Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

Politieke sociologie van het internet

— Tegenspraak brengt teledemocratie verder —

dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam

Introductie

Teledemocratie

Politieke informatie

Politieke communicatie

Politieke activiteiten

Vormen van democratie

Stemmen via internet

Overheidsbestuur

Censuur

Haatgroepen

Informatiebronnen
Verwante teksten
Index Politieke comminicatie en mobilisatie
Index Cyberactivisme en wolkbewegingen
Index Occupy als wolkbeweging
Index Iran: Anatomie van een twitterende rebellie
Index Egypte: Revolteren met en zonder internet
Index Syrië: Het zwarte gat van het internet
Index Regulatie en zelfregulatie van internet
Index Oorlog in Cyberspace — Zwaarden van Zwakkeren
Index CyberTerrorisme

Introductie

Internet heeft het ontstaan van een virtuele samenleving zonder staat mogelijk gemaakt. Geen enkele nationale staat of conglomeraat van nationale staten heeft het gezag om het internet haar wetten en regels op te leggen. De virtuele gemeenschappen die zich in cyberspace hebben gevormd erkennen binnen hun domein geen enkel staatsgezag. Er rust dus geen overheidsmonopolie op het internet en zij kan niet door een bepaalde overheid worden gecontroleerd. In de virtuele domein is niemand de baas, er is geen internetregering.

Democratie Toch wordt er in cyberspace politiek bedreven. Regeringen van alle nationale staten proberen greep te krijgen op het internet zelf en vooral op het gedrag van hun bugers in cyberspace. Voor ondemocratische regimes is het een gruwel dat er een vorm van openbaarheid bestaat die zij niet of nauwelijks kunnen controleren. Toch proberen zij om van buitenaf politieke controle op het internet te krijgen. Repressieve regimes gebruiken filtersoftware om ongewenste politieke en sociale communicatie op het web te onderdrukken [zie uitvoeriger: Regulatie en Zelfregulatie van Internet]. Het is echter extreem moeilijk om het internet te controleren. Het internet is ontworpen als gedecentraliseerd computernetwerk juist om zo'n controle tegen te gaan ('survivable network')[zie uitvoerige: Geschiedenis van het internet].

Cyberspace is inmiddels zelf geëvalueerd tot een invloedrijke politieke arena. De meest uiteenlopende belangengroeperingen en politieke stromingen manifesteren zich op het internet. Zij dragen in cyberspace hun doelstellingen uit, zij treden op voor de belangen en aspiraties van de groeperingen die zij representeren, zij agiteren tegen andere maatschappelijke en politieke groeperingen die hun opties in de weg staan, zij gebruiken internet en mobiele communicatie om hun eigen achterban te vergroten en te mobiliseren en om de eigen acties in de lokale wereld te coördineren.

Het internet biedt nieuwe mogelijkheden voor een democratische en rechtvaardige samenleving. Maar zo’n samenleving komt niet vanzelf. In het virtuele domein wordt geknokt om de toegang tot internet open te houden zodat het voor iedereen vrij beschikbaar is en er wordt gestreden tegen repressieve pogingen om dissidenten binnen cyberspace het zwijgen op te leggen.

Internet maakt het in principe mogelijk om alle communicaties die tot nu toe in gescheiden mediawerelden verliepen (van privégesprekken tot politieke bijeenkomsten) in één medium te verenigen. Internet is een supermedium in embryonale vorm dat in principe in staat is om alle communicatiemedia (telefoon, radio, televisie, videoconferentie etc.) in zich te verenigen. Omdat internet vooral decentrale-interactieve communicaties faciliteert is het bij uitstek een medium dat democratische vormen van politieke openbaarheid kan versterken.

Internet is geen commerciële dienst waarvoor men een prijs kan vragen, het is een recht. Het is volgens de stichter van het wereldwijde web Tim Berners-Lee [1999] alleen waardevol wanneer het collectief is en universeel. De ziel van het internet is het delen van informatiebronnen, vrijwillige wederzijdse hulp en democratische openbaarheid. Dit conflicteert met pogingen om het internet te commercialiseren en te privatiseren.

De vraag die hier centraal staat is op welke wijze internet democratische processen kan beïnvloeden.

  1. Kan door toenemende publieke toegang tot overheidsdocumenten de macht van de burger worden versterkt en in hoeverre is hier daadwerkelijk sprake van?

  2. Hoe kunnen nieuwe vormen van politieke communicatie bijdragen aan verdergaande democratisering en hoe weten we of dit daadwerkelijk het geval is?

  3. Welke mogelijkheden biedt het internet om het democratisch gehalte van de politieke meningsvorming te verhogen en de participatie van burgers in politieke activiteiten te versterken?

  4. Op welke manieren kan het gebruik van het internet bijdragen aan een versterking van de politieke besluitvorming?
Het internet wordt vaak gepresenteerd als een ‘inherent democratisch medium’ waarvan alleen maar positieve effecten te verwachten zijn. Maar het internet zou ook weer een nieuw kanaal kunnen worden voor diegenen die al zeer goed uitgerust zijn om hun maatschappelijke posities te behouden, en dus weinig bijdragen aan verdere democratisering, maar eerder aan het versterken van de status quo van bestaande politieke systemen.

Index TeleDemocratie

Politiek begint waar tegenstrijdige individuele en maatschappelijke belangen op elkaar botsen en in discursieve of gewelddadige vormen worden uitgevochten. Via politieke instituties en normensystemen komen bindende regels, waarden en sturingsmogelijkheden tot stand waardoor er in de samenleving beslissingen genomen kunnen worden die gezag afdwingen. Institutionele politiek is het tot stand brengen van algemeen verbindende beslissingen met behulp van in regels vastgelegde procedures (Niklas Luhmann noemt dit "procedurele legitimatie"). Omdat er in onze samenleving sprake is van een ongelijke verdeling van macht, gezag en rijkdom zijn deze regels tegelijkertijd garanties voor de instandhouding van heerschappij. De moderne vertegenwoordigende democratie is een organisatievorm van de politieke, openbare macht. Zij berust op twee principes: het gelijkheidspostulaat (alle burgers worden geacht in zekere mate gelijk te zijn en daarom zouden alle burgers in zekere mate als politiek gelijke behandeld moeten worden) en het principe van volkssoevereiniteit. Uit dit gelijkheidspostulaat volgt dat politiek handelen moet corresponderen met de voorkeuren van de meerderheid en dat politieke beslissingen volgens het meerderheidsprincipe genomen worden.

De moeilijkste vraag voor een politieke sociologie van het internet is deze: kan het internet de politieke gelijkheid in het stelsel van vertegenwoordigende democratie bevorderen en substantieel bijdragen tot het ontstaan van een algemene openbaarheid en algemene menings- en besluitvorming?

De basis voor de meeste concepten van digitale democratie zijn gelegen in de permanente crisis in de politieke participatie [Barber 1984, 1997; Hagen 1997, 2000]. Het proces van democratisch meningsvorming in Westerse partij-parlementaire democratieën vertoont een aantal structurele gebreken. Men is ontevreden over de uitkomsten van de institutionele politiek; de legitimiteit van het via partijen en massamedia georganiseerde proces van politieke meningsvorming wordt ter discussie gesteld (‘verentertaining van de politiek’); het via volksvertegenwoordigers verlopende proces van politieke besluitvorming wordt als beperkend ervaren; de problemen die ontstaan door de globalisering van de sociaal-economische verhoudingen kunnen door de institutionele politiek nauwelijks meer worden opgelost. De meest betreurde tekorten van het liberale model van democratie zijn het gebrek aan politieke participatie en de kloof tussen kiezers en gekozenen. Er wordt al jarenlang gediscussieerd over de vraag hoe deze gebreken kunnen worden opgelost. Tegenwoordig wordt vooral gediscussieerd over de vraag hoe met behulp van nieuwe informatie- en communicatietechnieken het democratische politieke proces verbeterd of versterkt kan worden. De trefwoorden zijn ‘elektronische democratie’, ‘cyberdemocratie', ‘virtuele democratie’ of ‘teledemocratie’.

Teledemocratie is het geheel van praktijken om democratie te realiseren zonder de grenzen van tijd, ruimte of andere fysieke condities door gebruik te maken van de mogelijkheden van computer-gemedieerde politieke communicatie, als aanvulling van traditionele analoge politieke praktijken. Teledemocratie moet niet worden verward met of gereduceert tot directe democratie.

