis nodig om hun gemis te compenseren).

Analytisch onderscheid wordt methodisch primaat én empirisch postulaat
Het door Collins gepresenteerde denkmodel is gebaseerd op twee discutabele vooronderstellingen. Ten eerste maakt hij van het louter analytische onderscheid tussen de drie niveaus van handelingsintegratie (interactioneel, organisationeel, maatschapelijk) niet alleen een methodisch primaat van het interactionele handelingsniveau, maar ook een empirisch postulaat dat directe interacties per definitie krachtiger (handelingsrelevanter) zijn dan organisationele of maatschappelijke interacties.

Ten tweede maakt Collins van het onderscheid tussen direct en gemedieerde sociale interacties ook (zonder nadere onderbouwing) een methodisch primaat van de ongemedieerde directe interacties. En opnieuw wordt daaraan de ‘empirische’ stelling verbonden van dat ongemedieerde interacties per definitie sterker zijn dan gemedieerde interacties.

Toch doet Collins een tamelijk nuchter voorstel voor sociaalwetenschappelijke onderzoek: doe vergelijkbaar onderzoek naar de mate van gemedieerd en lichamelijk contact dat mensen hebben; meet het succes van de interactierituelen die ontstaan in termen van hun wederzijdse focus, gedeelde emotie, en ritmische coördinatie.

Bovendien is Collins dicht op het spoor van een van de meest intrigrerende eigenaardigheden van cyberspace: het nethufteren (het elkaar steeds grover beledigen in zogenaamde flame wars). “It is easier to get into a quarrel and to deliver insults from a distance, against a person whom you cannot see.”

Desondanks biedt Collins’s bijdrage aan de cybersociologie een weinig aantrekkelijk perspectief. Er wordt geen theoretische aanzet gegeven om de eigenaardigheden van virtuele interactierituelen, netwerken, gemeenschappen en organisaties te onderzoeken. Er wordt zonder degelijke argumentatie vastgehouden aan het primaat van de gelokaliseerde en belichaamde interactie. Virtuele arrangementen worden per definitie als louter afgeleide en aanvullende elementen gezien van de primordiale lokaal-belichaamde interacties.

Collins interpreteert het nieuwe (de eigenaardigheden van cyberspace) in termen van het oude (een lokaal gearrangeerde wereld waarin mensen wonen die elkaar alleen maar ontmoeten wanneer zij op hetzelfde tijdstip in een gelijke ruimte met elkaar verkeren).

En daardoor mist (of miskent) hij de sociologische eigenaardigheden van virtuele interacties die zich in cyberspace voltrekken, in de wereld van de artificiële globaal-onbelichaamde interacties. Daardoor krijgt hij ook geen analytische toegang tot de in ons huidige dagelijke leven vervlechte verbinding tussen onze gelokaliseerd-belichaamde interactie en onze geglobaliseerde-virtuele interactie.

De analysestijl van Randell Collins wordt vertroebelt door het romantische basisidee dat ons grootste geluk gelegen is in de directe fysieke nabijheid van de mensen waarmee we willen interacteren. Fysieke nabijheid, tedere aanraking, wederzijds uitwisseling van elaars geslachtelijke vermogens. We vinden het allemaal en om begrijpelijke redenen heel belangrijk. Ze bevredigen onze meest directe sociale en erotische verlangens. We zijn en blijven biologische en sociale driftwezen “U kunt de wederzijdse genegenheid van twee mensen niet meten door het aantal woorden die ze uitwisselen.” [Emanuel Kant]. Maar de genegenheid van twee mensen kan tegenwoordig zeker niet alleen gemeten worden door het aantal directe interacties.

Index Sociale aanwezigheid

De basisbegrippen van de sociologie zijn toe aan een grondige revisie. Ze schieten te kort om de maatschappelijke structuren en processen van de huidige samenleving te duiden en te verklaren. Praktisch alle basisbegrippen van de sociologie staan ter discussie: ‘interactie’, ‘sociale relatie’, ‘netwerk’, ‘gemeenschap’, ‘organisatie’, en zelfs de alomvattende begrippen van ‘samenleving’ en ‘maatschappij’. De essentie van deze revisie is het loslaten van de traditionele sociologische vooronderstelling dat gelijktijdige aanwezigheid binnen een fysieke ruimte een exclusief definiërend kenmerk is van sociale interactie. Door de tussenkomst van moderne telecommunicatietechnologieën is ‘copresentie’ binnen eenzelfde fysieke ruimte geen noodzakelijke voorwaarde meer voor directe sociale interactie. Het is voldoende wanneer de deelnemers aan de interactie sociaal aanwezig zijn en beschikken over een communicatiemedium waardoor zij de aanwezigheid van de andere deelnemers kunnen ervaren. Dit communicatiemedium kan een face-to-face bijeenkomst zijn binnen een fysieke ruimte, maar het kan evenzeer een videoconferentie zijn waarin deelnemers ‘telepresent’ zijn. Telepresentie is de subjectieve ervaring van het in eenzelfde omgeving aanwezig zijn, zelfs wanneer men fysiek van elkaar gescheiden is [Witmer/Singer 1998].

Opschorten van ongeloof
Fantasie speelt een belangrijke rol in de ervaring van aanwezigheid in virtuele omgevingen. Ons voorstellingsvermogen maakt het mogelijk dat we ons kunnen inleven in romans, toneelstukken, films of online conversaties. Lezers zijn bereid om tijdelijk te vergeten dat een roman het literair product is dat ontsproten is uit de fantasie van de auteur. Daarom kunnen zij de fictieve wereld van het boek voorstellen als een autonome werkelijkheid die door solide objecten en individuen met een lichaam wordt bevolkt. Samuel Taylor Coleridge [1817] noemde dit ‘willing suspension of disbelief’. Het stelt lezers in staat om zich in iets te verliezen wat zij anders zouden beschouwen als ‘shadows of imagination’.

In de virtuele wereld komt deze bereidheid om het ongeloof op te schorten tot uiting in de perceptuele illusie van de ongemedieerdheid van computergemedieerde ervaringen. Voor een virtuele wereld als Second Life geldt: “Je moet je ongeloof welwillend opschorten om er te kunnen leven” [Bas Belleman, in: Trouw, 14.3.13].

