Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

Politieke communicatie en
electorale mobilisatie

—Obama als eerste internetpresident—
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam

Introductie
Kennedy als eerste tv-president
    Van San Francisco via de maan tot Dallas
    Amerikaanse presidentsverkiezing 1960
    Innovatie internet
Politiek gebruik van internet
    Uitbreiding van perifere relaties
    Verschil democraten en republikeinen
    Barackobama.com
Facebook
    Facebook als virtueel publiek domein
    Berichten op de muur
    Politieke functies van Facebook
Hybride campagne
    Hiërarchie en participatie
    Stimuleren van zelforganisatie
    Gecontroleerd burgerschap?
Politieke communicatie en mobilisatie
    Democratisch potentieel
    Informeren: hypertekstueel en multimediaal
    Interacteren: medium van nabijheid
    Collecteren: fondsenwerving
    Mobiliseren en coördineren
    Innovatief gebruik van politieke communicatie
Nomadische gedachten
    Internetpresident
    Soort zoekt soort?
    Nieuw repertoire van politieke actie

Informatiebronnen
Index Politieke sociologie van het internet
Index Netactivisme en wolkbewegingen
Index Politieke sociologie van het internet
Index Vrienden van vrienden: sociale media en netwerken van vrienden

Index Introductie

Historisch gezien waren nieuwe communicatietechnologieën altijd krachtige media voor politieke mobilisatie. Dat gold voor de radio in de jaren ’30, voor de televisie in de jaren ’60 en nu ook voor het internet op het snijpunt van de eeuwwisseling.


Yes, virtually we can !
De Amerikaanse presidentsverkiezingen in 2008 waren een keerpunt in de geschiedenis van politieke campagnes. Zoals John F. Kennedy in 1960 het presidentschap wist te winnen door optimaal gebruik te maken van het destijds nieuwe medium televisie, zo was de overwinning van Barack Obama in 2008 in sterke mate te danken aan het intensieve en creatieve gebruik van het internet. Obama en zijn campagnestaf gebruikten internet om de Democratische nominatie voor het Witte Huis te veroveren en in de uiteindelijke presidentiële strijd met de republikein John McCain.

De campagnestaf van Obama maakte innovatief gebruik van internet als instrument voor politieke propaganda, mobilisatie en organisatie. Zij slaagde erin een nieuw soort evenwicht tot stand te brengen tussen hiërarchische en participerende elementen en opwaarts gerichte spontaniteit. Er ontstond een hybride organisatiemodel waarin controle (van bovenaf) en spontaniteit (van onderop) worden verzoend door vernuftig gebruik van de communicatie en interactiemogelijkheden van het internet.

Hieronder wordt onderzocht in welke mate internet heeft bijgedragen aan de verkiezing van Barack Obama als 44e president van de Verenigde Staten. Hoe werkte zijn internetcampagne?

Wat ‘doet’ het internet?
Het internet is een complexe digitale informatie- en communicatietechnologie die als zodanig helemaal niets ‘doet’ en zeker geen politiek bedrijft. Het zijn de leden en leiders van politieke partijen die internet kunnen gebruiken om hun specifieke boodschap aan de burger te brengen en om hun sympathisanten in beweging te brengen. Politieke partijen gaan online om hun offline strategieën te versterken. Zij benutten nieuwe media om sympathisanten te bereiken, om door te dringen in oude media, om de eigen achterban te mobiliseren of om politieke elites onder druk te zetten.

Op het eerste gezicht verschilt dit niet substantieel van traditionele campagnemethoden, zoals verspreiden van pamfletten, schrijven van brieven, telefoneren, verspreiden van nieuwsbrieven, opstellen van petities, organiseren van bijeenkomsten en langs de deuren gaan. Toch heeft het gebruik van internet wel degelijk invloed op de manier waarop politieke partijen campagne voeren. Politieke partijen kunnen vooral profiteren van het laterale karakter van het medium: internet faciliteert álle basisvormen van politieke communicatie, en dus niet alleen een uitzendmedium, maar vooral ook een interactief medium. En zij profiteren vooral van de virtuele sociale georganiseerdheid van burgers in profielnetwerken zoals Facebook.

Politieke partijen die in staat zijn om van deze eigenaardigheden van het internet gebruik te maken, zijn hierdoor beter in staat om een groter publiek te bereiken, om sympathisanten te stimuleren tot zelforganisatie, om kaders te rekruteren, om hun achterban virtueel en lokaal in beweging te brengen, om fijnmazig en intensief fondsen te werven en om een flexibele en efficiënte campagneorganisatie op te zetten. Soms nemen online activiteiten de vorm aan van directe actie die de technische eigenaardigheden van het internet zelf exploiteren om bepaalde politieke doelen te bereiken. Hacktivisme [Jordan/Taylor 2004] en netactivisme [Benschop 2012] zijn nieuwe vormen van politieke mobilisatie. Zij maken gebruik van methoden die alleen in de online wereld effectief zijn.

Index Kennedy als eerste tv-president

Van San Francisco via de maan tot Dallas

Op 4 september 1951 vond in de Verenigde Staten de eerste live televisie uitzending plaats. De toespraak van president Harry Truman tijdens de Japanse Vredesverdrag Conferentie in San Francisco werd via de infrastructuur van AT&T bij een nog select gezelschap televisiebezitters in de huiskamer gebracht. In november van hetzelfde jaar volgde de eerste live uitzending van een commerciële omroep. Daarna ontwikkelde de televisie zich in hoog tempo en nam het aantal televisietoestellen explosief toe.

In 1955 bezat ruim 65% van de Amerikaanse huishoudens een televisietoestel, en 2% beschikte al over een tweede toestel. In 1959 beschikte 78% van alle huishoudens over een televisie en 8% over een tweede toestel [Elert 2007]. Tegenwoordig bezit 99% van alle huishoudens in de VS een televisietoestel en zijn er meer televisies in de VS dan dat er inwoners zijn.

Een mijlpaal in de geschiedenis van de Amerikaanse televisie was de uitzending over de eerste maanlanding. Op 21 juli 1969 schakelden ruim 53 miljoen huishoudens in om live Neil Armstrong en Buzz Aldrin als eerste op de maan te zien lopen [First Moonlanding 1969]. Dit was ruim 93% van alle huishoudens die een televisietoestel bezitten. Deze kijkdichtheid is nooit meer geëvenaard.

President John Fitzgerald Kennedy (alias JFK) was in hoge mate verantwoordelijk voor het ruimteprogramma dat erop gericht was om een Amerikaan als eerste op de maan te laten landen. In zijn beroemde toespraak op de Rice Universiteit op 12 september 1962, kondigde JFK aan wat het doel van ruimterace in de jaren zestig zou worden: “We Choose to go to the Moon.” Hij zou het zelf niet meer meemaken. Op vrijdag 22 november 1963 werd hij in Dallas Texas vermoord. Ook dat was een iconisch moment uit de televisiegeschiedenis [CBS Nieuwsverslag van de moord op JFK].

De moordaanslag op John F. Kennedy was niet alleen een internationaal politiek drama, maar ook een groot mediaspektakel [Baker 1965]. Zo eindigde zijn politieke carrière zoals deze vanaf het begin vorm en elan had gekregen.

Index


Amerikaanse presidentsverkiezing in 1960
In 1960 werden de Amerikaanse presidentsverkiezingen voor het eerst in de geschiedenis primair via de televisie uitgevochten. De grote debatten tussen de democratische en republikeinse kandidaten werden rechtstreeks uitgezonden. Miljoenen kiezers met een televisie kregen voor de eerste keer een kans om te horen én zien hoe de kandidaten met elkaar debatteerden. Met die informatie vormden zij niet alleen een oordeel over de politieke standpunten van de kandidaten, maar ook over hun betrouwbaarheid. deskundigheid, evenwichtigheid, en uiterlijk.