De discussies over teledemocratie richten zich niet alleen op de mogelijkheid om internet te gebruiken voor verkiezingen (‘e-voting’), maar vooral ook voor politieke discussie en voor de actieve participatie in politieke belangengroepen en partijen. De nieuwe ideeën over teledemocratie worden niet zozeer geïnspireerd door de leuze van ‘medezeggenschap’ (zie de participatiedebatten in de jaren zeventig: Pateman 1970; C.B. Macpherson 1971), maar door de leuze van de ‘revitalisering van de civiele maatschappij’ (zie de communitarismedebatten in de jaren tachtig en negentig: Michael Walzer, Amitai Etzioni). In het middelpunt van de concepten van teledemocratie staat een participatiebegrip dat vooral gericht is op de versterking van de mogelijkheden van:

Elke nieuwe technologie maakt fantasieën los over hun politieke toepassingsmogelijkheden. In de euforische opvatting, die zich laat leiden door techniekoptimisme, wordt internet gezien als hét instrument om de gebreken van de vertegenwoordigende partijendemocratie op te lossen. Men hoopt dat de door elektronische netwerken gemedieerde informatie, discussie en politieke activiteit niet alleen zal leiden tot beter geïnformeerde en meer bewuste burgers, maar dat zij op deze wijze ook weer - van onderaf - in het politieke proces gereïntegreerd zullen worden. In de sceptische opvatting, die zich laat leiden door techniekpessimisme, wordt juist de nadruk gelegd op de schaduwkanten van de versmelting van techniek met democratie, op gevaren van manipulatie en misbruik van gegevens. De kansen en risico's van het gebruik van mediatechnologieën in het democratische proces worden dus zeer tegenstrijdig beoordeeld.

Niets nieuws onder de zon?
Discussies over de betekenis van nieuwe communicatiemedia voor democratie zijn natuurlijk niet nieuw. Bij de introductie van de krant, de telegraaf, de telefoon, de radio en de kabeltelevisie ontstonden soortgelijke debatten over de technisch ondersteunde democratie [Smith 1972; Pool 1983].

De meeste onderzoekers zijn het erover eens dat informatie- en communicatietechnologieën niet uit zichzelf of automatisch leiden tot veranderingen in het politieke systeem. Ten eerste is de ontwikkeling van de ICT geen in zichzelf bepaald proces dat slechts de logica van de technologische efficiëntie volgt. Technologische ontwikkelingen zijn ingebed in maatschappelijke en politieke structuren en worden hierdoor mede bepaald. Een vergelijking van verschillende nationale conteksten maakt duidelijk hoezeer specifieke politieke instellingen en culturele patronen van invloed zijn op diverse concepten van digitale democratie [Hagen 1997, 2000]. Ten tweede worden de vormen en de mate van politiek gebruik van computer- en internettechnologie niet zozeer bepaald door de technologische mogelijkheden, maar door uiteenlopende politieke, culturele, economische en sociale factoren [Benschop 1997].

Politieke instellingen en processen veranderen dus niet vanzelf omdat het internet bestaat, en zeker niet in een richting die op applaus kan rekenen van consequente — niet ‘burgerlijk-gehalveerde’ — democraten (dat wil zeggen van democraten die hun normatieve uitgangspunten niet overboord zetten wanneer zij botsen op de structurele grenzen van kapitalistische eigendoms- en exploitatieverhoudingen). De reden is eenvoudig: de ontwikkeling van technologische toepassingen wordt in sterke mate gecontroleerd door dominante belangen en gevestigde belangengroepen. De internettechnologie zal veeleer bestaande trends versterken. Het succes van teledemocratische projecten en initiatieven wordt niet bepaald door de gebruikte technologie, maar door de maatschappelijke, organisationele en interactionele keuzes die gemaakt worden door de initiatiefnemers en door hun respectievelijke opvatingen en vooronderstellingen over participatie [Arterton 1988:623].

ICT is geen onafhankelijke kracht die automatisch in het voor- of nadeel werkt van democratie. Het is wel een kracht die gebruikt kan worden om bestaande trends te versterken en om bestaande instituties te bekrachtigen. Dat is de reden waarom de meeste projecten die gericht waren op ondersteuning van traditionele, goed gevestigde structuren en processen van democratische systemen veel succesvoller waren dan projecten waarin geprobeerd werd om nieuwe, tranformatieve democratische manieren en middelen te gebruiken [Abramson e.a. 1988; Tsagarousianou e.a 1998].

Index Politieke informatie

Publieke informatie is de levenselixer van elke vitale democratie. De geïnformeerheid van de participerende burger is een van de meest essentiële voorwaarden van een democratische rechtsstaat. In een democratische rechtsstaat zijn burgers voor hun politieke informatie niet alleen afhankelijk van de overheid, maar kunnen zij gebruik maken van andere kanalen (voorzover de pluriformiteit van de media niet aan banden is gelegd door repressieve overheden en/of sterke kapitaalconcentraties: Berlusconi, Murdoch, Bertelsmann).

De informatie- en communicatietechnologieën van het internet maken het in de eerste plaats mogelijk dat een bijna onbeperkte hoeveelheid informatie op brede schaal beschikbaar gesteld kan worden tegen lage kosten en in zeer korte tijd. In de tweede plaats bieden zij de mogelijkheid om op brede schaal en wereldwijd interactief te communiceren met iedereen die op internet is aangesloten. Ten derde kunnen gigantische hoeveelheden informatie worden opgeslagen, geselecteerd, bewerkt en gemanipuleerd.

Politieke informatie kan via internet op een eenvoudiger en goedkoper manier toegankelijk worden gemaakt. Burgers die toegang hebben tot internet kunnen op elk tijdstip informatie opvragen over praktisch elk onderwerp waarin zij geïnteresseerd zijn. Daarbij kan men in het bijzonder denken aan:

Internetgebruikers kunnen sneller dan ooit te voren documenten verzamelen over politiek en opverheid [Davis/Owen 1998]. Om de vrije toegang tot zo'n politiek informatiesysteem te garanderen zullen in alle openbare gebouwen computerterminals geplaatst moeten worden waarvan burgers die niet over een computer beschikken gratis gebruik kunnen maken.

De nieuwe internettechnologieën maken het enerzijds mogelijk dat burgers rechtstreeks hun informatie betrekken bij overheidsinstanties, politieke partijen, en sociaal-politieke bewegingen. Met name van overheidsinformatie mogen burgers verwachten dat deze van een kwalitatief hoog niveau is en dat de informatie actueel is. Burgers zullen in de toekomst waarschijnlijk nog veel hogere eisen stellen aan aan de kwaliteit en actualiteit van de door overheden geboden informatie via internet.

Anderzijds maken diezelfde technologieën het mogelijk dat politieke partijen en volksvertegenwoordigers zich laten informeren door hun feitelijke of potentiële achterbannen, door met hen in debat te gaan, en vooral naar hen te luisteren (onder het motto van het oude chinese spreekwoord: “wie spreekt, leert niets nieuws”). Of zoals Jakob Kohnstamm, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken in zijn lezing over De informaile burger [1994] al opmerkte: “Essentieel is het verkleinen van de afstand is het voorkomen van eenrichtingsverkeer: geen elektronische scheepstoeters van de overheid naar de burgers over hoe ze zich moeten gedragen, maar grote elektronische oren om te horen wat burgers willen, wat ze er van vinden.”

De burgers zelf krijgen tenslotte de beschikking over een heel skala van nieuwe mogelijkheden voor groepsvorming rond meer of minder geïsoleerde of juist gegeneraliseerde politieke thema’s. Het kan zijn dat deze nieuwe verbanden minder langdurig zijn dan de traditionele bindingen aan de grote klasse- of volkspartijen. Maar daarom hoeven deze nieuwe politieke groepsverbanden nog niet minder hecht, betekenisvol en effectief te zijn.

Index Politieke communicatie

McLuhan had zeker ongelijk met zijn stelling ‘the medium is the message’, hoe vaak deze frase ook is aangehaald. Communicatiemedia zijn gegeneraliseerde technische instrumenten die onder de meest uiteenlopende omstandigheden kunnen zorgen voor de overdracht van de meest uiteenlopende inhoudelijke informatie van willekeurige zenders naar willekeurige ontvangers. Communicatiemedia zijn dus onverschillig ten opzichte van de specificiteit van hun gebruik. Computergemedieerde communicatienetwerken kunnen evengoed gebruikt worden voor de verspreiding van diepe filosofische wijsheden als voor de propaganda van de meest primitieve sentimenten, ze kunnen het produktieve wetenschappelijke gesprek evengoed stimuleren als de ruil van pornografische plaatjes of een terroristische samenzwering.

Digitale computernetwerken zijn een supermedium in embrionale vorm. Het internet kan bijna alle communicatiemedia die we tot nu toe kennen in zich te verenigen en daaraan ook nog extra functies toevoegen. Het bijzondere van de digitalisering is namelijk dat alle informaties in de meest eenvoudige elementaire bouwstenen (bits) worden opgesplitst, onafhankelijk van de vraag of het om taal, schrift, geluid, beelden, video, tekeningen (en zelfs tactiele en olfactorische) communicatievormen gaat. Door de digitale gelijkvormigheid van de informatievorm wordt het mogelijk de functioneel verschillende signaalsystemen die tot dan toe (temporeel of functioneel) gescheiden waren te integreren. Door deze transformatie van de in communicatieprocessen gebruikte signalen in een uniforme, digitale informatievorm, is de grondslag gelegd voor drie nieuwe fenomenen:

  1. Communicaties die tot nu toe in gescheiden mediawerelden verliepen —zoals privé-correspondentie, face-to-face gesprekken, groepsdiscussies, boekpublicaties, petities, officiële overheidsbijeenkomsten— worden samenvoegd binnen één medium.