Aanwezig zijn is de ervaring van het betrokken zijn op de symbolische representaties in een een virtuele wereld. Geavanceerde multimediale en interactieve technologieën zoals virtual reality en videoconferentie zijn juist ontworpen om de gebruikers van deze media de illusie te geven dat een gemedieerde ervaring niet gemedieerd is: “the perceptual illusion of nonmediation” [Lombard/Ditton 1997]. De technologisch gemedieerde ervaringen lijken zo natuurlijk en de communicatiepartner lijkt zo dichtbij en aanwezig dat men reageert alsof het medium er niet is. Men vergeet het medium. Aanwezigheid is het gevoel onderdeel te zijn van de omgeving welke door het medium gecreëerd wordt en hoeft geen onderdeel te zijn van de fysieke omgeving die de mediagebruiker omringt. Via internet treden gebruikers een virtuele omgeving binnen waarin zij tijdelijk geloven dat zij in een andere wereld verkeren dan hun lichamen [Slater/Usoh 1993:222].

'Telepresence' in de ogen van Gilles Francescano Telepresentie is het gevoel dat je feitelijk ‘daar’ bent op een verwijderde plaats van handeling. Virtuele presentie is het gevoel dat je aanwezig bent in de omgeving die door de computer wordt gecreëerd [Minsky 1980:256; Biocca/Levy 1995; Held/Durlach 1992].

Traditionele media zoals de telefoon, film, radio en televisie genereren een veel lager niveau van aanwezigheid dan het multimediale en interactieve internet. Communicatiewetenschappers hebben hierop al veel eerder gewezen. In hun studie over de sociale psychologie van telecommunicatie kwamen Short, Williams en Christie [1976] tot een bijna identieke conclusie. Het verschil is dat zij ook e-mail beschouwen als een communicatiemedium via welke de sociale aanwezigheid tot stand kan komen. E-mail is een asynchrone en louter tekstuele communicatievorm en ontbeert daarom juist de mediarijkdom en directheid van interactie die nodig is om het gevoel van sociale aanwezigheid te wekken. Mediarijkdom refereert aan de mate waarin een communicatiemedium kan voorzien in directe terugkoppeling, het aantal gebruikte signalen en kanalen, achtergrondsignalen, en socio-emotionele inhoud in een communicatiesessie [Daft/Lengel 1986; Rice 1992]. De eigenaardige mogelijkheden en beperkingen van asynchrone communicatie via tekstuele berichten worden uitvoerig geanalyseerd in: Communiceren via e-mail.

Sociale nabijheid in videoconferentie - Klik om te vergroten Communicatiemedia verschillen van elkaar in de mate waarin zij sociale aanwezigheid faciliteren. Bij een videoconferentie kunnen via meerdere communicatiekanalen verbale, non-verbale en visuele signalen worden uitgewisseld en komt tijdens een communicatiesessie tevens socio-emotionele inhoud tot stand. Communicatie via e-mail is in dit opzicht veel beperkter: het zijn elektronische brieven die hoogstens minimale sociale aanwezigheid kunnen suggereren vanwege de snelheid van deze vorm van communicatie. Maar email communicatie blijft —als men afziet van ‘voice-mail’— bestaan uit asynchrone uitwisseling van geschreven woorden, zonder visuele en auditieve signalen.

Ook videoconferenties kennen hun beperkingen. Uit onderzoek blijkt dat tijdens bij videoconferenties de luisteraars minder ‘onderonsjes’ hebben en elkaar minder vaak interrumperen, dat zij het overgeven van het woord niet adequaat anticiperen en dat de woordovergaves formeel zijn [O’Conaill/Whittaker/Wilbur 1993]. Toch krijgen ook deelnemers aan videoconferenties al snel de indruk dat zij in dezelfde ruimte verkeren en dat de andere deelnemers in die virtuele ruimte sociaal aanwezig zijn.

In face-to-face bijeenkomsten wordt een veel bredere reeks van verbale en niet-verbale signalen uitgewisseld dan bij videoconferenties. Daarom genereren face-to-face conversaties een grotere mate van sociale aanwezigheid en mediarijkdom.

Sociale aanwezigheid is een voorwaarde voor directe communicatie en interactie en deze kan via diverse communicatiemedia tot stand komen. Sommige communicatiemedia faciliteren de sociale aanwezigheid sterker dan andere, omdat zij een rijkere communicatie en snelle interactie mogelijk maken. Essentieel daarbij zijn de mogelijkheden voor (a) uitwisseling van verbale en non-verbale signalen: koppeling van beeld, geluid en tekst via meerdere kanalen, en voor (b) directe terugkoppeling: als conditie voor levendigheid van communicatie.

Zen en de kunst van het vergeten van het medium
Bij een spannende film gaan toeschouwers volledig op in de scènes die met lichtstralen op het witte doek worden geprojecteerd. Zij vergeten dat zij in een bioscoop zitten te kijken naar beelden en geluiden die op filmrollen zijn opgeslagen. Hoewel zij op geen enkele manier invloed kunnen uitoefenen op de handelingssequentie van de film, zijn de toeschouwers bereid om hun wetenschap van de feitelijke lokale situatie op te schorten.

Deze ‘willingness to suspend disbelief’ [Coleridge] door de mediagebruiker vormt ook de kern van de virtuele ervaringen die internetgebruikers opdoen. Ervaren deelnemers aan virtuele communicatie zijn bereid om hun wetenschap van de gemedieerdheid van de ervaring te vergeten. Door gedeelde illusie van niet-gemedieerdheid komen in virtuele omgevingen toch authentieke ervaringen tot stand.

Zen en de kunst van het boogschieten Het vergeten van het medium vormt ook de kern van de Zen Boeddhistische kunst van het boogschieten. De leerlingen krijgen van de Zen meester eerst een boog zonder pijlen. Zij moeten de boog spannen, zonder de snaar los te laten. Op zekere dag besluit de meester dat het tijd wordt om de boog te ontspannen. Nadat het ontspannen van de boog voldoende is geoefend mag de leerling daadwerkelijk met pijlen schieten. De leerling mag echter niet op het doel mikken maar moet ‘de pijl zijn doel laten vinden’. Na nog een aantal maanden oefening merkt de leerling dat hij doeltreffend kan schieten. Een volleerd boogschutter vergeet de boog en mikt niet op zijn doel, maar laat de pijl zijn doel vinden. Op het toppunt van perfectie versmelten boog, pijl, doel en boogschutter met elkaar.