Richard Nixon was de conservatieve Republikeinse tegenstander van Kennedy. Nixon vertrouwde voornamelijk op de inhoud van de debatten en begon pas laat met het maken van televisiespotjes. Maar het campagneteam van JFK maakte van het nieuwe medium een prioriteit. Zijn toespraken werden zorgvuldig voorbereid zodat zij ook in televisieshows konden worden gebruikt. Kennedy was te gast bij verschillende talkshows en actualiteitenprogramma’s. Er werden miljoenen dollars gestoken in de televisiecampagne, weken voordat het team van Nixon hier aan zou beginnen.

Kennedy was aanvankelijk geen gedoodverfde favoriet. Noch in de senaat, noch in het Huis van Afgevaardigden had Kennedy een brede steun opgebouwd voor zijn kandidaatschap. Maar hij zag er op televisie goed uit. Hij wist hoe dat nieuwe medium gebruikt kon worden om een beeld te presenteren van zichzelf als competente en krachtige leider van een superieure natie.

Kennedy wist waar zijn sterke punten lagen. En hij voorzag de opkomst van een nieuw type politicus dat beter zou kunnen omgaan met het nieuwe medium. De politicus van de toekomst moest vooral TV appeal hebben — de X-factor van politici. Volgens Kennedy zou dit nieuwe type van de televisie politicus aan de volgende eisen moeten voldoen:

Kennedy was de eerste televisiepresident [Berry 1987; Watson 1991]. Met zijn campagneteam onderkende hij beter dan zijn republikeinse opponent het politieke belang van televisie. Door eerder met een televisiecampagne te beginnen dan zijn tegenstander, kon hij een voorsprong opbouwen die hij niet meer uit handen gaf. Zijn slimme mediagebruik was een sterke schakel waardoor JFK de 35e president van de Verenigde Staten kon worden.

Index


Innovatie internet
In de 21e eeuw is er een nieuw medium dat een vergelijkbare, stormachtige ontwikkeling doormaakt als de televisie in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw. Internet is in korte tijd een wezenlijk onderdeel geworden van de samenleving. Internet is niet alleen diep verankerd in ons lokale, alledaagse leven, maar oefent inmiddels ook op grotere schaal invloed uit op sociale structuren en politieke processen. Via internet blijven we in contact met vrienden, kennissen, collega’s en gelijkgestemden. Via internet blijven we op de hoogte van het laatste nieuws en krijgen we snel informatie over de meest uiteenlopende zaken. Internet biedt ruimte voor nieuwe waarden en ideeën die bepalend zijn voor de inrichting van de samenleving en het beheer van het politieke systeem.

Ook de grote politieke partijen hebben inmiddels de kracht van het internet ontdekt. Tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2008 maakten alle politieke partijen gebruik van het internet om hun doelstellingen en programma’s uit te dragen en de eigen achterban te mobiliseren. De internetcampagne die Barack Obama en zijn team voerden, was ongetwijfeld het meest effectief, en leidde mede daardoor tot zijn presidentschap.

Voorlopers
Senator McCain gebruikte in 1999 voor het eerst internetbanners in zijn strijd om de Republikeinse nominatie tegen George Bush. Howard Dean was in 2004 de eerste democratische presidentskandidaat die het internet gebruikte om zijn achterban te mobiliseren, middels een eigen Blog for America en via Meetup.com [McCullagh 2004; Chadwick 2005]. Politici en politicologen waren er aanvankelijk niet van overtuigd dat de lage transactiekosten van het web veel verschil zouden maken voor het praktische werk van het mobiliseren van politieke macht door burgers. De campagne van Dean toonde aan dat zij ongelijk hadden. Virtuele bewegingen waren veel meer dan een stelletje online kletskousen, het waren nieuwe politieke associaties die niet alleen indrukwekkend waren in omvang, maar ook in hun creatieve kracht [Karph 2012: xii].

Wat Howard Dean in zijn strijd om de democratische voorverkiezing in 2004 nog niet lukte, en waar ook Ségolène Royal bij de Franse presidentsverkiezing in 2007 nog faalde, daar won de internetkandidaat bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2008.

Toen Obama besloot om zich kandidaat te stellen voor het presidentschap, werd er door aanhangers een pagina op MySpace gemaakt . Hoewel dit initiatief niet verbonden was met de officiële campagne, tekenden al snel meer dan 160.000 aanhangers in. Dit is een veel krachtiger instrument om nieuwe supporters te mobiliseren dan het versturen van e-mails of het wachten tot activisten naar jouw website komen. Hierdoor was Obama in staat om groepen te mobiliseren die traditioneel niet in politiek geïnteresseerd waren (vooral jongeren, armen en kleurlingen).

Index Politiek gebruik van internet

Uitbreiding van perifere relaties en zwakke sociale verbindingen
In 2008 nam het gebruik van het internet voor politieke doeleinden in de VS explosief toe. In dat jaar ging zo’n 74% van de internetgebruikers online om deel te nemen aan het politieke proces of om nieuws en informatie te krijgen over de verkiezing [Pew: apr 2009]. Deze online politieke gebruikers bestaat uit drie categorieën:

Een vergelijking met vorige jaren maakt duidelijk hoezeer het politieke gebruik van het internet is toegenomen. In 1996 ging nog slechts 4% van alle volwassenen in de VS online voor politiek nieuws of informatie over één van de kandidaten. In 2008 is dit aantal meer dan vertienvoudigd. Ook onder internetgebruikers is de stijging imposant: van 1996 tot 2008 verdrievoudigde het opzoeken van online politiek nieuws tot 60% van alle internetgebruikers in de VS.

Groeiend publiek voor online politiek nieuws
Het % volwassenen dat online gaat voor nieuws en informatie over politiek of de verkiezingen
 
1996
2000
2004
2008
 
%
%
%
%
Onder alle volwassenen
4
18
29
44
Onder internetgebruikers
22
33
52
60
Bron: Pew Internet & American Life Project
and Pew Research Center for the People and the Press Post-Election Surveys

De betekenis van het online politieke nieuws is dus sterk toegenomen. Internet speelt een meer prominente rol in de mediaomgeving. De volgende grafiek laat zien dat in 2008 de televisie weliswaar nog steeds de dominante bron van politiek nieuws was, maar dat het internet (met 26%) een bijna even grote rol vervulde als de kranten (met 28%).

Belangrijkste bronnen van verkiezingsnieuws
Waar Amerikanen het meeste nieuws over politiek en de verkiezing halen
(onder alle volwassenen, twee antwoorden toegestaan)

Bron: Pew Internet & American Life Project and Pew Research Center for the People and the Press
post-election surveys.

In vergelijking met 1996 laten haast alle bronnen van nieuws een afname zien in 2008 met uitzondering van de televisie, die nagenoeg gelijk is gebleven, en het internet dat met zo’n 26% nog slechts een paar punten onder de nummer twee, de kranten zit. In 1996 werd het internet door nog geen 5% van de bevolking als politieke nieuwsbron gebruikt.

Voor internetgebruikers en mensen onder de 50 jaar is deze verschuiving in het politieke gebruik van media nog pregnanter. Meer dan 35 procent van de internetgebruikers krijgt zijn nieuws over de verkiezingen online. In de leeftijdscategorie van 18 t/m 49 jaar plukte ruim 34% het politieke nieuws primair van het internet, terwijl slechts 20% van deze leeftijdsgroep de krant als primaire nieuwsbron gebruikte. Internetters met een breedbandverbinding zoeken hun politieke nieuws twee keer zoveel online dan in kranten.