  2. Alle deelnemers hebben in principe gelijke mogelijkheden om op eigen wijze en zonder tijd-ruimtelijke beperkingen willekeurige communicatierollen te vervullen — nu eens als ontvanger, dan weer als zender, soms als discussiepartner en soms als organisator enzovoort.

  3. Er ontstaat een intersubjectief geconstitueerde vorm van virtuele werkelijkheid die gekenmerkt wordt door multimediale belevingsrijkdom en openheid voor interacties.
Technologieën die het contact tussen veel zenders en één ontvanger mogelijk maken zijn op een veel primitiever niveau gebleven dan de ‘een-op-velen’ technologieën van traditionele massacommunicatie. Net als in de oertijden voltrekt de naar boven gerichte communicatie in instellingen zich nog steeds in de vorm dat afzonderlijke leden klappen voor een spreker, in het voor- of tegenstemmen of in geworstel in moeizame klachtenprocedures. In al deze gevallen is de hoeveelheid informatie die wordt overgedragen uiterst gering (bij stemmingen is het slechts een bit).

De articulatie van de politieke voorkeuren van burgers wordt belemmerd door het feit dat deze via een volledig ander medium verloopt als waarin informatie van boven naar onder wordt verzonden. Dit geldt ook voor de horizontaal-multilaterale communicatietechnologieën, die meerdere zenders met meerdere ontvangers verbinden. Als in het pre-internettijdperk in een groep van 100 leden iedereen iets wil meedelen aan iedereen, dan moesten er zo’n 10.000 brieven worden rondgestuurd. Dat was ondoenlijk. Maar met de huidige internettechnologie is een gestructureerde informatieuitwisseling en discussie tussen 100 en meer deelnemers denkbaar en uitvoerbaar geworden.

Het ideaalbeeld van politieke openbaarheid is een openbaarheid die (i) door álle geciviliseerde burgers wordt gedragen, (ii) die elkaar —ongeacht al hun andere toegeschreven kenmerken zoals etniciteit, religie, sociale klasse— erkennen als gelijke onder gelijken, (iii) die in een gezagsvrije ruimte een publieke discussie met elkaar aangaan, (iv) teneinde een verstandige consensus te realiseren.

De opkomst van georganiseerde partijen en grote instellingen alsmede de centralisatieprocessen in pers, radio en tv hebben ertoe geleid dat de participatiekansen steeds ongelijker zijn verdeeld en dat het openbare debat steeds meer vervangen wordt door de in propagandistisch opzicht ‘gepubliceerde opinie’, die met de normale burger alleen nog rekening houdt als passieve, af en toe tot ‘acclamatie’ opgeroepen ontvanger.

Open elektronische netwerken dragen bij aan het afbreken van technologische asymmetrieën die de ontwikkeling van de communicatiemedia tot nu toe heeft gekenmerkt. Dat waren precies de asymmetrieën die de ontplooiing van een democratische openbaarheid in de weg hebben gestaan.

Sinds de opkomst van de boekdrukkunst hebben de ‘een-naar-velen’ technologieën altijd gedomineerd. De opkomst van de massapers in de 19e eeuw en de radio en televisie in de twintigste eeuw heeft deze eenzijdigheid van communicatietechnologieën alleen maar verder versterkt. De enige technologie die de decentrale-interactieve communicatie heeft ondersteund was de telefoon. Deze heeft echter niet bijdragen aan de facilitering van socialiseringsprocessen omdat zij op grond van haar objectieve technische eigenschappen eigenlijk uitsluitend voor diadische dialogen gebruikt wordt. Omdat het diadische communicatierelaties structureel isoleert, heeft het waarschijnlijk vele socialiseringsprocessen belemmerd en dus eerder bijgedragen aan de depolitisering van de bevolking.

Het internet wordt door sommigen opgevat als een eigensoortige vorm van niet-institutionele politiek - als een autonome ruimte voor belangenbehartiging en conflictregulering. Het internet kan echter alleen een ruimte voor niet-gemanipuleerde openbaarheid worden wanneer er voldaan wordt aan drie normatieve voorwaarden van democratische openbaarheid:

  1. Openheid: algemene participatiemogelijkheid

  2. Gelijkheid: communicatieve kansengelijkheid

  3. Discursiviteit: zakelijk argumenteren in plaats van machtgericht onderhandelen
In welke mate voldoet het internet aan deze voorwaarden? Of onder welke voorwaarden zou het internet een werkelijke bijdrage kunnen leveren aan de versterking en uitbreiding van de democratische openbaarheid?
  1. Openheid
    De mogelijkheden om deel te nemen aan politieke discussies op het internet zijn systematisch beperkt. De kring van participanten is uiterst selectief en niet representatief. Door op te treden voor de openbare inzet van computernetwerken voor álle burgers moet de kloof tussen informatie-rijken en informatie-armen worden verkleind. Toegang tot het internet zou als recht geïnstitutionaliseerd moeten worden.

  2. Gelijkheid
    Het feitelijk gebruik van het internet volgt in lang niet alle gevallen het gelijkheidsprincipe. Door de structuur van onderlinge verwijzingen zijn er nieuwe hiërarchieën ontstaan.
      Links structureren de verdeling van zichtbaarheid, opmerkzaamheid en tenslotte erkenning —bijvoorbeeld voor een inhoudelijk aanbod— in de informatieruimte. Netreputatie ... ontstaat door competente —dat wil zeggen kennis over de inhoud van de informatieruimte demonstrerende— verwijzingen naar anderen en verwijzingen van anderen naar zichzelf” [Rainer Rilling, Politische Netzkommunikation und Entscheidung].
    Wie in de informatieruimte van internet wordt erkend - zoals geïndiceerd door het systeem van verwijzingen - neemt tendentieel een centrale positie in: reputatie schept centraliteit en centraliteit genereert reputatie. Door een reconstructie van het verwijzingssysteem krijgt men zicht op de positionering in de politieke ruimte [Larson 1996]. Links komen in discursieve strategieën tot stand. Links structureren de mogelijke conteksten van communicatie en daarmee van politieke macht. De machtsvorming in virtuele netwerken wordt uitvoerig geanalyseerd in Zichzelf organiserende netwerken.

  3. Discursiviteit
    Het internet wordt nog te vaak gebruikt om een diffuus publiek aan te spreken en overtuigingspolitiek te bedrijven die niet uitnodigt tot serieuze discussie. Echte discussies worden meestal gevoerd in nieuwsgroepen, discussiefora en chatboxes.

Onze verre voorouders hebben de overgang meegemaakt van een orale cultuur zonder schrift (waarbij de klanken fungeerden als medium van informatieoverdracht) naar een cultuur van het geschreven woord. Zij zagen voor het eerst dat informatie ook kan worden vastgelegd en vermenigvuldigd, zonder dat de kennisproducenten zelf steeds in persoon en actief aanwezig hoeven te zijn bij de degegen aan wie deze kennis wordt overgedragen. Door moderne computernetwerken is ons collectieve geheugen zodanig uitgebreid dat we kunnen voortbouwen op bijna alles wat voorgangers ons hebben nagelaten. De mogelijkheden om informatie te aggregeren, te structureren en op te slaan zijn bijna onbeperkt. En daarin ligt het probleem van de informatie-overvloed besloten.

Door de overvloed aan politiek relevante informatie op internet zal de behoefte aan het aggregeren, categoriseren en toelichten van en het verwijzen naar die informatie alleen maar toenemen. Informatie krijgt pas betekenis na selectie op basis van geëxpliciteerde selectiecriteria en binnen specifieke — normatief-politiek en pragmatisch-economisch gedefiniëerde — interpretatiekaders.

Vanuit democratische optiek vertoont de openbaarheid die via internet tot stand gebracht wordt dus nogal wat gebreken. Cyberspace is zeker geen ideële ruimte waarin aan gene zijde van de institutionele structuren belangen behartigd, conflicten geregeld en bindende beslissingen genomen kunnen worden. Ondanks het democratisch potentieel van het internet zijn de sociaal-structurele ongelijkheden niet stil blijven staan voor de poorten van cyberspace. Ook in cyberspace is sprake van ongelijke toegangskansen, vaardigheden en gebruiksmogelijkheden. Zonder gerichte initiatieven zal de uitbreiding van de mogelijkheden voor politieke participatie in eerste instantie vooral leiden tot een intensiever gebruik door groepen die toch al participeerden, en dus niet zonder meer tot een breder bereik van bevolkingsgroepen.

Het internet kan ook worden opgevat als een aanvulling op en uitbreiding van de institutionele politiek. Daarbij gaat het vooral om het leggen van verbindingen tussen de openbaarheid die via het internet tot stand komt en de — via het partijenstelsel en de parlementaire democratie — geïnstitutionaliseerde openbaarheid. Het internet kan gebruikt worden om de transparantie van politieke processen en inhoudelijke voorstellen te vergroten. De uitkomsten van internet-discussies kunnen door politieke vertegenwoordigers gebruikt worden voor hun uiteindelijke beslissingen.