Bestaan er wel ongemedieerde ervaringen?
Men moet oppassen met de termen gemedieerde en niet-gemedieerde ervaringen. Strikt genomen worden immers ál onze ervaringen gemedieerd door onze gevoels- en waarnemingssytemen. Al onze ervaringen worden primair gemedieerd door licht en lucht en begrensd door ruimte en tijd. We zien elkaar wanneer er voldoende licht is, en we horen elkaar wanneer de geluidsgolven die de ander verstuurt niet door overdadige ruis wordt verstoord. Licht en lucht zijn het meest natuurlijke medium van directe interactie.

Niet-gemedieerde ervaringen zijn ervaringen die worden opgedaan zonder tussenkomst van man made technologie. Licht en lucht, tijd en afstand behoren bij de natuurlijke (lichaams- en sensor)gebonden condities van menselijke ervaring. Na alle technische innovaties die onze zintuigen hebben verrijkt (zoals brillen, contactlenzen en gehoorapparaten) zijn er nieuwe digitale media ontstaan die een schakelfunctie vervullen tussen ons waarnemingssysteem en onze omgeving.

Index Kwantiteit schept kwaliteit

Wie geen wiskundige fantasie heeft beleeft meestal weinig lol aan getallen. Zeker niet wanneer die getallen alleen maar uit enen en nullen bestaan. Toch raken heel veel mensen die niets met wiskunde ophebben opgewonden wanneer zij op internet alleen maar bezig zijn om enen en nullen heen en weer sturen. Als men überhaupt kan zeggen dat de virtuele werkelijkheid een fysiek bestaan heeft, dan is zij opgebouwd uit gigantische reeksen enen en nullen. Het internet is ‘gemaakt van kwantiteit’ maar manifesteert zich aan haar deelnemers als een serie signalen — teksten, beelden, geluiden en zelfs al een beetje aanraking en geur— waaraan wij kwalitatieve betekenissen toekennen, waarmee we lol kunnen beleven, waarvan we kunnen leren, waarover wij opgewonden kunnen raken, waardoor we zelfs verliefd kunnen raken. Dat is de metafysica van cyberspace.

Is dat een andere metafysica dan die van de film? Wanneer je naar de bioscoop gaat om naar een film te kijken gebeurt het vaker dat je meeleeft met een van de hoofdpersonen, dat je schrikt wanneer die hoofdpersoon in gevaar is, dat je blij bent wanneer deze verliefd wordt, en dat je in verwarring raakt als je niet precies weet hoe het zal aflopen. Kortom: je hebt allerlei soorten gevoelens, ook al is het een virtuele ervaring. De persoon met wie je meeleeft is een acteur of actrice die in werkelijkheid nooit in gevaar is. De gevoelens die op het scherm worden geprojecteerd worden geacteerd — het zijn gespeelde gevoelens. In werkelijkheid zit je alleen maar in een bioscoop te kijken naar een film die met grote snelheid door een projector wordt gespoeld.

De grondslag van al onze virtuele ervaringen is de menselijke fantasie. Middels ons voorstellingsvermogen kan iets dat niet helemaal waar is worden omgevormd tot iets dat waar lijkt. ‘Dromen zijn bedrog, maar als ik wakker word dan zie ik je nog’. De computers waarmee we op het internet inhaken zijn droommachines. We produceren er nieuwe werkelijkheidsvormen mee die alleen maar tussen onze oren bestaan en pas tot uiting komen in de effecten die deze dromen hebben op ons lokale sociale leven. Bijna alles waar we ons lichaam niet voor nodig hebben kan met de droommachine worden gedupliceerd: we kunnen virtueel communiceren en interacteren, spelletjes spelen en discussiëren, we kunnen virtueel trouwen en scheiden, verjaardagen vieren en treuren om de dood van onze geliefden.

Omdat we ons lichaam als centrum van al onze ervaringen thuis achter onze computer laten zitten, kunnen we zelfs veel meer. De wetten van de fysica lijken in de virtuele wereld niet te werken. Daarom kunnen ons sneller dan bliksem verplaatsen over de hele aardbol en daarbuiten, kunnen we door massieve muren heenlopen en naar het diepste van de grootste oceanen afdalen. In de computergemedieerde fantasiewereld van cyberspace is eigenlijk alles mogelijk waarvoor we niet ons lichaam (en het daarin verankerde reuk- en tastvermogen) nodig hebben. In deze virtuele wereld kan (bijna) alles door de gebruikers worden geherprogrammeerd.

Index Traditionele en virtuele gemeenschappen

Traditionele, lokaal verankerde gemeenschappen
De meeste mensen hebben een natuurlijke affiniteit met de gemeenschap [Cooley 1903]. We worden geboren en opgevoed in een gezins- en familiegemeenschap, we wonen in lokale gemeenschappen van de straat, de buurt, de wijk, het stadsdeel of het dorp, we worden opgeleid in schoolgemeenschappen, we werken in bedrijfs- en afdelingsgemeenschappen, we belijden ons geloof in een religieuze gemeenschap, we vieren feest met gemeenschappen van vrienden en bekenden, we spreken binnen een taalgemeenschap, en we participeren in meer omvattende gemeenschappen van de territoriale staat, de Europese statengemeenschap en de wereldgemeenschap. Het structurele proces dat tot gemeenschapsvorming leidt is communicatie: zonder communicatie kan er geen sociaal handelen zijn dat leidt tot een gemeenschappelijke organisatie van onze sociale relaties. Dit betekent ook dat nieuwe communicatietechnologieën gebruikt kunnen worden om reeds bestaande gemeenschappen te transformeren of geheel eigensoortige nieuwe gemeenschappen te ontwikkelen.

Het is inmiddels een sociologische gemeenplaats dat het traditionele gemeenschapsbegrip problematisch is. Het traditionele begrip gemeenschap refereert aan een reeks sociale relaties die opereren binnen specifieke —etnische, religieuze, linguïstische— grenzen of geografische lokaliteiten. Zo’n gemeenschap wordt gekenmerkt door een organische betekenis van communiteit, broederschap, gezin en gewoonte en door een binding die gebaseerd is op begrip, consensus en taal. Kortom: traditionele gemeenschappen worden gekenmerkt door (i) directe sociale interactie, (ii) een grens tussen ingeslotenen en uitgeslotenen, (iii) een gedeeld waardensysteem en (iv) een gedeeld symboolsysteem [Vliet/Burgers 1987; Collins 2004].