Het onderzoek naar het online politieke gedrag van internetgebruikers toonde verder aan aan:

Index


Verschillen tussen republikeinen en democraten
Republikeinse stemmers maken over het algemeen meer gebruik van het internet dan democratische stemmers. Van de aanhangers van de republikeinse kandidaat senator John McCain was 83% regelmatig online tegen slechts 76% van de Obama aanhangers. Republikeinen hebben gemiddeld een hogere opleiding en een hoger inkomen, wat de twee dominante factoren zijn die internetgebruik voorspellen. Maar de aanhangers van Obama participeerden in een bredere reeks online politieke activiteiten. Obama is er beter in geslaagd om zijn aanhang online te mobiliseren.

Obama stemmers nemen het voortouw in online politiek activisme

Weliswaar zijn er procentueel gezien meer republikeinen online, maar wanneer het gaat om de mobilisatie van de kiezers winnen de democraten procentueel met overmacht. 22% van all Obama aanhangers communiceerden via e-mail of sms met elkaar over de campagne of ontvingen informatie direct van een partij of kandidaat op hun mobieltje. Voor de McCain stemmers is dit 14%.

Index


Barackobama.com
De website van Barack Obama, www.barackobama.com of www.mybarackobama.com, speelde een belangrijke rol in de mobilisatie van zijn potentiële aanhang.

De huidige Barack Obama website is uiteraard sterk gericht op de verkiezingscampagne in november 2012. Daarnaast richt de website zich op het omvangrijke plan voor de herstructurering van het zorgstelsel waar Obama zich sterk voor heeft gemaakt. Toch is de structuur van de website niet veel veranderd in vergelijking met 2008. De website biedt niet alleen informatie en achtergronden, maar geeft mensen ook de mogelijkheid hun steentje bij te dragen aan de campagne zonder dat iemand zijn hele dag hiervoor hoeft op te geven. En uiteraard kunnen er via de website donaties worden gegeven voor het campagnefonds.

Collaborative Fundraising
“Hij bouwde een geldmachine die nooit eerder in de nationale politiek is gezien en deed dat via het internet. Zijn fondsenwervers trokken kleine én grote donoren aan, fondsenwervers en fondsengevers, activisten en nieuwkomers ­ en koppelden meteen maar iedereen die wat deed in het Obama-netwerk; je werd meteen deel van een community. Het mooie van het systeem was dat de kandidaat er zelf nooit op uit hoefde. Terwijl John McCain en Hillary Clinton steeds zelf aanwezig moesten zijn bij dure dineetjes voor welgestelde Amerikanen, haalde Obama via het internet cheques binnen met bedragen van honderd, tweehonderd dollar” [Verhagen 2008].
Op de officiële website van Barack Obama en Joe Biden kon op eenvoudige wijze geld worden gedoneerd. In 2008 haalde Obama via zijn website in de 21 maanden durende presidentscampagne ruim een half miljard dollar op. Meer dan 3 miljoen donateurs deden meer dan zes en een half miljoen donaties. Van deze zes en een half miljoen donaties waren zes miljoen donaties minder dan honderd dollar. Gemiddeld werd er tachtig dollar gedoneerd, maar vaak doneerden mensen meer dan een keer . Online donaties zijn goed voor 65% van alle donaties die aan het Obama campagneteam zijn gedaan.

Bezoekers kunnen op de website een eigen account aanmaken waardoor zij automatisch op de hoogte worden gehouden van online en offline activiteiten. Het is ook mogelijk zelf activiteiten te organiseren. Op de website werden twee miljoen profielen gecreëerd en ruim 200.000 lokale evenementen georganiseerd. Er werden meer dan 35.000 vrijwilligersgroepen gevormd en meer dan 400.000 blogs gepost. Via 70.000 persoonlijke pagina’s voor fondswerving werd 30 miljoen dollar opgehaald.

De laatste vier dagen van de presidentscampagne in 2008 werden er drie miljoen telefoontjes gepleegd via de online tool op de website. Bezoekers konden via de website hun steentje bijdragen door mensen te bellen om hen te overtuigen op Obama te stemmen. In een op YouTube gepubliceerde video wordt uitgelegd hoe dit in zijn werk gaat: How to: Phone Banking and Calling for Barack Obama 2008.

Wie zich inschreef op Grassroots Fundraising committeerde zichzelf om duizend dollar in te zamelen voor de campagne. Deelnemers werden door Obama’s campagneteam begeleid om dit doel te halen. De website van Obama maakt intensief gebruik van de mogelijkheden van sociale media om met elkaar in contact te komen en te blijven. De hele site is erop gericht mensen te stimuleren om zelf aan de campagne bij te dragen.

Obama en zijn campagneteam lieten het ontwerp en de lancering van de website over aan Chris Hughes — de 28-jarige voormalig huisgenoot van Facebook oprichter Mark Zuckerberg. In 2008 werd hij coördinator van het online campagneteam van Obama en was hij verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de website www.mybarackobama.com.

Voorheen werd de technologie van het internet tijdens verkiezingscampagnes alleen gebruikt om mensen te informeren, maar nooit om te mobiliseren. Dit veranderde toen Chris Hughes zich met de campagne ging bemoeien.

Hughes bracht iets tot stand wat Obama graag wilde maar niet wist of het wel mogelijk was: een virtueel mechanisme voor het opschalen en ondersteunen van collectieve actie.

Index Facebook

Facebook als virtueel publiek domein
Het gebruik van internet voor politieke campagnes is zowel bij kandidaten als stemmers aanzienlijk geïntensiveerd. De kandidaten gebruikten de meest uiteenlopende online instrumenten om met hun achterban en stemmers te communiceren, fondsen te werven, gemeenschappen te cultiveren en bijeenkomsten te organiseren. Aan de andere kant hebben kiezers online instrumenten zoals blogs en sociale netwerksites gebruikte om zich te verbinden aan kandidaten, om deel te nemen aan de politieke dialoog, om activistische doelen te bereiken en informatie te delen.

De publieke ruimte is het domein van het maatschappelijke leven waar politieke meningen worden gevormd en uitgedragen. Het internet is in veel opzichten een modernere, meer omvattende versie van publieke sferen en fora die door de eeuwen heen burgerschap mogelijk hebben gemaakt [NetActivisme en WolkBewegingen]. Facebook is een vorm van politieke openbaarheid die in vergelijking met andere online fora nog het meest voldoet aan de vereisten voor een democratische debat [Robertson e.a. 2010:13].

Facebook faciliteert een democratische openbaarheid waar publieke interesses, politieke meningen, agenda’s en problemen worden gearticuleerd en met andere burgers worden gedeeld. Via Facebook worden niet alleen politieke meningen en agenda’s gevormd en verspreid, maar worden ook de meest uiteenlopende —analoge én digitale, lokale én virtuele— acties geïnitieerd en bijeenkomsten georganiseerd. Facebook is niet alleen een sociale netwerksite, het is ook een medium voor politiek activisme.

Het gebruik van Facebook voor politieke doeleinden werd niet in 2008 uitgevonden. Al in 2006 had een meerderheid van de leden van het Amerikaanse congres een eigen Facebookpagina. Maar pas tijdens de presidentsverkiezingen in 2008 werd het gebruik van Facebook geïntensiveerd en geprofessionaliseerd.