Tenslotte zou het internet-discours ook kunnen worden opgevat als een uitbreiding van de communicatieve mogelijkheden van niet-institutionele politiek. Voor deelnemers aan sociale en emancipatoire bewegingen is internet een communicatieve ruimte waarin zij hun politieke opties en plannen kunnen bespreken, ervaringen uitwisselen en informatie aan elkaar doorspelen. Door ‘globaal te communiceren’ en ‘lokaal te handelen’ kunnen sociale bewegingen hun openbaarheid aanzienlijk uitbreiden. Hier ligt het eigenlijke potentieel van de internet-openbaarheid: het schept nieuwe communicatieruimtes voor processen van menings- en besluitvorming van sociale, emancipatoire en nationale bewegingen, die op hun beurt de institutionele politiek kunnen aanvullen en corrigeren.

Index Politieke activiteiten

Kenmerkend voor de wereld van de lokale staten is dat de realisering van politieke doelstellingen en van de rechtstoepassing in laatste instantie kunnen steunen op het vermogen om fysiek geweld uit te oefenen. In de informatieruimte van het internet is de empirische geldigheid van regels en normeringen echter alleen afhankelijk van instemming — zij kan niet direct met dwang worden gesanctioneerd. De sancties blijven symbolisch. Daarom is het maar de vraag of de internetruimte een plaats is om definitieve beslissingen te nemen waaraan de betrokkenen zich niet kunnen onttrekken. Exit is altijd mogelijk — de kosten die verbonden zijn aan intreding en uittreding zijn uiterst gering. In tegenstelling tot lokale staten heeft het internet altijd een uitgang.

Elektronische gemeenschappen onderscheiden zich van territoriale dwang- of solidariteitsgemeenschappen door hun onverbindendheid en het daaraan gerelateerde gebrek aan lokale sociale gevolgen van hun (louter) communicatieve handelingen. Internetgemeenschappen zijn virtueel en kunnen dus ontkoppeld zijn van lokale of organische politiek. Het probleem van de politieke informatieruimte is niet zozeer dat er een operationeel centrum ontbreekt, maar dat het zo moeilijk is harde grenzen te trekken. Natuurlijk worden er ook op het internet bepaalde grenzen afgebakend door naamgeving (domein-systeem), clustervorming van adressen, speciale passwoorden, toegangstarieven en software protocollen. Elk stuk van het virtuele land in cyberspace hoort iemand toe en iedere eigenaar heeft het recht om van bezoekers een identificatie of toegangstarief te verlangen. Maar de grenzen van deze cyberruimte zijn zeer relatief — ze zijn poreus, gemakkelijk te ontwijken en zeer tijdelijk.

Protest De politiek die op het internet gemaakt wordt concentreerde zich daarom in eerste instantie vooral op politieke menings- en wilsvorming, dus op de voorbereiding van beslissingen en niet zozeer op het beslissingsproces zelf (op verkiezingen, referenda e.d.) of op de implementatie van politieke besluiten. Elektronische netwerken zijn dus nog geen ruimtes waar politieke beslissingen worden genomen die collectief bindend zijn. De politiek op het internet concentreert zich op voorlichting en propaganda, op het initiëren van acties, protesten en petities, op discussies over actuele politieke onderwerpen en programma's van belangenorganisaties, sociale bewegingen, burgerinitiatieven en partijen. Internet is dan misschien nog geen plaats voor algemene democratische politieke beslissingen, maar zij is bij uitstek een plaats voor de meest uiteenlopende vormen van communicatie, zonder welke de beslissingen ondemocratisch en ineffectief zijn.

De informatieruimte van het internet wordt dus vooral gebruikt om het democratisch gehalte van de menings- en wilsvorming van belangengroepen te verhogen. Internet maakt het mogelijk om doelgericht en interactief te communiceren over belangenbehartiging, politieke programma’s en specifieke afwegingen van actuele politieke alternatieven. De kern van de zaak is dat open elektronische netwerken bijzonder geschikt zijn voor interactieve vormen van politieke communicatie in alle richtingen: van ‘een-op-een’ tot ‘velen-op-velen’ . Dat is alleen een ergernis voor politieke elites die trachten hun privileges te handhaven door vast te houden aan de conventionele distributieve vormen van politieke communicatie (de klassieke 'een-op-velen' communicatie van de elite naar de achterban).

Index Directe en representatieve democratie

In een representatieve of indirecte democratie worden alle of de belangrijkste collectieve beslissingen genomen door representanten van de stemgerechtigde bevolking die in een vrije en geheime stemming zijn gekozen en na verloop van een vaste periode kunnen worden vervangen door andere vertegenwoordigers. In een directe democratie worden beslissingen niet genomen door volksvertegenwoordigers, maar door de betrokken burgers zelf.
Politiek op het internet beperkt zich niet tot het voorbereiden van beslissingen. Maar de vraag is of het internet iets kan bijdragen aan de versterking of verrijking van de representatieve democratie. In diverse wetenschappelijke studies en regeringsrapporten is er op gewezen dat internet gebruikt kan worden om de band tussen kiezer en gekozene te versterken; om het stemmen makkelijker, flexibeler en goedkoper te maken; om de participatie van burgers te vergroten; en om middels elektronische referenda elementen van directe democratie te ontwikkelen die het partijenpolitieke stelsel kunnen verrijken.

De communicatiemogelijkheden die het internet biedt kunnen echter zowel worden ingezet voor directe besluitvorming als voor het kiezen van volksvertegenwoordigers. In zijn adviesaanvraag aan de Raad voor het Openbaar Bestuur [29 augustus 1997] legde de minister van Binnenlandse Zaken Korthals het dilemma op tafel: de nieuwe media bieden niet alleen nieuwe kansen voor de representatieve democratie, maar ook bedreigingen.

De Raad voor het Openbaar Bestuur [Rob] heeft haar uiteindelijke advies dat in december 1998 werd gepubliceerd niet voor niets de titel meegegeven: “De grenzen van de Internetdemocratie”. De Rob benadert de ontwikkelingen rond ICT met de nodige nuchterheid en niet vanuit overspannen verwachtingen. Zij onderkent dat met behulp van nieuwe technologieën meer burgers zouden kunnen participeren in de publieke besluitvorming. De grootste struikelblokken zijn volgens de Rob (a) het relatief klein percentage van de Nederlandse huishoudens dat een aansluiting op internet heeft, en (b) het risico van toenemende ongelijkheid in politieke participatie. Ook al zou de internetdekking in Nederland zich nog veel verder uitbreiden, dan moet er toch rekening worden gehouden met het verschijnsel dat bij frequente hantering van referendum het vooal de hoger opgeleiden zijn die daaraan meedoen. Anders gezegd: “Het bieden van meer mogelijkheden tot directe besluitvorming, via Internet of anderszins, betekent daarom de vergroting van de kans op een toenemende ongelijkheid in politieke participatie. De voorsprong van een relatief kleine, politiek actieve elite wordt vergroot” [Rob 1998:11].

De zeggenschap van burgers over zaken die hen direct raken kan worden versterkt door software te gebruiken waarmee complexe beslissingen gesimuleerd kunnen worden. Complexe politieke beslissingen worden gekenmerkt door een niet op voorhand transparante samenhang tussen een groot aantal processen en factoren, het moeilijk exact kunnen definiëren van randvoorwaarden, het opereren met normatieve en kwalitatieve afwegingscriteria, het niet kunnen uittekenen laat staan doorrekenen van alle alternatieve scenario’s, en - last but not least - de beperkte mogelijkheden om de gevolgen van alternatieve keuzes in kaart te brengen en tegen elkaar af te wegen.
    In beslissingsprogramma’s kunnen zowel de voorwaarden, afwegingscriteria en effecten van politieke keuzes in kaart worden gebracht. Met dergelijke software kunnen burgers zelf beter inzicht krijgen in de eigenaardigheden en weerbarstigheden van politieke besluitvorming.
Publieke besluitvorming vindt plaats binnen de kaders van de democratische rechtsstaat. Daaruit vloeit een belangrijke randvoorwaarde voort: ook vormen van directe besluitvorming dienen de grenzen van de rechtsstaat in acht te nemen. Uitbreiding van directe democratische vormen van besluitvorming leiden tot een verruiming van de keuzevrijheid van de burger. Respect voor de grenzen van de rechtsstaat betekent dat deze keuzevrijheid niet ongelimiteerd is. Binnen de grenzen van een democratische rechtsstaat kan bijvoorbeeld principieel niet gestemd worden over een voorstel om een minderheid haar grondrechten te ontzeggen.

Het traditionele argument tegen directe democratie was altijd dat het in hoogontwikkelde samenlevingen ondoenlijk is om alle burgers bijeen te brengen om over de publieke zaak te discussiëren en te stemmen: de omvang van moderne staten maakt een face-to-face vergadering van al hun burgers onmogelijk. Tegenwoordig kan echter in principe iedereen die op internet is aangesloten discussiëren en stemmen over politieke onderwerpen. Zelfs wanneer individuen ruimtelijk sterk verspreid zijn, kunnen interactieve massadiscussies worden gevoerd. De nieuwe uitdaging voor directe democratie ligt in het feit dat het nu technisch mogelijk is geworden.