Het begrip gemeenschap speelt al veel langer een rol in de discussies over ‘de goede samenleving’. Maatschappij wordt daarentegen gekenmerkt door een vorm van hyper-individualisme waarin relaties tussen mensen mechanisch, vergankelijk, en contractueel georiënteerd worden. Tönnies [1887] introduceerde het onderscheid tussen maatschappij (Gesellschaft) en gemeenschap (Gemeinschaft). Dit laatste aspect van sociale relaties plaatste hij in de context van moderniteit en de voortdurende degeneratie van traditionele sociale structuren. De processen van urbanisatie en industrialisatie zouden leiden tot de vernietiging van de gemeenschap en dus van de traditionele communiteit, zekerheid en intimiteit.

GemeenschapMaatschappij
Directe persoonlijke relaties:
geografisch beperkte, directe sociale interactie
Verzakelijkte, contractuele relaties:
mechanische relaties of marktrelaties
Gemeenschapsgevoel: intimiteit Individualisme: zakelijkheid
Collectieve identiteit Rationele belangenverbinding
Gemeenschappelijke belangen Concurrerende belangen

Index


Virtuele, computergemedieerde gemeenschappen
Digitale communicatietechnologieën bieden nieuwe mogelijkheden voor andere soorten sociale relaties en gemeenschappen. De ontwikkeling van elektronische communicatietechnologieën heeft tijd en ruimte weliswaar niet vernietigd [zoals McLuhan 1964 beweerde], maar wel zodanig gecomprimeerd dat we feitelijk leven in een grenzeloos globaal dorp (global village). Internettechnologie verbindt mensen in een nieuw type gemeenschap, in virtuele gemeenschappen. De internettechnologie zelf doet echter niets: zij kan gebruikt worden om mensen te verenigen in coherente gemeenschappen van mensen met gelijksoortige belangen of interesses, maar zij kan mensen ook verder atomiseren waardoor zij zich verder terugtrekken in tribalisme.

Internet is zowel een interpersoonlijk (een-op-een) communicatiemedium als een een-op-velen en zelfs een velen-op-velen vorm van massacommunicatie. Virtuele —computergemedieerde— communicatie oefent een steeds grotere invloed uit op de aard van het sociale leven. Dit geldt niet alleen voor onze interpersoonlijke relaties, maar ook voor het karakter van gemeenschappen, netwerken, organisaties en groepen in de samenleving.

Een virtuele gemeenschap omvat alle dimensies van een lokale gemeenschap:

Wat verandert er als mensen via computers met elkaar communiceren? Kunnen we via computers onze emoties wel uiten? Leidt de anonimiteit van communicatie tot ongewenste effecten zoals ongeremd en onbeheerst gedrag?

Er wordt vaak gesuggereerd dat communicatie via computers inferieur is omdat het nooit kan tippen aan de communicatiemogelijkheden van een face-to-face contact. Het is hetzelfde vooroordeel als in de begintijd van de telefoon. Mensen zouden steeds minder direct persoonlijk contact hebben, het hele gezinsleven zou eraan gaan, vriendenkringen zouden uiteenvallen enz. De telefoon zou alleen geschikt zijn voor korte zakelijke berichten en niet voor affectieve, emotionele communicatie.

Het onderzoek naar computergemedieerde communicatie laat echter een heel ander beeld zien. Via computernetwerken is het wel degelijk mogelijk om emoties uit te wisselen en affectieve relaties aan te gaan. Mensen lijken bij computergemedieerde communicatie zelfs socialer gedrag te vertonen en houden zich sterk vast aan groepsnormen [Postmes 1997; Postmes/Spears/Lea 2000],

Elk medium heeft zijn eigen specifieke mogelijkheden en beperkingen. In virtuele communicatie kunnen niet alle signalen worden uitgewisseld die in face-to-face contacten worden verzonden en ontvangen. Toch is de sociaal-emotionele inhoud van een contact tussen personen relatief onafhankelijk van het medium waardoor dit contact tot stand komt. Of via computernetwerken affectieve, emotionele communicatie mogelijk is, is primair afhankelijk van de sociale context, dat wil zeggen van de verwachtingen, normen en waarden van de deelnemers.

Medium is geen doorgeefluik
Het medium waarin wij onze ervaringen opdoen en uitdrukken is in belangrijke mate constitutief voor deze ervaring. Wanneer men zelf op straat wordt beroofd is dit een heel andere ervaring dan wanneer wij een beroving zien in een televisieserie. Diffuse en/of tegenstrijdige ervaringen kunnen wij meestal slechts begrijpen door ze eerst te articuleren via een medium, zoals een tekst, een beeld, een muzikale compositie, of een film. Articulatie van ervaringen is voorwaarde voor een discursief begrip ervan.

De verschillende media structureren onze ervaringen telkens op specifieke wijze [McLuhan, Havelock, Ong, Heim]. Media zijn dus geen transparante vensters die uitzicht bieden op onze belevingen, maar voertuigen die onze ervaringen structureren en tot op zekere hoogte constitueren. Een gedachte die tot uitdrukking wordt gebracht in een mondeling gesprek, in een gedrukte tekst, in een radio documentaire of in een digitaal document op het web, wordt telkens op andere wijze gearticuleerd en genereert daarmee in feite telkens een andere ervaring.

Index Politieke gevolgen

Welke gevolgen hebben internettechnologieën voor gemeenschappen en publieke discussies? Technologieën zijn nooit neutraal, maar dragen de sporen van de context waarin zij zijn geproduceerd en gecommercialiseerd, en hebben daarom vaak ook een politieke en ideologische betekenis. De specifieke vorm van een technologie en de manier waarop deze wordt geïmplementeerd, kan de machtsverhoudingen in samenlevingen beïnvloeden: gezag wordt herverdeeld over degenen die met de technologie het beste beheersen en weten te exploiteren. Een eenmaal geadopteerde technologie kan de kans vergroten dat bestaande gezagspatronen worden gereproduceerd, of dat er juist ruimte ontstaat voor nieuwe patronen.

Een technologie moet altijd worden bekeken in de context waarin deze wordt gebruikt. Als oude wijn alleen maar in nieuwe zakken wordt verkocht (interpersoonlijke uitwisseling van informatie vindt nu plaats via elektronische post), dan heeft dit weinig invloed op de machtsverhoudingen tussen de internetgebruikers en de leveranciers van internetdiensten. Maar wanneer een groot deel van de wereldbevolking zich virtueel begint te vormen (in netwerken, gemeenschappen, actiecommités e.d.) dan kunnen machtsverhoudingen verschuiven of kantelen. De politieke schaduwzijde daarvan is dat een niet onaanzienlijk deel van de wereldbevolking is uitgesloten van internetgebruik en dus minder in staat zal zijn om volledig te participeren in alle domeinen van de globale —of minstens globaliserende— samenleving.