Index


Berichten op de muur
Belangrijk gedurende de verkiezingen van 2008 waren de zogenaamde walls binnen Facebook. De wall van een kandidaat is een publiekelijk forum waar zij hun gedachten kunnen delen en waar ook het gevoel van nabijheid (of moeten we zeggen: de illusie van bereikbaarheid) tot de kandidaat —en inmiddels president— wordt gecreëerd. Op Facebook opererende burgers leken op die manier direct in contact te komen met Obama.

Robertson e.a. [2010] onderzochten de postings op de walls van de Facebookpagina’s van John McCain, Hillary Clinton en Barack Obama in de periode 1 september 2006 tot 30 september 2008. In totaal werden in deze periode 687.626 berichten geplaatst, waarvan er ruim 47% terecht kwamen op de pagina van Obama. Clinton kreeg 46% van alle berichten op haar pagina, terwijl McCain het moest doen met een schamele 7% van het totaal aantal berichten. De republikeinse kandidaat slaagde er nauwelijks in om zijn achterban online te activeren.

Wall Postings
Sommige Facebookers plaatsen hetzelfde bericht op de pagina’s van meerdere kandidaten. Dit schema toont de verdeling van het aantal berichten met overlappingen.


Obama trekt in iedere categorie de meeste mensen naar zijn Facebook-pagina, zowel bij hen die alleen op zijn pagina berichten plaatsen, als bij hen die op meerdere pagina’s dezelfde berichten plaatsen.

Bron: Robertson e.a. 2010

Index


Politieke functies van Facebook
De campagne van Barack Obama was vernieuwend in het gebruik van zeer uiteenlopende informatie en communicatietechnologieën. Het politieke Facebook effect is hiervan het meest sprekende voorbeeld. Het politieke gebruik van Facebook tijdens de presidentiële campagne van 2008 kan worden samengevat in de volgende voordelen of functies.

Index Hybride campagne

Hiërarchie en participatie
Tijdens de presidentiële campagne van 2008 ontwikkelde zich een nieuw campagnemodel. Dit model was niet alleen nieuw in vergelijking met wat in alle voorgaande campagnes werd vertoond. Het was ook nieuw als we kijken naar de verschillen tussen de campagnemodellen van Obama en McCain.

Het campagnemodel van de republikeinse kandidaat John McCain was in meerdere opzichten traditioneel en hiërarchisch van opzet. Zijn campagne bood veel minder ruimte voor externe impulsen dan die van Obama. De website van McCain moest eerst door de republikeinse partij worden goedgekeurd voordat zij gelanceerd mocht worden. Het campagnemodel van Obama probeerde een balans te vinden tussen leiding-van-bovenaf en massaparticipatie-van-onderop, tussen hiërarchische en participerende aspecten [Vaccari 2010:329].

Het hybride organisatorische model van het campagneteam van Obama verenigt twee schijnbaar tegenovergestelde aspecten. Het is geen typisch top-down model waarin politieke elites hun willekeurig mobiliseerbare achterban in beweging brengen, maar het is ook geen typisch bottom-up model waarin grote zichzelf organiserende massa’s semispontaan in politieke beweging komen.

Van bovenaf
Top-down
Van onderop
Bottom-up
Elite Massa
Verticaal Horizontaal
Organisatie Coöperatie
Leiding geven Participeren
Planning Spontaniteit
Routine Creativiteit
Centraal Decentraal
Discipline Vrijwilligheid
Instructie Interactie
Professionele organisatie Zelforganisatie
Vaste structuren Vloeiende bewegingen

Dit zijn de bekende dualiteiten die meestal abstract tegenover elkaar worden gesteld. In het campagnemodel van Obama werd geprobeerd om deze tegenstrijdige elementen op nieuwe wijze met elkaar te verbinden. Structuur, organisatie, planning, discipline en professionaliteit zijn niet per se belemmeringen voor samenwerking en creativiteit, maar heel vaak en vergaand ook een voorwaarde. Een professionele en gedisciplineerde organisatie van een politieke campagne is een voorwaarde om energieën van onderop te stimuleren en deze in effectieve bewegingsvormen te modelleren. Vrijwilligers kregen van het campagneteam van Obama erg veel vrijheid om eigen ideeën en voorstellen in te brengen. Tegelijkertijd werden de doelen en specifieke taken door het campagneteam zeer duidelijk omschreven, gestructureerd en in talloze kleine taakpakketten opgesplitst. Bij de uitvoering van deze taken kregen vrijwilligers en parttime activisten echter een grote handelingsvrijheid.

Index


Stimuleren van zelforganisatie
De kern van het hybride campagnemodel werd door Chris Hughes als volgt omschreven: Zowel op de Obama website als op Facebook werden mensen aangemoedigd om zelf initiatieven in te brengen. Maar het campagneteam drong ook aan op de organisatie van bepaalde activiteiten en evenementen op een specifieke dag en locatie met duidelijke doelen. Het werk van deze vrijwilligers werd door de campagnestaf ondersteund; zij werden aangemoedigd om hun betrokkenheid te versterken. Daarnaast werden zowel offline als online trainingen aangeboden voor het organiseren van bijeenkomsten en voor gesprekstechnieken die nuttig zijn als men voor Obama naar kiezers gaat bellen.

Voor het opstellen van richtlijnen voor vrijwilligers maakte het campagneteam volop gebruik van de informatie die zij via de website en de Facebookpagina had verzameld. Op die manier konden vrijwilligers goed worden aangestuurd. Wanneer bijvoorbeeld een veteraan inlogde op de vrijwilligerssectie dan voorziet het systeem hem van namen van stemmers die ook veteranen zijn. Op die manier stimuleerde men van onderop de vorming van een gemeenschap van veteranen die de campagne ondersteunden.

Het hybride organisationele model van Obama probeerde dus een evenwicht tot stand te brengen tussen activistische sympathisanten die een basisbeweging vormen en de mogelijkheden van het campagneteam om deze beweging institutioneel te volgen en aan te sturen.

Data mining en de lange staart
Voor de mobilisatie van kiezers wordt gebruik gemaakt van internet ’data mining’. Men identificeert potentiële supporters in elke staat en elk kiesdistrict. Daarbij wordt een technologie gehanteerd die de voorkeuren van kiezers voorspelt op basis van commerciële data over autobezit, abonnement op tijdschriften e.d. Op basis van deze gegevens worden gedetailleerde instructies verstuurd naar vrijwilligers waarin staat wie zij moeten bezoeken, inclusief lokale kaarten van het gebied en de looproute, en de onderwerpen waarover elke potentiële kiezer zich waarschijnlijk zorgen maakt.

Met behulp van de door het campagneteam opgezette telefoondatabase konden vrijwilligers een uurtje van hun tijd besteden aan het opbellen van kiezers. Ze hoefden helemaal niet uit hun luie stoel te komen, maar kregen via de site een lijst met telefoonnummers en een suggestie voor de boodschap.

Tegelijk fungeerden de online kanalen als een enorme verzamelbak voor de coördinaten van potentiële kiezers. Alle supporters konden telefoonnummers of e-mailadressen invoeren van gelijkgestemden, die later op sleutelmomenten opgeroepen werden om te gaan stemmen of de campagne te steunen.

Op die manier probeerde de campagnestaf gebruik te maken van het long tail effect. Obama slaagde erin om mensen in het politieke proces te betrekken die zich nooit eerder met politiek hadden ingelaten [Catone 2008].

Het campagneteam ontwikkelde een serie online tools die vrijwilligers konden gebruiken om elkaar te ontmoeten, om evenementen te organiseren of hun tijd te investeren in de campagne. Het meeste werk werd door de vrijwilligers gedaan. Ook al betekende dat soms niet meer dan een uurtje vanuit je luie stoel opbellen. De leuze was duidelijk: “Je kunt hier en nu iets doen, waar je ook bent en op elk tijdstip.”