Dat betekent niet dat sterke vormen van directe democratie de politieke partijen op den duur overbodig zouden maken. Zoals meestal gaat het om het vinden van een werkbaar en in democratisch opzicht effectieve balans tussen directe en vertegenwoordigende vormen van democratie.

Index Stemmen via internet

Internet is een onmisbare factor in de verkiezingsstrijd geworden. Het internet werd bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen in 2000 vooral gebruikt voor online fundraising. Daarbij bleek dat de gemiddelde e-donor aanzienlijk meer geld in de verkiezingskas stort dan de traditionele contribuanten met bankcheques. Ook het werven van vrijwilligers is gemakkelijker via het internet. De Republikeinse partij verstuurde tijdens hun campagne een record aantal van miljoen emails (en dat alleen maar omdat ze niet beschikten over de andere 122 miljoen adressen). Bij de volgende presidentsverkiezingen speelde het gebruik van het internet en i.h.b. van sociale media een nog veel belangrijker rol [Politieke communicatie en electorale mobilisatie].

Men hoeft geen profeet te zijn om te voorspellen dat het internet ook een steeds belangrijker rol zal gaan spelen in het feitelijke verkiezingsproces. Elektronisch stemmen via het internet was tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2000 alleen maar mogelijk bij de voorverkiezingen in Arizona. De leden van de democratische partij van Arizona konden via internet beslissen wie de partij zou gaan vertegenwoordigen in de landelijke verkiezingsstrijd. Deze verkiezing was een enorm succes. Zo'n 35.000 mensen stemden traditioneel, terwijl 40.000 democraten online stemde, waardoor het totale aantal stemmers verdubbelde. En dat is nu precies wat een aantal politici angst inboezemt: een dergelijke 'quantum leap in turnout' betekent namelijk ook dat zeer veel mensen die niet voor hen stemmen, nu wel gaan stemmen op andere kandidaten.

Dick Morris was twee decennia een intieme vriend en adviseur van Bill Clinton. Tijdens de presidentiële verkiezingscampagne van 1966 was hij de belangrijkste politieke strateeg van Clinton. Vanwege een seksschandaal met een prostitué werd hij gedwongen af te treden, maar hij bleef de president adviseren tot januari 1998. Hij werkt tegenwoordig als media commentator en is medeoprichter van de website www.vote.com (en de Engelse zuster-site: www.vote.co.uk), dat online stemmingen organiseert over een breed skala politieke onderwerpen. De inzet van zijn site is niet alleen het stimuleren van online stemmen tijdens verkiezingen, maar om ook te stemmen wanneer er geen verkiezingen zijn. Stemmen via internet hoeft zich niet te beperken tot een handeling die om de twee of vier jaar plaatsvind, maar die elke keer georganiseerd kan worden wanneer er iets belangrijks gebeurt (referenda).
Dick Morris - die door Time Magazine wordt omschreven als "de meest invloedrijke particuliere burger in America" - voorspelt in zijn boek Vote.com [1999] dat het internet een nieuw politiek proces creëert waar kiezers het internet gebruiken om direct te stemmen, en waardoor de kapitaalkrachtige belangengroepen aan invloed verliezen. Morris voorspelt dat geld een minder belangrijke rol zal gaan spelen in de politiek omdat betaalde televisie-adverenties vervangen zullen worden door het vrije internet. In zijn grote optimisme voorziet hij zelfs dat America direct democratisch geregeerd zal worden wanneer burgers hun opinies direct op het internet articuleren en op die manier het Congres hun wil kunnen opleggen.

“Als wij niet zelf kiezen voor de invoering van elektronische interactie met burgers, bijvoorbeeld in de vorm van referenda, dan zal de markt het doen. Zoals ook nu de politieke besluitvorming beinvloed wordt door de uitkomsten van opinieonderzoek, zo zal straks de macht van wie het snelste de ‘mening van het publiek’ weet te openbaren enorm toenemen, in de mate waarin dat het relatief tijdrovende afwegingsproces van ‘appels en peren’ in het parlement ondergraaft. De stelling is dus: Het ontbreken van checks en balances in de publieke meningsvorming vergroot het gevaar van Nederlandse Berlusconi’s” [J. Kohnstamm, Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, 1994: De Informaile Burger].
Het probleem in Morris’ redenatie is dat het articuleren van politieke opinies via het internet onder de toenmalige omstandigheden niet veel meer kon zijn dan een zelf-selectieve opiniepeiling. Het articuleren van politieke opinies via internet was rond de eeuwwisseling nog selectiever en exclusiever dan het stemmen in democratisch gereguleerde verkiezingen. Ook de stadsstaat van de oude Grieken was alleen maar een democratisch paradijs voor mensen die de geprivilegeerde status van burger hadden: vrouwen, slaven en de werkende klassen hadden geen stemrecht. Zolang grote delen van de bevolking geen onbelemmerde internettoegang hebben kan online stemmen niet democratisch worden gelegitimeerd. Online stemmen heeft pas democratische voordelen in een samenleving waar iedereen toegang heeft tot internet.

Index


Stemgeheim bewaren en uitslag verifieren
Bij de implementatie van internetverkiezingen moet uiteraard zeer zorgvuldig te werk worden gedaan en rekening worden gehouden met aspecten beveiliging, betrouwbaarheid, privacy en authenticiteit. Het fundamentele probleem dat moet worden opgelost is het tegelijkertijd realiseren van twee ogenschijnlijk tegenstrijdige eisen: het waarborgen van het stemgeheim en volledige verifieerbaarheid van de uitslag (absolute ballot secrecy + full auditability of the voting system). Deze paradox kan niet worden opgelost door een eenvoudige combinatie van bestaande cryptografische primitieven. Hiervoor zullen nieuwe cryptografische protocollen ontworpen moeten worden (zoals bijvoorbeeld gebeurt in het CyberVote-project van de Europese Commissie).

De beveiligingsproblemen zijn op dit moment nog aanzienlijk groot. Allereerst moeten alle burgers zich eerst als kiezer registreren. Zij moeten vooraf een persoonlijke code ontvangen die gebruikt wordt bij het online stemmen. Dat voortkomt dat er dubbel gestemd kan worden omdat er maar één stem per identiteit wordt geaccepteerd. Daarnaast moet er een mechanisme zijn om het gebruik van zo’n identiteit te authenticeren.

Het online stemverkeer zelf moet zo zwaar mogelijk worden beveiligd om te voorkomen dat hackers stemmen ongeldig maken door berichten te verminken, of de stemmen zelf te vervalsen. Dit is lastig omdat de servers waar de stemmen verzameld worden voortdurend bereikbaar moeten zijn.

Als openbaar elektronisch netwerk blijft internet kwetsbaar. Mensen die om een of andere reden verkiezingen willen saboteren, zullen altijd pogingen ondernemen om een server zoveel te bestoken dat deze overbelast raakt en de burgers hun stem niet meer kunnen uitbrengen. Sceptici zeggen dat bij online verkiezingen de privacy van de stemmers gevaar loopt, controlemogelijkheden ontbreken en hertellingen onmogelijk zijn zodra de integriteit van het verkiezingsproces in het geding komt (gezien de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2000 en 2016 is dit geen denkbeeldig risico meer). De risico’s van online verkiezingen wegen echter niet op tegen de voordelen, zoals snelheid, betrouwbaarheid van resultaat, slechten van stembarriès voor bejaarden, zieken en gehandicapten.

CyberVote
Het doel van het CyberVote-project van de Europese Commissie was het ontwikkelen van een innovatief stemsysteem voor volledig verifieerbare online-verkiezingen met absoluut stemgeheim. Het stemmen gebeurt door middel van internet-terminals en mobiele telefoons.

Het online-stemsysteem is gebaseerd op een uitermate veilig protocol waardoor de verkiezingsuitslag geverifieerd kan worden ten opzichte van de uitgebrachte stemmen. Het project bestudeerde ook de kieswetten die van kracht zijn in de deelnemende landen. Daarmee werden nadere eisen vastgesteld waaraan het stemsysteem moet voldoen. Het Nederlandse kiesrecht vereist bijvoorbeeld nog steeds dat de burger zich in het stemlokaal moet kunnen legitimeren, ook al wordt dit in de praktijk zelden gevraagd. Bovendien dient de burger te stemmen in het bij zijn woning gelegen stemlokaal.

Aan het CyberVote project nemen twee academische partners deel: de Katholieke Universiteit Leuven uit België en de Technische Universiteit Eindhoven uit Nederland. De TU/e is gekozen vanwege de expertise op het gebied van cryptografie en informatiebeveiliging. Met de vernieuwende cryptografische protocollen zou het mogelijk moeten zijn om de stemmers te authentiseren en om hun stemgeheim te waarborgen (zowel bij het versturen van hun stem over het internet, als bij het tellen van de stemmen en het achteraf controleren van de uitslag).

CyberVote moet stemmers in staat stellen om hun stem volledig in vertrouwen uit te brengen: het stemgeheim blijft tijdens en na de verkiezingen gewaarborgd en alle ingediende stemmen worden meegeteld in de einduitslag. Hoe speciale cryptografische protocollen helpen om deze tegenstrijdige doelen (garantie van privacy van stemmers én correctheid van verkiezingsuitslag) tegelijkertijd te realiseren, wordt onder andere uitgewerkt in het artikel van Berry Schoenmakers (Technische Universiteit Eindhoven).