Er zijn ten minste drie barrières voor de verspreiding van het computer- en internetgebruik. Het moet betaalbaar zijn, het moet intellectueel toegankelijk zijn, en er moet tijd beschikbaar zijn om het internet daadwerkelijk te gebruiken. De gevolgen hiervan zijn bekend. De arme en minst geschoolde delen van de bevolking zijn in het nadeel. Zij kunnen de voor virtuele participatie noodzakelijke technologie niet betalen. De negatief geprivilegieerden beschikken veelal niet over de intellectuele en culturele vaardigheden die noodzakelijk zijn voor het gebruik van het internet. En zij hebben in het algemeen minder tijd beschikbaar om computers en aanverwante apparaten te gebruiken.

Virtuele gemeenschappen zijn niet per definitie globale gemeenschappen zonder enige geografische of etnische afbakening. Er zijn globale virtuele gemeenschappen waarvan de leden daadwerkelijk over de hele wereld verspreid zijn (vaak met uitsluiting van mensen die de Engelse taal niet machtig zijn). Voorbeelden daarvan zijn gemeenschappen van mensen met dezelfde hobby, culturele interesse, professionele specialisatie, neurose, ziekte of seksuele voorkeur. De deelnemers associëren zich met elkaar omdat zij gelijksoortige belangen, interesses of verlangens hebben. Maar er zijn ook lokale virtuele gemeenschappen waarbij de verbondenheid van deelnemers juist gebaseerd is op geografische nabijheid. Dat zijn virtuele gemeenschappen van straat, buurt-, stad-, dorps- of landgenoten. Zij gebruiken de globale mogelijkheden van het internet voor lokale doeleinden. Zo zijn er ook etnische virtuele gemeenschappen die gedragen worden door mensen die zich door historische of etnische oorsprong verbonden voelen. Zij gebruiken het internet om hun onderlinge contacten te versterken, hun eigen identiteit en klachten te articuleren, om aandacht te vragen voor hun problematiek, en om zo hun praktische bijdrage te leveren aan culturele diversiteit.

Hieruit kunnen twee conclusies worden getrokken:

Pessimistische futurologen voorspelden dat er wel eens minder behoefte aan face-to-face interactie zou kunnen ontstaan als de populariteit van virtuele communicatie toeneemt. Alle studies tot nu toe laten precies het omgekeerde zien. Naarmate mensen meer gebruik maken van virtuele communicatie worden hun contacten globaler en zijn zij meer bereid en geneigd om elkaar ook eens lokaal te ontmoeten. Sommige lokale communicaties in conventionele gemeenschappen kunnen volledig vervangen worden door virtuele communicatie. Dat hoeft niet te leiden tot een reductie van de gevoelde gemeenschapszin, of tot een ‘duiventilgemeenschap’ waarbij de leden naar willekeur in- en uittreden.

Het verlaten van een traditionele gemeenschap is vaak emotioneel traumatisch. Men verlaat het ‘warme nest’ of men wordt eruit gestoten. In hechte en betekenisvolle virtuele gemeenschappen verloopt dit vaak niet veel anders. Het voordeel voor uittreders uit louter virtuele gemeenschappen is dat zij een kleine kans hebben ooit nog andere leden van die gemeenschap te ontmoeten. Veel gemeenschappen die hun bestaan primair aan het internet te danken hebben zijn echter niet zo hecht en worden gedragen door een fluctuerende achterban. Het verlaten van zo’n lichte of vluchtige gemeenschap wordt even gemakkelijk als het veranderen van televisiekanaal: men ‘zapt’ van gemeenschap naar gemeenschap.

Hoe stabiel zijn virtuele gemeenschappen en hoe worden conflicten opgelost? De variatie in stabiliteit van virtuele gemeenschappen is minstens even groot als die van lokale gemeenschappen. Toch is het door de lage toegangsdrempels makkelijker om in een virtuele gemeenschap te participeren. Net zoals het door ontbrekende lokale sociale controle en zwak ontwikkelde virtuele sociale controle makkelijker is om niet meer in een virtuele gemeenschap te participeren en dus de facto uit te treden. Vanuit een nostalgische gemeenschapsvisie worden dergelijke geflexibiliseerde internetgemeenschappen te snel afgedaan als sociale kaalslag en verval van gevoelde gemeenschapszin. Maar waarom zouden mensen blijven hangen in een virtuele gemeenschap die hun geholpen heeft om bepaalde problemen op te lossen, of om een tijdelijke interesse te bevredigen? De specifieke doelgemeenschappen die op het internet zijn ontstaan dekken vaak slechts een aspect van de menselijke belangstelling. Hierdoor is ook de bindingskracht van deze virtuele gemeenschappen veel kleiner dan de gemiddelde lokale gemeenschap.

Index Face-to-face of Virtueel?

De face-to-face ontmoeting is het minst complexe maar tegelijkertijd meest informatieve communicatiemiddel. Directe, persoonlijke conversatie kent meerdere niveaus van communicatie. Naast de woorden die gesproken worden zijn er stembuigingen, lichaamstaal en zelfs de specifieke context heeft betekenis. De eerste vormen van virtuele communicatie waren louter tekstuele uitwisselingen via e-mail en chat boxen. Alle niveaus van communicatie moesten worden gereduceerd tot ingetypte teksten.

Emoticon
Een emoticon is een combinatie van karakters op het toetsenbord waarmee emotie wordt uitgedrukt in elektronische post of chat sessies. Het meest bekend zijn:
    -) glimlach
   ;-) knipoog ("Ik maak maar een geintje").