Index


Gecontroleerd burgerschap
Volgens sommige waarnemers is deze benadering een verdere uitbreiding van gecontroleerd burgerschap (managed citizenship). Zij vergroot immers de macht van de campagne managers terwijl het tegelijkertijd zorgvuldig gecontroleerde burgerinitiatieven stimuleert [Howard 2006:14]. Maar de gehanteerde technologieën hebben ook nieuwe kansen geschapen voor intensieve participatie van vrijwilligers en sterkere vertrouwensrelaties tussen campagnestaf en sympathisanten.

Het campagneteam van Obama slaagde erin om mensen die politieke interesse hebben en met zijn programma sympathiseren met elkaar in contact te brengen en op deze manier beweging van onderop te stimuleren en in de juiste richting te leiden. Door de opbouw van een goed informatiesysteem was de staf van Obama in staat om vrijwilligers doeltreffend in te zetten. De dertien miljoen aanhangers die hun e-mailadres hadden achtergelaten ontvingen specifieke informatie die was afgestemd op hun eigen noden en interesses.

Burgers konden zelf specifieke, tijdgebonden en doelgerichte taken kiezen in een omgeving die meerdere laagdrempelige kansen voor betrokkenheid biedt. Een slimme organisatie krijgen op deze wijze meer macht over haar leden dan met permanent lidmaatschap van bureaucratische structuren [Bimber 2003:331]. De Obamacampagne steunde in sterke mate op mondige burgers en activiteiten van onderop. Maar dit vereist een robuuste structuur en een uitgekiende organisationele inspanning. Het organisatiemodel van de campagne was geen simpele beweging richting decentralisatie — zij bestond veeleer uit een combinatie van een middelpuntvliedende en een middelpuntzoekende dynamiek [Vaccari 2010:331].

Index Politieke communicatie en mobilisatie

Democratisch potentieel: supermedium van politieke communicatie
Door het toenemende gebruik van internet en de opkomst van de mobiele communicatie is informatie over politiek letterlijk binnen handbereik en kan op ieder moment van de dag worden opgevraagd. In de internetcampagne van Obama werd hier slim op ingespeeld door actief te zijn via allerlei sociale media. Maar dit informatieve gebruik van moderne informatie- en communicatietechnologieën is niet voldoende. Voor het succes van Obama’s campagne was vooral de mobilisatie van kiezers van doorslaggevend belang.

Veel mensen geloven dat het internet een medium is met een grote democratische potentie. Dat geloof is gebaseerd op een aantal steekhoudende argumenten. Ten eerste is internet een laagdrempelig medium waarvan alle burgers gebruik kunnen maken om hun opvattingen en verlangens naar voren te brengen. Het enige wat men hiervoor nodig heeft is een computer, laptop, tablet of slimme telefoon en een internetaansluiting. Ten tweede is het een globaal medium waarmee iedereen razendsnel over grote afstanden bereikt kan worden. Geografische grenzen tussen continenten, landen en regio’s verdampen als sneeuw voor de digitale zon. Ten derde is het een interactief medium dat ons in staat stelt om online op alle denkbare manieren met elkaar te communiceren.

Internet is een supermedium dat alle vormen en typen van communicatie en interactie ondersteunt die van betekenis zijn voor politieke processen en partijen.

Ontvanger
Zender
Een Velen
Een
Een-op-een
Bilaterale of persoonlijke communicatie
Analoog: Gelijktijdig in fysieke nabijheid (face-to-face ontmoeting); gelijktijdig op afstand: telegraaf, telefoon; ongelijktijdig op afstand: brief.
Digitaal: Mensen communiceren bilateraal gelijktijdig via chat, webcam, Skype, smartphone en videoconferentie, of ongelijktijdig via e-mail, sms en sociale netwerken.
Een-op-velen
Middelpuntvliedende of centrifugale communicatie: principe van massacommunicatie
Individuele burgers of politieke leiders communiceren hun boodschap naar hun eigen of potentiële achterban.
Analoog: Individuele burgers articuleren in woord, tekst of beeld hun politieke opinie voor een publiek: toespraak, pamflet, brochure, boek, krant, tijdschrift; radio en televisie.
Digitaal: Individuele burgers of politieke leiders articuleren hun visies in de virtuele wereld van het internet: website, blog, discussieforum, profielsites, YouTube, e-mails, sms etc.
Velen
Velen-op-een
Middelpuntzoekende of centripetale communicatie: principe van democratische communicatie
Analoog: Middels petitionnement, referendum of demonstratie richten meerdere burgers zich tot één politieke leider of staatsautoriteit om onvrede/klachten te uiten, om bepaalde belangen te vertegenwoordigen of om eisen te stellen. In georganiseerde democratieën stemmen burgers op vertegenwoordigers die door politieke partijen worden gekandideerd.
Digitaal: Geassocieerde burgers brengen online hun gemeenschappelijke kritiek of eisen naar voren.
Velen-op-velen
Multilaterale communicatie: principe van burgercommunicatie
Analoog: Partijpolitiek of anderszins geassocieerde burgers delibereren onderling. Zij komen bijeen in een buurtcafé om met elkaar te over leggen wat er moet gebeuren. Zij vergaderen op plaatselijk, regionaal, nationaal of internationaal niveau. Of zij gaan de straat op om te demonstreren voor een in hun ogen gerechtvaardigde zaak.
Digitaal: Communiceren via webfora, sociale netwerksites en twitter.

In de virtuele ruimte van het internet kunnen we zowel gelijktijdig met elkaar communiceren (synchroon) als op verschillende tijdstippen (asynchroon). Wij kunnen een-op-een met elkaar communiceren in de vorm van een persoonlijk gesprek, maar we kunnen ook alle andere vormen van communicatie gebruiken. De internettechnologie stelt ons in staat om al deze vormen en typen van communicatie afzonderlijk en tegelijkertijd en in afwisselende variaties en combinaties te gebruiken. Dit biedt welhaast ideale condities voor processen van democratische menings- en besluitvorming waarin alle deelnemers afwisselend en naar eigen wens zowel als zenders of ontvangers fungeren.

Dat is precies wat er in de verkiezingscampagne in 2008 gebeurde. De staf van Obama heeft zonder uitzondering van alle typen en vormen van communicatie gebruik gemaakt om haar boodschap te verspreiden.

Index


Informeren: hypertekstueel en multimediaal
Internet is een flexibel en efficiënt medium om een zeer groot publiek te informeren tegen zeer lage kosten. Digitale informatie hoeft niet meer op materiële dragers (zoals pamfletten of brochures) gereproduceerd te worden. Wanneer politieke informatie eenmaal op internet is geplaatst, is zij direct toegankelijk voor het grootst denkbare publiek. Politieke informatie zoals algemene en deelprogramma’s, achtergrondanalyses, commentaren kunnen integraal op het internet worden geplaatst en kunnen hypertekstueel en multimediaal worden gepresenteerd. Bovendien kan al deze informatie snel en tegen geringe kosten permanent worden geactualiseerd.

Index


Interacteren: medium van nabijheid
Internet is veel meer is dan alleen een nieuw massamedium waarmee politieke partijen hun opvattingen en standpunten onder grote groepen burgers kunnen verspreiden. Internet is een interactief medium dat zich bij uitstek leent voor uitwisseling van politieke visies en standpunten tussen gelijkwaardige burgers. Internet is dus een medium van democratische meningsvorming (zonder paternalisme).