CyberVote wordt ontworpen voor gebruik in onder andere lokale, regionale, nationale en Europese verkiezingen en zal in 2003 worden getest door middel van een aantal proefverkiezingen in Duitsland, Frankrijk en Zweden. Bij deze proefverkiezingen zullen meer dan 3000 stemmers worden betrokken.

Het CyberVote-project streeft ernaar het democratisch proces te verbeteren door meer stemmers te laten deelnemen, en daardoor een groter aantal stemmen te realiseren. De verwachting is dat online-stemmen kan leiden tot een grotere opkomst van burgers bij lokale, regionale, nationale en eventueel federatieve, internationale of thematische verkiezingen. In het project wordt onderzocht in welke mate online-stemmen daadwerkelijk de deelname aan verkiezingen beïnvloedt. CyberVote wil het uitbrengen van een stem vergemakkelijken. Dit is met name van belang voor mensen die zich moeilijk kunnen verplaatsen (ouderen, zieken), die tijdens de verkiezingsdag op reis zijn, of die in het buitenland wonen. Het systeem van CyberVote stelt deze mensen in staat hun stem uit te brengen zonder het bekende stemlokaal te bezoeken. Bovendien leidt dit waarschijnlijk tot een aanzienlijke daling van de kosten van het verkiezingsproces. In Nederland kost het traditionele stemmen naar schatting fl. 16,- per uitgebrachte stem. De verwachting is dat dit door elektronisch stemmen kan worden teruggebracht tot fl. 1,60 per stem.

Voordelen van Elektronisch Stemmen
Makkelijker voor gemeenten: zijn af van veel romslomp: vorderen en inrichten van stemlokalen tot aan het werven van vrijwillgers die een hele dag achter de tafel willen zitten en het nauwkeurig tellen van stemmen.
voor kiezers: kunnen vanaf thuis, het werk of waar dan ook stemmen. Verlaging drempels voor mindervaliden, bedlegerigen en zieken. Het internet brengt het stemhokje bij de kiezer thuis. Elektronisch stemmen is bovendien niet gebonden aan sluitingstijden.
Flexibeler Elektronisch stemmen kan voor diverse soorten verkiezingen worden ingezet. Uitgebreide mogelijkheden van gewogen stemmen, het uitbrengen van meerdere stemmen, anti-stemmen, passiestemmen, het herroepen van een stem.
Goedkoper Met huidige technologie kosten verkiezingen fl. 16,- per uitgebrachte stem, met elektronisch stemmen kan dit worden gedecimeerd tot fl. 1,60.
Informatiever Op een beeldscherm van een computer kan veel meer informatie worden aangeboden dan op papier of op een stemmachine. Via internet kan bijvoorbeeld achtergrondinformatie worden verstrekt over programma's van politieke partijen, een — economisch-fiscale, sociaal-politieke, cultureel-ethische, lokale of globale — vergelijking tussen deze programma's, stemadviezen van deskundigen of gerespecteerde organisaties, stemgedrag van kandidaten.
Vergroting participatie Grotere toegankelijkheid van stemproces voor potentiële stemmers die niet regelmatig aan verkiezingen deelnemen. Veel mensen die nu niet gaan stemmen, zullen elektronisch wel stemmen. Zij hoeven alleen maar verbinding te maken met het elektronisch stemlokaal.
Risico's van Elektronisch Stemmen
Manipulatie van apparatuur Onrechtmatige beïnvloeding van verkiezingsuitslag door manipulatie van apparatuur. Het gebruik van thuiscomputers bij verkiezingen staat niet onder toezicht van het stembureau.
Overbelasting Moedwillige overbelasting van het netwerk om daarmee het verkiezingsproces te verstoren (bijvoorbeeld middels een 'distributed denial of service attack').
Dwang en Omkoping Mogelijkheden van (georganiseerd) stemmen onder dwang of het (georganiseerd) kopen van stemmen. Bijvoorbeeld gezinshoofden die namens hun gezin stemmen.

Index Overheidsbestuur en dienstverlening

Internettechnologieën kunnen niet alleen worden gebruikt om processen van politieke menings- en besluitvorming te faciliteren, maar ook om de bestuurbaarheid van de overheid zelf te vergroten. Moderne netwerktechnologieën kunnen op diverse bestuurlijke terreinen worden ingezet: de interne bedrijfsvoering van de overheid, de bestuurlijke samenhang tussen en binnen overheidsinstellingen, de interactieve beleidsvorming (met inspraak van bewoners, stadgenoten en staatgenoten), het management van die instellingen en de continue controle op de uitvoering van het beleid. De belangrijkste wijziging in de interne organisatiestructuur van de overheid ligt in de overgang van een functioneel sectorenmodel naar een doelgroepenmodel dat zich richt op de vragen en behoeften (van bepaalde groepen) burgers [Bekkers 2001].

De één-loket gedachte
In plaats van een serie loketten waarachter steeds één dienst schuilgaat, moet er één front-office komen die in contact staat met meerdere back-offices. De front-office moet geconcentreerd zijn rond de vraagpatronen van de burger, en niet rond de organisatiestructuur van de overheid. In de sterk verkokerde dienstverlening van de overheid werden burgers van het kastje naar de muur gestuurd. Door toepassing van het één-loket principe kan de burger terecht bij één kastje in de muur van het internet: het e-loket [Overheidsloket 2000]. Het e-loket van de overheid is georganiseerd rond een site waarbij de logica van de gebruiker bepalend is voor de structuur en vormgeving, in plaats van de logica van de organisatie [Eén loket op internet].
Centrale, regionale en lokale overheden kunnen elektronische netwerken gebruiken om de kwaliteit van de dienstverlening naar de burger als klant te verbeteren. Burgers komen naar de overheid toe omdat ze iets van de overheid willen (zoals een paspoort, een uitkering of een huursubsidie) of omdat zij van de overheid iets moeten (zoals het aanvragen van een bouwvergunning of het betalen van een boete). De overheid neemt in beide processen een monopoliepositie in en stuurt te veel burgers van loket naar loket. Het al jaren populaire een-loket principe kan met elektronische middelen nu eindelijk daadwerkelijk worden gerealiseerd. In principe is het immers mogelijk om één digitaal loket te ontwikkelen

  1. waar burgers toegang krijgen tot alle online beschikbare overheidsinformatie over regels en procedures, producten en diensten;

  2. waar burgers alle formulieren en procedures kunnen vinden voor het aanvragen van overheidsdiensten (uitkeringen, huur- en andere subsidies, paspoorten) of het voldoen aan verplichtingen (bouwvergunningen, gemeentelijke belastingen, betaling van boetes);

  3. waar elektronische hulpmiddelen ter beschikking worden gesteld om bijvoorbeeld het bedrag aan belasting te berekenen dat iemand verschuldigd is of tegoed heeft.

  4. waar elektronische transacties kunnen plaatsvinden zoals het leveren van een paspoort of een bouwvergunning;

  5. waar burgers desgewenst persoonlijk te woord worden gestaan door een op het betreffende gebied deskundige ambtenaar en

  6. waar burgers klachten kunnen indienen die snel en doelmatig worden behandeld.
Nederland gaat digitaal
Volgens de Nederlandse regering moest in het jaar 2002 minimaal 25% van de publieke dienstverlening elektronisch kunnen worden afgehandeld. In 2000 is hiervoor een eerste meting van de huidige stand van zaken uitgevoerd. In dat jaar was 18% van de dienstverlening van de overheid aan burgers en 19% van de dienstverlening aan bedrijven elektronisch beschikbaar [Publieke dienstverlening 25% elektronisch]. Het Rijk loopt daarbij voorop met respectievelijk 32% en 45%. De gemeenten (en in het bijzonder de kleine gemeenten) blijven nog achter (13 en 11%).
De Nederlandse overheidsinstellingen hebben nog een lange weg te gaan. Gemeentelijke, provinciale en nationale overheidsinstellingen zijn net als veel andere organisaties begonnen met het stapsgewijs online brengen van de informatie die zij aan hun burgers als cliënten te bieden hebben. Diverse overheidsorganen zijn er in geslaagd om de informatie die zij voorheen in papieren of analoog formaat aanboden nu ook in digitale vorm beschikbaar te stellen. Echte online dienstverlening, zoals het online afhandelen van administratieve en elementair dienstverlenende taken, staat nog in de kinderschoenen. Maar het zijn kinderschoenen die snel te krap worden. In diverse overheidsinstellingen wordt inmiddels naarstig gezocht naar mogelijkheden om de eigenaardigheden van het internet te gebruiken om hun doelstellingen efficiënter en effectiever te realiseren. Het is niet te sterk overdreven om te zeggen dat futuristische dromers en ideologen van het revolutionaire internet-tijdperk links en rechts worden ingehaald door mensen en instellingen die nieuwe methodieken en instrumenten ter beschikking stellen die de dienstverlening van overheden aan haar burgers personaliseren en optimaliseren.