Hoe creatief het gebruik van emoticons kan zijn, blijkt uit deze serie:
  (_!_)  a regular arse
(__!__) a fat arse
   (!)    a tight arse
  (_x_)  kiss my arse
     (_X_)      leave my arse alone
(_zzz_)     a tired arse
(_o^^o_)  a wise arse
 (_13_)     an unlucky arse
(_Y_)   an arse that can’t say no

Door dit gebrek aan voldoende signalen ontstond bij gebruikers de behoefte aan expressies van emoties waarmee de taalkloof overbrugd kon worden (‘emoticon’). In tekstuele computer-gemedieerde communicatie moeten mensen leren omgaan met afwezige of verschraalde signalen die in gewone face-to-face interactie wel aanwezig zijn. Zij doen dit enerzijds door ‘optimale zelfpresentatie’, anderzijds door ‘geïdealiseerde projectie’ of ‘overattributie’. In het eerste geval construeren individuen selectieve zelfbeelden, waarmee zij aangeven hoe zij zich aan anderen willen voordoen. In het tweede geval idealiseren zij anderen en fantaseren zij hoe deze eruit zien. In louter tekstuele virtuele communicaties worden complexe fantasieën gecreëerd op basis van een beperkt aantal signalen. Deelnemers kunnen verstrikt raken in de virtuele werelden wanneer zij hun fantasie gebruiken om gaten in de verhalen en/of beschrijvingen te vullen. Hoe groter de kans is om een imaginaire virtuele wereld te construeren, hoe sterker het gevoel van aanwezigheid zal zijn. Zolang de vertekening van de zelfpresentaties en -projecties op anderen niet wordt ondergraven, wordt het gevoel van sociale aanwezigheid versterkt. In de loop der tijd gaan mensen waarde hechten aan hun zelfpresentaties en projecties. Deze verleidingen van het internet worden uitvoeriger geanalyseerd in Sociaalpsychologie van het internet.

Door gedigitaliseerde hereniging van gezicht met stem komt de sociale aanwezigheid steeds dichterbij en wordt fysieke nabijheid zo goed als werkelijk (‘virtueel’ stamt van het Latijnse vertus, wat waarheid betekent; virtueel is iets dat op waarheid lijkt, het is iets dat niet helemaal waar is, maar wel waar lijkt).

Het is onwaarschijnlijk dat de betekenis van face-to-face communicatie zal afnemen. De toegenomen virtuele communicatie op universiteiten heeft niet geleid tot een daling van reisbudgetten. Integendeel, zodra mensen virtuele contacten in de hele wereld konden leggen, ontwikkelden zij ook een sterker verlangen om de collega’s waarmee zij via computers contact hebben in de niet-virtuele wereld (‘live’) te ontmoeten. En dat kan alleen wanneer de lichamen worden verplaatst.

Mensen hebben behoefte aan een gevoel van plaats, of deze nu territoriaal wordt begrensd of in de ‘plaatsloze’ sfeer van de cyberruimte. Virtuele gemeenschappen zijn alleen afgebakend door de specifieke aard van de belangstellingssfeer en de intensiteit van de sociale interacties. Het zijn transnationale en transculturele figuraties die tegenover traditionele noties van collectiviteit als een publieke sfeer lijken te staan. Daarom wordt hier gepleit voor een herijking van het begrip gemeenschap.

Computergemedieerde communicatie heeft een aantal voordelen boven face-to-face communicatie. Het is gemakkelijk om bijeen te komen om synchroon of asynchroon met elkaar te communiceren. Er hoeven dus geen afstanden overbrugd te worden en men hoeft ook niet per se gelijktijdig te communiceren. Bovendien hebben de deelnemers gelijke toegang tot de conversatie (het is in de regel geen ‘top-down’ communicatie). Tenslotte ontstaan in louter tekstuele virtuele communicaties minder snel vooroordelen over andere personen op basis van hun uiterlijke verschijning.

Communicatie-economisch gezien heeft dit tot gevolg dat mensen sneller bereikt kunnen worden en dat de communicatie efficiënter kan verlopen. De sociale gevolgen zijn echter moeilijker te bepalen. Sommige onderzoekers vermoeden dat door communicatie via computers de hiërarchische verschillen kleiner worden. Samenwerken op voet van gelijkheid en het delen van informatiebronnen zouden hierdoor worden bevorderd. Bovendien zou er minder ruimte bestaan voor ascriptieve discriminaties. Omdat men in louter tekstuele uitwisselingen elkaars uiterlijke verschijning niet waarneemt, zou in computergemedieerde communicatie geen plaats zijn voor etnisch-culturele vooroordelen. Voor hanerig gedrag van mannen tijdens vergaderingen is in elektronische conferenties veel minder ruimte, waardoor de man-vrouw-verschillen in communiceren zouden verminderen. Kortom: communiceren via de computer zou bijdragen aan de democratisering en solidarisering van intermenselijke relaties.

De sociale effecten van computergemedieerde communicatie zijn echter niet zo eenduidig.

De meest waarschijnlijke uitkomst van de ontwikkeling van online gemeenschappen is dat de hegemoniale cultuur dominant blijft. Het is naïef om te denken dat de gevestigde economische, politieke en technische elites vrijwillig afstand doen van hun dominante positie of willens en wetens de zaadjes van hun eigen vernietiging zaaien. De machts- en afhankelijkheidsverhoudingen van de lokale wereld reflecteren zich in de virtuele wereld.

Door online communicatie is een nieuwe, virtuele publieke sfeer ontstaan. Deze publieke sfeer geeft het publiek het gevoel van betrokkenheid, zonder dat dit tot feitelijke participatie leidt. Politieke gemeenschappen komen nu eenmaal niet alleen via discours tot stand. Zij worden veel eerder gevormd of versterkt wanneer er actie nodig is, zoals bij een staking of een oorlog. Burgerschap via cyberspace is dus geen wondermiddel voor het probleem van democratische participatie. De nieuwe gemeenschappen hebben weliswaar een solidariteitsgevoel teweeggebracht, maar zij lijken ook bij te dragen aan de fragmentatie van het sociaal-culturele en politieke leven.

De hoop op en het verlangen naar nieuwe manieren van communicatie is een indicatie van —en misschien ook wel een compensatie voor— het falen van oude en nieuwe technologieën om een rechtvaardige en democratisch-egalitaire samenleving tot stand te brengen. De hoge utopische verwachtingen ten aanzien van computergemedieerde communicatie zijn misplaatst, omdat maatschappelijke verandering niet tot stand komt door het veranderen van de technologie, maar door de hervorming van de politieke en sociale contexten waaruit deze technologie voortvloeit.

Index Informatiebronnen

  1. Cyberspace and Web Sociology (SocioSite) - Een uitgebreid overzicht van digitale informatiebronnen over sociologie van het internet.

  2. Anderson, Benedict
    [1983] Imagined Communities: Reflections on the Origin and Spread of Nationalism. Londen: Verso.