Internet is ook een medium waarmee politieke partijen en kandidaten direct kunnen interacteren met hun eigen achterban, en waarmee kiezers zich onderling kunnen verstaan. Obama’s Facebook pagina speelde hierbij een belangrijke rol — ook al zullen niet alle communicaties door Obama persoonlijk zijn verricht.

Index


Collecteren: fondsenwerving
Internet vervult een dubbele rol bij het verwerven van fondsen voor de financiering van politieke campagnes. Enerzijds biedt internet de mogelijkheid om direct geld te doneren. Door het plaatsen van een doneerknop op de eigen website worden alle bezoekers direct in de gelegenheid gesteld om een bepaald bedrag voor de campagne van hun kandidaat te doneren. Anderzijds wordt internet gebruikt om vrijwilligers te stimuleren op de eigen websites een doneerknop te plaatsen of op andere —analoge— wijze geld voor de campagne op te halen.

We hebben gezien dat via de website van Obama ruim een half miljard dollar aan donaties werd opgehaald en dat het overgrote deel van deze donaties niet meer dan honderd dollar bedroeg. Zeer veel mensen deden (meerdere) kleine donaties, wat uiteindelijk leidde tot een enorm bedrag.

Index


Mobiliseren en coördineren
Politieke mobilisatie is zelden spontaan
“Political mobilization is seldom spontaneous. Before any large element of the population can become a part of the American political process, organizations must be formed, advocates must be trained, and the material resources needed to gain the attention of national policy-makers must be gathered” [Jack Walker, Mobilizing Interst Groups in America, 1991:94].
Internet is een medium waarmee politieke partijen hun eigen achterban in actie kunnen brengen en waarmee deze acties kunnen worden gecoördineerd. Die acties kunnen louter virtueel van karakter zijn en zich in eerste instantie uitsluitend op het internet zelf voltrekken. Voorbeelden daarvan zijn het organiseren van online petities en protesten. Maar internet is ook een medium waarmee de meest uiteenlopende lokale bijeenkomsten of protesten van sympathisanten kunnen worden geïnitieerd. Het campagneteam van Obama stelde online de middelen ter beschikking waarmee sympathisanten zelf het initiatief konden nemen om zowel lokale als virtuele bijeenkomsten te organiseren en te coördineren.

Internet maakt een groot aantal coördinerende activiteiten veel makkelijker.

Het online stimuleren en faciliteren van initiatieven van (grotendeels parttime) vrijwilligers is waarschijnlijk het meest doorslaggevende element van Obama’s succesvolle internetpolitiek. De sleutel van dit succes is zelforganisatie van de eigen achterban.

Index


Innovatief gebruik van communicatietechnologie

Het innovatief gebruik van communicatietechnologie was altijd al een stuwende kracht in processen van sociale verandering. Obama’s campagneteam creëerde diverse virtuele mogelijkheden die ruimte boden voor nieuwe ideeën. Door effectief gebruik van analoge en digitale communicatievormen werden potentiële kiezers op grote schaal gemobiliseerd. De online interactie tussen kiezers en de stimulans tot actieve parttime participatie bracht een groot aantal enthousiaste aanhangers in beweging.

Vrijwilligers voelden zich sterk betrokken bij de campagne en hadden het gevoel onderdeel uit te maken van een brede sociale beweging die substantiële maatschappelijke veranderingen teweeg zou kunnen brengen. Het succes van Obama’s internetcampagne was het gevolg van een in meerdere opzichten hybride politieke strategie.

Dankzij deze strategie kon een nationaal sentiment van veranderingszucht (“Yes we can!”) worden omgezet in een politieke overwinning van een relatieve underdog in de strijd om het leiderschap van een van de machtigste naties ter wereld.

Index Nomadische gedachten

Internetpresident
Barack Obama kan met recht de eerste internetpresident worden genoemd, zoals J.F. Kennedy de eerste televisiepresident was. De innovatieve manier waarop hij met zijn campagneteam gebruik heeft gemaakt van het nieuwe medium heeft een cruciale rol gespeeld in zijn uiteindelijke overwinning.

Bij alle presidentskandidaten nam het gebruik van internet sterk toe en steeds meer burgers gebruikten het internet om politieke informatie in te winnen. De democratische partij slaagde er echter beter in om haar potentiële aanhang te mobiliseren. Dat was vooral te zien aan het grote aantal vrijwilligersgroepen, maar ook aan het enorme aantal relatief kleine donaties die werden opgehaald. Niet de grootte van de donatie was van doorslaggevend belang voor de fondsenverwerving, maar de massaliteit en de frequentie waarmee deze werd gedaan. Niet het grote aantal uren dat een vrijwilliger aan de campagne besteedde was doorslaggevend, maar de massaliteit en de frequentie waarmee kleine klusjes werden uitgevoerd. Niet de algemene boodschappen die via massamedia naar alle burgers werden verstuurd gaven de doorslag, maar de specifieke, op de persoon gerichte benadering van potentiële kiezers via internet en telefoon.

Obama’s verkiezingscampagne van 2008 is een leerstuk voor de nieuwe manier van campagnevoeren in het internettijdperk.

Index


Soort zoekt soort?
Echput
Internet als echoput
Sommige auteurs beschouwen de virtuele wereld en in het bijzonder de online sociale netwerken als een echoput zijn. In plaats van een vrije en open ruimte van informatie en ideeën zou het internet veranderen in een op maat gesneden medium, waar individuen alleen nog maar informatie krijgen die zij zelf selecteren. Door de personaliseringsstrategie van zoeksystemen zoals Google en de selective informatiestromen in sociale netwerken zouden mensen steeds meer ingesnoerd raken in hun eigen persoonlijke informatiedienst. De digitale technologie zou de samenleving verdelen in discrete, ideologisch gelijkgezinde stammen die alleen maar het nieuws lezen, horen of bekijken dat hun eigen opvattingen bevestigt.

In 2001 waarschuwde Cass Sunstein in het boek Republic.com voor de gevaren van de echoput. Hij voorspelde dat in de toekomst internetters hun eigen online ‘kranten’ zouden samenstellen. Daarbij kunnen zij zelf bepalen welke onderwerpen zij zien, welke meningen zij horen en met welke informatie zij níet geconfronteerd worden. Mensen zouden hierdoor alleen nog maar kennis nemen van opvattingen van gelijkgestemden en nieuws consumeren dat overeenkomt met hun eigen politieke voorkeur. Het risico is dat mensen slechts luisteren naar “de luidere echo’s van hun eigen stem”. Zij leven in een informatiecocon waar ze zich met gelijkgestemden terugtrekken en zich niets van de rest aan hoeven te trekken. Volgens Sunstein kan deze balkanisering niet alleen leiden tot extremisme, maar ook tot haat en geweld.

De stelling van het echoputje is het meest gedetailleerd uitgewerkt door Eli Pariser in The Filter Bubble - What the Internet is Hiding from You [2011]. Volgens Pariser dwingen de personaliseringsalgoritmes die door Facebook worden gebruikt ons om een gevaarlijk geborneerde reeks nieuws te consumeren. “Gepersonaliseerde filters dienen als een soort onzichtbare autopropaganda en indoctrineren ons met onze eigen ideeën.” Dit is onverenigbaar met het basisprincipe van democratie: als we allemaal slechts de ideeën van onze vrienden nakakelen dan is de samenleving immers gedoemd om steeds verder te polariseren en solipsistisch te worden.