Index Censuur

Internet is voor economische, politieke en culturele elites een lastig te hanteren fenomeen. Subalterne groepen gebruiken de eigenaardigheden van het internet om hun klachten en onvrede te articuleren, om hun identiteit vorm te geven, om hun belangen en aspiraties om te zetten in politieke programma's, om hun eigen acties te initiëren en te begeleiden, om hun eigen organisatie op te bouwen en leiders te kiezen, en om hun bondgenoten te vinden en te betrekken in het eigen netwerk van politiek betekenisvolle verbindingen.

Censuur in Zuid-Korea
De regering van Zuid-Korea verbood in 1997 de toegang tot Geocities — inmiddels opgekocht door Yahoo! Geocities biedt onderdak aan 1 miljoen websites, waaronder een aantal sites van belangrijke vakbonden. Volgens de Zuid-Koreaanse regering bevatten een aantal pagina's op Geocities illegale informatie over Noord-Korea. Het opleggen van censuur op het internet is een aantasting van de vrijheid van meningsuiting. Byoung-Il Oh, voorzitter van de Social Information Networking Group (SING), roept iedereen op om zich te verzetten tegen deze aantasting van de vrijheid.
Gevestigde elites maken zich hierover grote zorgen. Het volk, de onderdanen en de kiezers beschikken plotseling in steeds groter wordende aantallen over de technologie en vaardigheden om hun belangen en verlangens op eigen kracht naar voren te brengen. De voorgeprogrammeerde reactie van heersende elites is repressie: informatie en communicatie die kritisch of bedreigend is voor heersers en exploiteurs wordt verboden [Castells 2001]. In veel landen worden intellectuelen, schrijvers, journalisten en activisten in gevangenissen opgesloten omdat zij kritisch zijn ten opzichte van regeringen, staatsdragende partijen of woordvoerders van lokale overheden. Democratisch niet-gelegitimeerde machthebbers zijn structureel geneigd om de vrijheid van meningsuiting en politieke zelforganisatie aan banden te leggen. Politieke censuur is daarbij een uiterst potent, maar ook problematisch instrument. Nieuw is niet dat politieke elites kritische minderheidsopvattingen negeren of censureren, maar dat oppositionele individuen en groepen zo goed in staat zijn om hun opvattingen en voorstellen via het internet naar voren te brengen.

Index Haatgroepen

Net als andere media kan internet voor diverse doeleinden worden gebruikt. Er zijn — gelukkig— veel mensen die internet gebruiken om normen van geweldloosheid en tolerantie te verspreiden. Maar er zijn ook mensen die in hun leven dermate ontregeld en gefrustreerd zijn dat zij kwaadwaardige intolerantie en gewelddadige haat propageren. Haatgroepen zijn groepen die oproepen tot de meest uiteenlopende vormen van discriminatie: van racisme, seksisme, homofobie, anti-semitisme, anti-islamisme, authoritarisme, tot aan het 'beautycism'. Ook ultra-rechtse groeperingen maken gebruik van het internet om hun gevaarlijke vooroordelen, stereotyperingen en leugens te verspreiden.

Door de relatief lage toegangskosten functioneert het internet als een megafoon die over de hele wereld gehoord kan worden. Daarom is internet voor —vaak minuscule, maar uiterst militante— haatgroepen een middel bij uitstek om hun haatdragende en gewelddadige emoties te etaleren en acties te entameren. Daar komt bij dat in de Verenigde Staten bijna alles wat consequente democraten als haatdragende discriminatie beschouwen met rust wordt gelaten door een beroep op het 'first amendment' dat de vrijheid van meningsuiting beschermd.

Brandende kruisen in cyberspace?
Racisten, neo-nazies, blanke superioriteitsbewegingen, antisemitisten, homohaters en extreem nationalisten ontdekten al snel welke mogelijkheden internet biedt om hun bizarre en aggressieve vooroordelen en dreigementen te verspreiden. Een van die profeten van haat en geweld is de Amerikaan David Duke.

Als teenager werd hij een actieve racist en richtte de neo-nazistische groep White Youth Alliance op. Nadat hij was afgestudeerd op de Louisiana State University richtte hij de Knight of the Ku Klux Klan op en lanceerde hij een publiciteitsoffensief dat resulteerde in een grote ledenaanwas voor de KKK. Duke wilde de KKK een meer respectabel imago geven. Hij wist de hand te leggen op een televisie-netwerk waarin hij een subtiele vorm van racisme predikt. Op handige wijze worden problemen zoals illegale immigratie en positieve actie misbruikt om propaganda voor blanke superioriteit te maken.

In 1980 wordt Duke uit de KKK gezet en richt hij de "National Association for the Advancement of White People" (NAAWP) op, die hijzelf omschreef als een Klan zonder jurken. De NAAWP presenteert zichzelf als een white rights organisatie die opkomst voor de blanke belangen en rechten op dezelfde manier als de NAACP opkomt voor de "Advancement of Colored People".

Het racisme wordt op subtiele wijze —in pseudo-wetenschappelijke en sociologische termen— geserveerd. Duke adviseert zijn achterban om nooit direct te refereren aan raciale superioriteit of inferioriteit, maar alleen te spreken over 'raciale verschillen'. Ondanks enig tegengepruttel van nationale leiders, slaagde Duke erin om voor de Republikeinse Partij een zetel te verwerven in de Louisiana State Legistature. Hij verwierp officieel racisme, maar bleef wel Nazi-literatuur verkopen en Joden verwijten dat zij alle andere culturen vernietigen. Bijna slaagde hij erin om zich in de Senaat (1990) en in het gouverneurschap van Lousiana (1991) te laten verkiezen. In 1992 deed hij zelfs nog een gooi naar het presidentschap. Hij verliet daarna de officiële politieke arena, maar concentreerde zich op verspreiding van zijn haatdragende gedachten via oude en nieuwe media.

Inmiddels heeft David Duke het internet omarmd als een sleutel voor de toekomst van de blanke superioriteitsbeweging. De aanstaande 'blanke revolutie' wordt volgens Duke op het internet geboren. Hij verwacht dat het internet "een wereldwijde revolutie van blanke trots zal vergemakkelijken". Duke gelooft dat door het internet de controle van zijn vijanden over de 'blanke media' zal verdwijnen.

    "Up until now, unless someone met me personally, or read my material, the only way they could judge me is by what the liberal-biased media says. Now, that situation has changed. Millions of people are going online in America. Now, if they want to find out about me and my ideas and issues all they have to do is go into one of the search engines and search for 'David Duke'. Hundreds of sources will show up" [David Duke, The Coming White Revolution].
Duke gebruikt zijn site voor massieve aanvallen op immigratie, gemengde huwelijken en de voortplantingssnelheid van niet-blanken. Zijn vooroordelen over het 'genetisch potentieel' van blanken, over de aangeboren fysieke, esthetische, intellectuele, psychologische en morele verschillen tussen blank en zwart, worden breed uitgemeten. Zijn verhandelingen over raciale ongelijheid kunnen online worden gelezen, gedownload, afgedrukt en verspreid. Zijn internationale radioshow kan op elk moment van de dag worden beluisterd.
    "Let me ask you a question, how many millions of dollars would it cost me to have a radio station that could broadcast my radio programs to the entire globe-24- hours-a-day? Through the Internet, I do it RIGHT NOW and [at] a microscopic fraction of the cost. To listen anywhere in the world, all it takes is having a computer and simply being connected to the Internet!" [idem]
Sinds november 1998 heeft Duke zijn website herontworpen. Het is een David Duke site worden waarin hij lucht geeft aan zijn haatdragende evangelie, maar zichzelf ook probeert te afficheren als een respectabele burger — en uiteraard probeert hij zijn autobiografische boek te verkopen In januari 2000 kondigt Duke de oprichting van een nieuwe organisatie aan, NOFEAR ('The National Organization for European American Rights'), wier doel het om "de burgerrechten van Europese Amerikanen te verdedigen."

Een haatsite is een website waarop onredelijke vijandigheid en geweld tegen personen of groepen wordt gepropageerd op basis van 'ras', religie, etniciteit, geslacht, seksuele oriëntatie of handicap. Dergelijke websites zijn om meerdere redenen gevaarlijk. Ten eerste is het internet een op zeer brede schaal gebruikt medium waardoor de verspreiding van de propaganda van haatgroepen niet meer beperkt is en gemakkelijk toegankelijk wordt. De propaganda van haatgroepen was vroeger beperkt tot verbale uitingen, pamfletten en boekjes. Via de internettechnologie krijgt nu iedereen gemakkelijk toegang tot de sites van de haatgroepen. Ten tweede komen mensen die gemakkelijk beïnvloedbaar zijn of zelf haatdragend zijn gemakkelijk in contact met gemeenschappen van mensen met gelijksoortige gevoelens en frustraties. Veel haatsites richten zich op pubers die zij proberen te beïnvloeden met gratis muziek (met sterke racistische teksten), met haat versies van computerspelletjes die bij teenagers populair zijn en met racistische varianten van figuren uit stripboeken en tekenfilms. Een aantal haatsites hebben speciale secties voor kinderen met racistische spelletjes en cartoons. Ten derde zijn veel haatgroepen onderling met elkaar verbonden. Zij vormen een virtueel netwerk waarin informatie wordt uitgewisseld, strategieën worden besproken, wordt gerecruteerd en georganiseerd om een bredere beweging tot stand te brengen.