  3. Amstrong, A. / Hagel, J.
    [1996] The real value of online communities.
    In: Harvard Business Review, May-June 1996, pp. 134-41.

  4. Bader, Veit/ Benschop, Albert
    [1988] Ongelijk-heden — Pro-theorie van sociale ongelijkheid en collectief handelen
    Groningen: Wolters-Noordhoff.

  5. Batinic, Bernad / Reips, Ulf-Dietrich / Bosnja, Michael (eds.)
    [2002] Online Social Sciences.
    Göttingen: Hofrefe & Huber.

  6. Barfield, W. / Weghorst, S.
    [1993] The sense of presence within virtual environments: A conceptual framework.
    In: Proceedings of the fifth International Conference of Human-Computer Interaction, 699-704.

  7. Bauman, Zygmunt
    • [2000] Liquid Modernity.
      Cambridge: Polity Press.
    • [2001] Community: Seeking Safety in an Insecure World.
      Cambridge: Polity Press.

  8. Bauwens, M.
    [1994] What is Cyberspace?
    In: Computers in Libraries, 14 (4), 42-48.

  9. Baym, Nancy, K.
    • [1995] The emergence of community in computer-mediated communication.
      In: Jones, S. (ed.) [1995] Cybersociety.
      London: Sage.
    • [2000] Tune in, Log on: Soaps, Fandom, and Online Community.
      Thousand Oaks: Sage Publications.

  10. Becker, Barbara/ Paetau, Michael (Hg.)
    [1997] Virtualisierung des Sozialen. Die Informationsgesellschaft zwischen Fragmentierung und Globalisierung.
    Frankfurt am Main.

  11. Benedikt, Michael (ed.)
    [1991] Cyberspace: First Steps.
    Cambridge: MIT Press.

  12. Benschop, Albert

  13. Berg, van den E. / Houwelingen, van P. / Hart, van J.
    [2011] Informele groepen, verkenningen van eigentijdse bronnen van sociale cohesie
    Den Haag: Sociaal Cultureel Planbureau.

  14. Berger, Peter L./ Luckmann, Thomas
    [1966] The Social Construction of Reality: A Treatise in the Sociology of Knowledge.
    New York: Doubleday & Company.

  15. Biocca, F. / Harms, C., / Burgoon, J. K.
    [2003] Toward a more robust theory and measure of social presence: Review and suggested criteria.
    Presence-Teleoperators and Virtual Environments, 12(5), 456-480.

  16. Biocca, F. / Levy, M.R.
    [1995] Communication in the age of virtual reality.
    Hillsdale, NJ: Lawrence Erlbaum Associates.

  17. Boden, D. / Molotch, H.
    [1994] The compulsion of proximity.
    In: Friedland, R. / Boden, D. (eds.) [1994] Nowhere. Space, time and modernity.
    Berkeley: University of California Press.
    De auteurs laten zien dat het sociale leven momenten van fysieke nabijheid (‘proximity’) vereist. ‘Copresent interactie’ is van fundamenteel belang voor sociale interactie. Daarom zal virtueel reizen nooit op significante wijze het fysieke reizen vervangen. Er zijn geen aanwijzingen dat mensen minder betekenis hechten aan ‘copresent interaction’. Voor een groot scala van taken is en blijft fysieke nabijheid een noodzakelijke voorwaarde. Zo’n ‘dikke’ gelijktijdige aanwezigheid brengt rijke, compacte conversaties met zich mee die zich op meerdere niveaus voltrekken. Daarbij gaat het niet alleen om woorden, maar ook om gezichtsuitdrukkingen, lichaamshoudingen en -bewegingen, intonatie van de stem, pregnante stiltes, herinneringen aan conversaties uit het verleden en anticipaties op toekomstige conversaties.

  18. Boissevain, Jeremy
    [1974] Friends of Friends: Networks, Manipulators and Coalitions.
    Oxford.

  19. Butler, B.
    [1999] When is a group not a group: An empirical examination of metaphors for online social structure.
    Pittsburgh: Carnegie Mellon University.

  20. Bühl, Achim
    [1997] Die Virtuelle Gesellschaft. Ökonomie, Politik und Kultur im Zeichen des Cyberspace.

  21. Calhoun, Craig
    [1998] Community without Propinquity Revisited: Communications Technology and the Transformation of the Urban Public Sphere
    In: Sociological Inquiry, 68(1): 373-97.

  22. Chayko, Mary
    [2002] Connecting: How We Form Social Bonds and Communities in the Internet.
    Albany, NY: State University of New York Press.

  23. Cohill, A.M.
    [1997] Community Networks.
    London: Artech House Boston.

  24. Coleridge, Samuel Taylor
    [1847] Biographia Literaria. Volume II.
    London: William Pickering.

  25. Collins, Randall

  26. Cooley, C.H.
    [1903/1983] Social Organization: A Study of the Larger Mind.
    New Brunswick, NJ: Transaction Books.

  27. Daft, R.L. / Lengel, R.H.
    [1985] Organizational Information Requirements, Media Richness, and Structural Design.
    In: Management Science 32(5): 554-71.

  28. Gibson, William
    [1984] Neuromancer.
    New York: Ace Books.

  29. Giles, D. C.
    [2002] Parasocial Interaction: A Review of the Literature and a Model for Future Research.
    In: Media Psychology, 4(3): 279-304.

  30. Goffman, Erving
    • [1959] The Presentation of Self in Everyday Life.
      Anchor Books: New York.
    • [1963] Behavior in Public Places. Notes on the Social Organization of Gatherings.
      New York: Free Press.
    • [1967] Interaction ritual: essays in face-to-face behavior.
    • [1971] Relations in Public: Micro Studies of the Public Order.
      Chicago: Aldine Pub.

  31. Green, M. C. / Strange, J. J. / Brock, T. C.
    [2002] Narrative Impact: Social and Cognitive Foundations. Lawrence Erlbaum Associates.

  32. Griswold, Wendy
    [2008] Cultures and societies in a changing world.
    Thousand Oaks: Sage Publications

  33. Heim, Michael
    [1993] The Metaphysics of Virtual Reality.
    New York: Oxford UP.

  34. Held, R.M. / Durlach, N.I.
    [1992] Telepresence.
    In: Presence, 1(1): 109-12.

  35. Honeycutt, Courtenay
    [2005] Hazing as a Process of Boundery Maintenance in an Online Community
    In: Journal of Computer-Mediated Communication, 10(2).