Soort zoekt soort?
Soort zoekt soort
Tegen deze ‘theorie’ van het echoputje zijn nogal wat bezwaren aan te voeren. In een studie over Facebookgebruikers toonde Eyan Bakshy [2011 - Rethinking Information Diversity in Networks] aan dat de online echoput niet bestaat. Zijn analyse van 253 miljoen actieve gebruikers van Facebook laat zien dat we weliswaar meer informatie delen met onze naaste vrienden, maar dat we ook veel informatie via onze zwakke connecties verwerven. En juist via deze links met onze zwakke connecties krijgen we de meeste nieuwe informatie.

De vraag is of dit ook voor politieke informatie geldt. Zoekt politieke soort alleen maar eigen politieke soort op sociale netwerksites? Uit het onderzoek van Pew Research Center [2012 - Rainie/Smith] blijkt dat vrienden het onderling lang niet altijd eens zijn over politieke kwesties maar dat zij deze meningsverschillen meestal zonder commentaar laten rusten. Slechts 25% van de gebruikers van sociale netwerksites zijn het meestal eens met de politieke bijdragen die door hun vrienden worden gepubliceerd. 73% is het soms of nooit eens met de politieke opvatting van hun vrienden. Van de gebruikers van sociale netwerkwerksites heeft 38% via de berichten van hun vrienden ontdekt dat hun politieke opvattingen anders waren dan zij dachten. De overgrote meerderheid van de gebruikers van sociale netwerksites leven dus niet in een echoput van gelijkgestemde vrienden [Clark/Van Slyke 2010].

Index


Nieuw repertoire van politieke actie
Politieke partijen maken in elke fase van de geschiedenis gebruik van de informatie- en communicatiemiddelen die hen op dat moment ter beschikking staan. We staan aan het eind van het uitzendtijdperk van politieke communicatie, en aan het begin van het internetnettijdperk [Trippi 2004]. Internet schept nieuwe kansen voor politieke organisaties om hun actierepertoire uit te breiden en te diversifiëren.

De virtuele omgeving van het internet biedt burgers nieuwe mogelijkheden om hun betrokkenheid bij politieke campagnes te organiseren middels het fysiek bijwonen van bijeenkomsten, maar ook middels een rijke schakering aan louter online politieke acties. Lokale en virtuele burgeracties sluiten naadloos op elkaar aan. Organisatievormen die voorheen gescheiden waren convergeren in een hybride campagne [Chadwick 2007:287]. Nieuwe vormen van online mobilisatie kunnen zeer grote aantallen vrijwilligers parttime in beweging brengen.

Losse allianties van online groepen en netwerken gebruiken het internet om simultaan te mobiliseren en hun activiteiten te concentreren op verschillende politieke niveaus. Individuele initiatieven zoals persoonlijke video’s of korte documentaires over lokale politieke onderwerpen kunnen zich supersnel als een sneeuwbal over het hele internet verspreiden en een ongeplande, maar substantiele bijdrage aan de campagne leveren. De video’s van de Obama Girl staan model voor deze fusie van subculturele en politieke stijlen.

Wanneer politieke partijen hun interne organisatie (gedeeltelijk) virtualiseren, zijn zij beter uitgerust om snel van actierepertoire te wisselen en adequaat te reageren op veranderingen in de analoge en digitale politieke conjunctuur.

Index InformatieBronnen
 

  1. Anstead, Nick / Chadwick, Andrew [2008]
    Parties, election campaigning and the Internet: Toward a comparative institutional approach.
    In Chadwick / Howard 2008: 56–71.

  2. Baker, Dean C. [1965]
    The Assassination of President Kennedy; A Study of the Press Coverage.
    Ann Arbor, Michigan: University of Michigan Department of Journalism.

  3. Bauman, Zygmunt [2000]
    Liquid Modernity.
    Cambridge, UK, Malden, MA: Polity Press; Blackwell.

  4. BBC News

  5. Bentivegna, Sara [2006]
    Rethinking politics in the world of ICTs.
    In: European Journal of Communication, 21(3): 331–343.

  6. Berry, Joseph P. [1987]
    John F. Kennedy and the Media: The First Television President.
    Lanham, Maryland: University Press of America.

  7. Bimber, Bruce [2003]
    Information and American democracy: Technology in the evolution of political power.
    Cambridge: Cambridge University Press.

  8. Bimber, Bruce / Davis, Richard [2003]
    Campaigning on line: The Internet in US elections.
    Oxford, England: Oxford University Press.

  9. Bimber, Bruce / Flanigan, Andrew / Stohl, Cynthia [2005]
    Reconceptualizing Collective Action in the Contemporary Media Environment
    In: Communication Theory, 15(4): 365-388.

  10. Castells, Manuel
    • [1996] The rise of the network society.
      Malden, Mass.: Blackwell Publishers.
    • [2009] Communication Power.
      New York: Oxford University Press.

  11. Castells, Manuel et al. [2004]
    The mobile communication society: A cross-cultural analysis of available evidence on the social uses of wireless communication technology.
    Annenberg research network on international communication, Los Angeles.

  12. Catone, Josh [2008]
    The Birth of the Political Long Tail
    In: ReadWriteWeb, 18.2.08.

  13. Chadwick, Andrew

  14. Chadwick, Andrew / Howard, P. (eds.) [2008]
    The Routledge handbook of Internet politics.
    London, England: Routledge.

  15. Clark, Jessica / Van Slyke, Tracy [2010]
    Beyond the Echo Chamber: How a Networked Progressive Media Can Reshape American Politics.
    The New Press.

  16. Coleman, Stephan / Shane, Peter M. (eds.) [2012]
    Connecting Democracy: Online Consultation and the Flow of Political Communication.
    Cambridge, MA: MIT Press.

  17. Comor, Edward A. (ed.) [1994]
    The Global Political Economy of Communication: Hegemony, Telecommunication and the Information Economy.
    Basingstoke: Macmillan

  18. Dayan, Daniel / Katz, Elihu [1992]
    Media Events: The Live Broadcasting of History.
    Cambridge, Massachusetts: Harvard University Press.

  19. Doharty, Thomas [2012]
    Assassination and Funeral of John F. Kennedy
    In: The Museum of Broadcast Communications.

  20. Elert, Glenn [2007]
    Number of Televisions in the US

  21. Fernandes, Juliana / Giurcanu, Magda /Bowers, Kevin W. / Neely, Jeffrey C. [2010]
    The Writing on the Wall: A Content Analysis of College Students’ Facebook Groups for the 2008 Presidential Election
    In: Mass Communication and Society, 13: 653-675.

  22. Flanagin, Andrew J. / Stohl, Cynthia / Bimber, Bruce [2006]
    Modeling the structure of collective action
    In: Communication Monographs, 73(1): 29–54.

  23. Foot, Kirsten / Schneider, Stepven M. [2006]
    Web campaigning: Acting with Technology.
    Cambridge, MA: The MIT Press.

  24. Gibson, Rachel / Römmele, Andrea / Ward, Stephen (eds) [2004]
    Electronic Democracy. Political Organisations, Mobilisation and Participation Online.
    London: Routledge.

  25. Graber, Doris [2004]
    Mediated Politics and Citizenship in the Twenty-First Century.
    In: Annual Review of Psychology, 55: 545-571.

  26. Groshek, Jacob / Dimitrova, Daniela V. [2010]
    Assessing Political Outcomes of New Media Use in the 2008 Presidential Election
    In: International Communication Association.

  27. Haynes Audrey A. / Pitts, Brian [2009]
    Making an Impression: New Media in the 2008 Presidential Nomination Campaigns.
    In: Symposium, 1: 53-58.