Gelukkig zijn er ook goede tegeninitiatieven van de grond gekomen. In Hate Groups: Watch Them - Fight Them staan de sites waarin de haatgroepen in kaart worden gebracht en waarin acties worden voorgesteld om deze vervuiling van het internet te bestrijden. Denk niet dat een ander het wel voor je zal doen.

Het Simon Wiesenthal Center (SWC) heeft een website ontwikkeld die als een digitale rots in de branding van de haatgroepen staat. Het SWC is een internationale joodse mensenrechtenorganisatie. Zij houdt de herinnering aan de Holocaust levend door het stimuleren van tolerantie en wederzijds begrip door participatie in de gemeenschap, van opvoeding tot verdraagzaamheid en sociale weerbaarheid tegen discriminatie. Het SWC opereert wereldwijd en onderhoud sinds 1991 een eigen Task Force Against Hate met actuele informatie over conferenties, trainingen, publicaties en met achtergrondverhalen over “The Making of a Skinhead”. Het pronkstuk van het SWC is het Museum of Tolerance. Bezoekers kunnen indrukwekkende digitale exposities bezichtigen, een educatief centrum bezoeken met bronnen over Holocaust en de 2e Wereldoorlog, met duizenden teksten en nog veel meer foto’s. Voor leraren is in het museum van de tolerantie een aparte hoek ingeruimd waar onderwijsonsteunende bronnen zijn opgeslagen. Het Institute of Documentation in Israel presenteert belangrijke historische documenten over anti-semitisme en de Holocaust. In de bibliotheek en archieven van het SWC kunnen tienduizenden documenten ontsloten worden. Inclusief de mogelijkheid om direct met overlevenden van de Holocaust te communiceren. Daarnaast biedt de site de mogelijkheid om een aantal uitstekende boeken en CD-ROMs te kopen. Een aparte sectie met veel gestelde vragen (en antwoorden) en contactinformatie ontbreken evenmin als de lijst met nuttige links.

Het SWC is niet de enige organisatie die de strijdt aanbindt met mensen en groepen die het internet gebruiken om hun misplaatste frustraties en discriminerende aggressiviteit te propageren. Maar het is wel een organisatie die optimaal gebruik maakt van de mogelijkheden om informerende, opiniërende, mobiliserende en organiserende activiteiten, functies en processen via internet te faciliteren. De grootste kracht van het Simon Wiesenthal Centrum is precies dat wat het talent van haar naamgever kenmerkte: het vermogen om uiterst preciese informatie over de Jodenvervolging zodanig te presenteren dat hierdoor ook andere anti-discriminatoire groepen worden aangesproken.

Index Informatiebronnen

  1. Power - TeleDemocracy [SocioSite]

  2. Communication and Information [SocioSite]

  3. Human and Civil Rights [SocioSite]

  4. Activism, Collective Action, Social Movements, Utopianism [SocioSite]

  5. Anti-Discrimination [SocioSite]

  6. Hate Groups: Watch Them - Fight Them [SocioSite]

  7. Censorship and Privacy on the Net
    Een verzameling informatiebronnen over censuur en privacy op het internet.

  8. Abramson, J.B. / Aterton, F.C. / Orren, G.R.
    • [1988] The Electronic Commonwealth: The Impact of New Media Technologies on Democratic Politics.
      New York: Basic Books.

  9. Aterton, F.C.
    • [1987] Teledemocracy: Can Technology Protect Democracy?
      Newbury Park: Sage.

  10. Axford, B.
    • [2001] The transformation of politics or anti-popolitics.
      In: Axford, B. / Huggings, R. (eds.) New Media and Politics. London: Sage, 1-29.

  11. Barber, Benjamin
    • [1984] Strong Democracy: Participatory Politics for a New Age.
      Berkeley: University of California Press.
    • [1997] The new telecommunications technology: endless frontier or the end of democracy?
      In: Constellations 2:208-28.
    • [2000] A Passion for Democracy: American Essays.
      Princeton University Press.

  12. Bekkers, Victor
    • [2001] Voorbij de virtuele organisatie?
      Oratie Erasmus Universiteit. In elektronische vorm aan te vragen via e-mail: e-government@cmg.nl

  13. Berners-Lee, Tim
    • [1999] De wereld van het World Wide Web.
      Amsterdam: Nieuwezijds.
      Vertaling van: Weaving the Web - The original design and ultimate destiny of the World Wide Web by its inventor. London: Business Press.

  14. Bits of Freedom (BOF)
      Een privacy en burgerrechten organisatie. Zij vestigt de aandacht op burgerrechten in relatie met data privacy, filtering, opsporing, cryptografie, aftappen, vrijheid van meningsuiting en toegang tot informatie.

  15. Blauw New Media Consulting
    • [1999] Internetmonitor overheidswebsites. Den Haag.

  16. Browning, Greame
    • [1996] Electronic Democracy: Using the Internet to Influence American Politics.

  17. Budge, Ian
    • [1996] The new challenge of direct democracy. [samenvatting]
      Cambridge.

  18. Davis, R. / Owen, D.
    • [1998] New Media and American Politics.
      New York: Oxford.

  19. Europese Unie<

  20. E-Vote-ID

  21. Hacker, Kenneth L. / Dijk, Jan van
    • [2000] (eds.) Digital Democracy.
      London: Sage.

  22. Hagen, Martin
    • [1997] Elektronische Demokratie: Computernetzwerke und politische Theorie in den USA.
      Hamburg: Lit-Verlag.
    • [2000] Digital Democracy and Political Systems.
      In: Hacker/Van Dijk [2000:54-69].

  23. Holland, Christiaan / Bongers, Frank / Bouwman, Frank

  24. Instituut voor Publiek en Politiek (IPP)
    Introductie Teledemocratie

  25. Jordan, Tim
    • [1999] Cyperpower: The Culture and Politics of Cyberspace and the Internet.
      Routledge.

  26. Kiezen op Afstand
    Den Haag 2000.

  27. Koch, C.
    • [1997] (ed.) Borders in Cyberspace: Information Policy and the Global Information Structure.
      Cambridge.

  28. Larson, R.R.

  29. Luhmann, Niklas
    • [1996]
      Die Realität der Massenmedien.
      Opladen: Westdeutscher Verlag.

  30. Melucci, A.
    • [1996] Challenging Codes. Collective Action in the Information Age.
      Cambridge: Cambrigde University Press.

  31. Ministerie van Binnenlandse Zaken

  32. Morris, Dick

  33. Netkwesties

  34. Opijnen, Marc van
    • [1998] Overheid op internet
      In: Rechtshulp, 1998-5.

  35. Overheid.nl
      Een portal van de overheid met links naar alle overheidswebsites, alle kamerstukken, alle wet- en regelgeving uit Staatsblad, Staatscourant en Tractatenblad sinds 1995.
    • [sept. 1999] Eén loket op het Internet

  36. Overheidsloket 2000

  37. Ploeg, Rick van der / Veenemans, Chris
    • [2001] (red.) De burger als spin in het web.
      Den Haag: SDU.

  38. Pool, I. de Sola
    • [1983] Technologies of Freedom.
      Cambridge, MA: MIT Press.

  39. Raad voor het Openbaar Bestuur

  40. Rapport Elzinga
    Staatscommissie dualisme en lokale democratie.

  41. Rash, Wayne
    • [1997] Politics on the Nets: Wiring the Political Process.
      New York: Freeman & Co.
      Zie de recensie van David Silver.

  42. Sassi, S.
    • [1997] The internet and the art of conducting politics: considerations of theory and action.
      In: Communication, 9: 451-69.

  43. Schoenmakers, Berry

  44. Shane, P.
    • [2004] (ed.) Democracy Online: The Prospects for Political Renewal Through the Internet. Routledge.

  45. Siapera, Eugenia
    • [2005] Minority activism on the Web: between deliberative democracy and milticulturalism.
      In: Journal of ethnic and migration studies, 31(3): 499-519.

  46. Smith, Robert Leo

  47. Sunstein, C.
    • [2007] Republic.com 2.0.
      Princeton University Press.

  48. Suroweicki, J.
    • [2005] The Wisdom of Crowds. Anchor.

  49. Tsagarousianou, Roza /Tambini, Damian / Bryan, Cathy
    • [1998] Cyberdemocracy: Technology, Cities and Civic Networks.
      London: Routledge.
      Zie de recensie van Wessel Janse van Rensburg, in: Cybersociology Magazine 5.

  50. Ward, Stephan / Gibson, Rachel / Lusoli, Wainer

  51. Wetten.nu

  52. Zessen, R.L. van

  53. Zuuremond, A./Huigen, J./Frissen, P.H.A./Snellen, I.T.M./Tops, P.W.T.
    • [1994] Informatisering in het openbaar bestuur. Technologie en sturing bestuurskundig beschouwd.
      Den Haag: VUGA-uitgeverij.

Index


Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

25 November, 2016
Eerst gepubliceerd: November, 1997