  36. Horton, Donald, / Wohl, R. Richard
    [1956] Mass communication and para-social interaction: Observations on intimacy at a distance
    In: Psychiatry, 19: 215-229.

  37. International Society for Presence Research (ISPR)

  38. Jones, Steven G. (ed.)
    [1995] CyberSociety: Computer-Mediated Communication and Community.
    London: Sage.

  39. Kieserling, Andre
    [1997] Kommunikation unter Anwesenden. Studien über Interaktionssysteme.
    Dissertationsschrift an der Fakultät für Soziologie der Universität Bielefeld.

  40. Kraut, Robert / Patterson, Michael / Lundmark, Vicki / Kiesler, Sara / Mukokadhyay, Tridas / Scherlis, Willams
    [1998] Internet Paradox: A Social Technology that Reduces Social Involvement and Psychological Well-Being?
    In: American Psychologist, 53(9): 1011-31.

  41. Loader, Brian (ed.)
    [1998] Cyberspace Divide. Equality, Agency and Policy in the Information Society.

  42. Lombard, Matthew / Jones, Matthew T.
    [2013] Telepresence and Sexuality: A Review and a Call to Scholars
    In: Human Technology, 9(1):22-55.

  43. Lombard, Matthew / Ditton, Theresa B.

  44. Matin, C.
    [1998] Net Future.
    New York: Mc Graw- Hill.

  45. McLuhan, M.
    [1964] Understanding Media: The Extensions of Man.
    New York: McGraw-Hill.

  46. Minsky, Marvin
    [1980] Telepresence.
    In: Omni, pp. 45-51.

  47. Negroponte, Nicholas
    [1995] Being Digital.
    Alfred A. Knopf.

  48. O’Conaill, B. / Whittaker, S. / Wilbur, S. [1993]
    Conversations Over Video Conferences: An Evaluation of the Spoken Aspects of Video-Mediated Communication.
    In: Human-Computer Interaction 8: 389-428.

  49. Oldenburg, Ray
    • [1989] The Great Good Place: Cafes, Coffee Shops, Community Centers, Beauty Parlors, General Stores, Bars, Hangouts, and How They Get You Through the Day.
      New York: Paragon House.
    • [2000] Celebrating the Third Place: Inspiring Stories about the “Great Good Places” at the Heart of Our Communities.
      New York: Marlowe & Company.

  50. Pimentel, Ken/Teixeira, Kevin
    [1993] Virtual Reality: Through the New Looking Glass.
    New York: McGraw-Hill.

  51. Platt, Charles
    [1999] You've Got Smell

  52. Postmes, Tom
    [1997] Social Influence in Computer-Mediated Communication: The Effects of Anonimytu on Group Behavior

  53. Postmes, Tom / Spears, Russell / Lea, Martin
    [2000] The Formation of Group Norms in Computer-Mediated Communciation

  54. Powers, M.
    [1997] How to Program a Virtual Community.
    Emeryville: Ziff Davis Press.

  55. Putnam, Robert D.
    [2000] Bowling alone: the collapse and revival of American community.
    New York: Simon & Schuster.

  56. Rheingold, Howard
    [1991] Virtual Reality.
    New York: Summit Books.

  57. Rice, R.E.
    [1992] Task analyzability, use of new medium and effectiveness: A multi-site exploration of media richness.
    In: Organization Science, 2(4): 475-500.

  58. Roach, Eleanor / Lloyd, Barbara B.
    [1978] Cognition and Categorization
    Hillsdale, N.J. New York: L. Erlbaum Associates.

  59. Schutz, Alfred
    [1962] The Problem of Social Reality.
    The Hague: Martinus Nijhoff.

  60. Sheridan, T.B.
    [1992] Musings on telepresence and virtual presence.
    In: Presence, 1(1): 120-6.

  61. Shields, Rob (ed.)
    [1996] Cultures of Internet: Virtual Spaces, Real Histories, Living Bodies.
    London: Sage.

  62. Short, J. / Williams, E. / Christie, B.
    [1976] The Social Psychology of Telecommunications.
    New York: John Wiley.

  63. Slater, M. / Usoh, M.
    [1993] Representation systems, perceptual position, and presence in immersive virtual environments.
    In: Presence, 2(3): 221-33.

  64. Smith, Marc / Kollock, Peter [1999]
    Communities in Cyberspace.
    London: Routledge.

  65. Soukup, Charles
    [2006] Computer-mediated communication as a virtual third place: building Oldenburg’s great good places on the world wide web.
    In: New Media & Society, 8(3): 421-440.

  66. Tatalovic, Mico
    [2010] Digital Scents
    In: Cosmos.

  67. Tönnies, F.
    [1887/1988] Community and Society (Gemeinschaft und Gesellschaft). (C. P. Loomis, Trans.).
    New Brunswick, NJ: Transaction.

  68. Tyler, Rom R.
    [2002] Is the Internet Changing Social Life? It Seems the More Things Change, the More They Stay the Same
    In: Journal of Social Issues, 58(1): 195-205.

  69. Urry, John
    [2000] Mobility and Proximity [pdf]

  70. Vliet, W. van / Burgers, J.
    [1987] Communities in Transition: From the Industrial to the Postindustrial Era.
    In I. Altman & A. Wandersman (Eds.), In Neighborhood and Community Environments.
    New York: Plenum Press.

  71. Walter, Joseph B.
    • [1992] Interpersonal Effects in Computer-Mediated Interaction: A Relational Perspective.
      In: Communication Research 19(1): 52-90.
    • [1996] Computer-Mediated Communication: Impersonal, Interpersonal, and Hyperpersonal Interaction.
      In: Communication Research 23(3): 3-43.
    • [1997] Group and Interpersonal Effects in International Computer-Mediated Collaboration.
      In: Communication Research 23(3): 342-69.

  72. Werry, Chris / Mowbray, Miranda (eds.)
    [2001] Online Communities: Commerce, Community Action and the Virtual University.
    Prentice Hall.

  73. Witmer, Bob G. / Singer, Michael J.
    [1998] Measuring Presence in Virtual Environments: A Presence Questionaire.
    In: Presence 7(3).

  74. Woolley, Benjamin
    [1992] Virtual Worlds: A Journey in Hype and Hyperreality.
    Oxford: Blackwell.

  75. Wuthnow, Robert
    [1994] Sharing the journey: Support groups and America’s new quest for community.
    New York: Free Press.

Index


Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

03 January, 2017
Eerst gepubliceerd: November, 1997