  28. Heffernan, Virginia [2008]
    Facebook politics?
    In: New York Times, September 12, 2008.

  29. Howard, Philip N. [2006]
    New media campaigns and the managed citizen.
    Cambridge: Cambridge University Press.

  30. Jordan, Tim / Taylor, Paul A. [2004]
    Hacktivism and Cyberwars: Rebels with a Cause?
    New York: Routledge.

  31. Kahn, Richard / Kellner, Douglas [2004]
    New Media and Internet Activism: From the Battle of Seattle to Blogging.
    In: New Media and Society 6(1): 87-95.

  32. Karpf, David [2012]
    The MoveOn Effect: The Unexpected Transformation of American Political Advocacy
    Oxford Studies in Digital Politics.
    Oxford: Oxford University Press.

  33. Katz, James E. [1999]
    Connections, Social and Cultural Studies of the Telephone in American Life. London: Transaction.

  34. Katz, James E. (ed.) [2003]
    Machines that become us: The social context of personal communication technology.
    New Brunswik: Transaction.

  35. Katz, James E. (ed.) [2008]
    Handbook of Mobile Communication Studies.
    Cambridge, Mass.: MIT.

  36. Katz, James E. / Aakhus, Mark A. (eds.) [2002]
    Perpetual Contact. Mobile Communication, Private Talk, Public Performance.
    Cambridge: University Press Cambridge.

  37. Lupia, Arthur. / Sin, Gisela [2003]
    Which public goods are endangered? How evolving communication technologies affect The logic of collective action.
    In: Public Choice, 117: 315-331.

  38. Margolis, Michael / Resnick, David [2000]
    Politics as usual: The cyberspace ‘revolution’.
    London, England: Sage Publications.

  39. Martijn, Maurits [2011]
    De echoput van het internet
    In: Vrij Nederland, 08.08.2011.

  40. McCartney, James [1994]
    Rallying Around the Flag
    In: American Journalism Review (College Park, Maryland).

  41. McCullagh, Declan [2004]
    The cyberbrains behind Howard Dean
    In: CNet News Online, January 16, 2004.

  42. McGirt, Ellen [2009]
    How Chris Hughes Helped Launch Facebook and the Barak Obama Campaign
    In: Fastcompany, April 1, 2009.

  43. McLuhan, Marshall
    • [1951] The Mechanical Bride: Folklore of Industrial Man.
      New York: Vanguard Press.
    • [1962] The Gutenberg Galaxy: The Making of Typographic Man.
      Toronto, ON: University of Toronto Press.
    • [1964] Understanding Media: The Extensions of Man.
      Cambridge, Mass.: MIT Press.

  44. Nielsen, Rasmus Kleis [2009]
    The labors of Internet-assisted activism: Overcommunication, miscommunication, and communicative overload.
    In: Journal of Information Technology and Politics, 6:267–280.

  45. Norris, Pippa
    • [2000] A virtuous circle: Political communication in postindustrial societies.
      Cambridge: Cambridge University Press.
    • [2001] Digital Divide. Civic Engagement, Information Poverty, and the Internet Worldwide.
      Cambridge: Cambridge University Press.
    • [2003] Preaching to the Converted? Pluralism, Participation and Party Websites.
      In: Party Politics, 9 (1): 21–45.
    • [2006] Did the Media matter? Agenda Setting. Persuasion and Mobilization Effect in the British General Election Campaign.
      In: British Politics. 1: 195-221.

  46. Pedersen, Karina / Saglie, Jo [2005]
    New Technology in Ageing Parties. Internet Use in Danish and Norwegian Parties.
    In: Party Politics, 11(3): 359-377.

  47. Pew Internet

  48. Pierson, Paul [2004]
    Politics in Time: History, Institutions, and Social Analysis.
    Princeton, NJ: Princeton University Press.

  49. Pole, Antoinette [2009]
    Blogging the Political: Politics and Participation in a Networked Society.
    New York: Routledge Press.

  50. Postmes, Tom / Brunsting, Suzanne [2002]
    Collective Action in the Age of the Internet: Mass Communication and Online Mobilization
    In: Social Science Computer Review, 20(3): 290-301.

  51. Prior, Markus [2007]
    Post-Broadcast Democracy: How Media Choice Increases Inequality in Political Involvement and Polarizes Elections.
    New York: Cambridge University Press.

  52. Rheingold, Howard [2002]
    Smart Mobs: The Next Social Revolution.
    Cambridge, MA: Perseus Books/Basic Books.

  53. Robertson Scott, P. / Vatrapu, Ravi K. / Medina, Richard [2010]
    Off the Wall Political Discourse: Facebook use in the 2008 U.S. Presidential Elections
    In: Information Policy, 15(1/2): 11-31.

  54. Shirkey, Clay [2004]
    Here Comes Everybody: The Power of Organizing without Organizations.
    New York: Penguin Press.

  55. Sinekopova, Galina [2006]
    Building the Public Sphere. Bases and Biases.
    In: Journal of Communication, 56(3): 505-522.

  56. Skocpol, Theda [2003]
    Diminished Democracy: From Membership to Management in American Civic Life.
    Norman, OK: University of Oklahoma Press.

  57. Small Tamara, A. [2008]
    The Facebook Effect? Online Campaigning in the 2008 Canadian and US Elections
    In: Policy Options, November, 85-87.

  58. Strandberg, Kim [2006]
    Parties, Candidates and Citizens On-line. Studies of Politics on the Internet.
    Abo: Abo Akademi University Press.

  59. Sunstein, Cass [2001]
    Republic.com/
    Princeton: Princeton University Press.

  60. Sweetser, K. D., & Lariscy, R. W. [2008]
    Candidates make good friends: An analysis of candidates’ uses of Facebook.
    In: International Journal of Strategic Communication, 2: 175–198.

  61. Tarrow, Sidney [1998]
    Power in Movement: Social Movement and Contentious Politics.
    Cambridge: Cambridge University Press.

  62. Tilly, Charles [1978]
    From Mobilization to Revolution.
    Londen: Addison Wesley.

  63. Trippi, Joe [2004]
    The Revolution Will Not Be Televised: Democracy, the Internet and the Overthrow of Everything.
    New York: Regan Books.

  64. Vaccari, Cristian

  65. Vargas, Jose Antonio [2008]
    Obama Raised Half a Billion Online
    In: The Washington Post, Nov 20, 2008.

  66. Verhagen, Frans [2008]
    Obama, de campagne van een internetkandidaat
    In: Intermediair, 27.08.2008

  67. Walgrave, Stefaan / Hooghe, Marc / Bennet, Lance / Stolle, Dietlind []
    Politieke mobilisatie en nieuwe communicatietechnologie
    Antwerpen/Leuven: Reeks Samenleving en toekomst

  68. Walker, Jack L. [1991]
    Mobilizing Interest Groups. Patrons, Professions, and Social Movements.
    University of Michigan Press.

  69. Ward, Stephen / Gibson, Rachel / Nixon, Paul [2003]
    Political parties and the Internet: Net gain?
    London, England: Routledge.

  70. Watson, Mary Ann [1991]
    How Kennedy Invented Political Television.
    In: Television Quarterly (New York), Spring 1991.

  71. Woolley, Julia K. / Limperos, Anthony M. / Oliver, Mary Beth [2010]
    The 2008 Presidential Election, 2.0: A Content Analysis of User-Generated Political Facebook Groups.
    In: Mass Communication and Society.

  72. Wu, Jingsi [2009]
    An exploratory study of American youth’s political engagement during the 2008 presidential election
    In: American Communication Journal, 11(1)

Index


Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

06 October, 2013
Eerst gepubliceerd: Mei, 2012