Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

Kinderporno in Cyberspace English Version

—Digitale sporen van een misdrijf—

Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam

Sporen van een misdaad

Produktie en verspreiding

Nomadische bewegingen

Roofvogels op de loer

Informatiebronnen

Gerelateerde teksten
red_button Pornografie in Cyberspace
red_button Regulatie van CyberPorno
red_button NetLiefde en CyberSex
red_button CyberStalking

Sporen van een misdaad

“Pedofilie is de gevaarlijkste virus op de elektronische snelweg. Het kan de menselijke waardigheid doden. Het kan de vrijheid doden. Het kan internet zelf doden” [H. Yushkiavitshus, onderdirecteur Unesco]


In samenlevingen met een enigszins ontwikkelde beschaving is kinderpornografie meestal een morele steen des aanstoots van de eerste orde. Wanneer kinderen misbruikt worden voor het genot van volwassenen bekruipt ons direct het gevoel dat er een morele grens wordt overschreden. De verspreiding van kinderpornografische afbeeldingen via het internet is daarom al jarenlang een onderwerp van verhitte gesprekken. Hoewel de — overigens zeer kleine — vraag naar kinderpornografie blijft bestaan, is er bijna niemand die de productie en distributie van dergelijk beeldmateriaal in het openbaar durft te verdedigen. Dat is niet vreemd in naties waarin productie, verspreiding en bezit van kinderpornografie niet alleen maatschappelijk taboe maar ook strafrechtelijk verboden is.

Hier wordt in kaart gebracht op welke manieren kinderpornografische afbeeldingen via het internet worden gedistribueerd. Hoe dergelijke praktijken kunnen worden bestreden, wordt geanalyseerd in Regulatie en Zelfregulatie van Internet en meer in het bijzonder in Regulatie van CyberPorno.

Wat is kinderporno?
Het Amerikaans Ministerie van Justitie hanteert vijf criteria om te bepalen of een afbeelding als pornografisch beschouwd kan worden: “They must focus on the genital area, show unnatural poses, depict children as sex objects, imply that the children are willing to engage in sex, and have a suggestive setting.”
Kinderporno is iets anders dan foto’s of videos van naakte kinderen. Kinderpornografisch materiaal is het bewijs van een misdaad, namelijk van seksueel misbruik van kinderen. De juridische definitie van kinderporno is “een afbeelding —of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding— van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken” [WvS 240bis, lid 1 - De minimumleeftijd voor deelname in pornografie werd in oktober 2022 verhoogd van zestien naar achtien jaar]. Een afbeelding van een houding van een bloot kind op zich valt niet onder de strafbepaling, ook al zijn er personen die vanwege hun geaardheid door een dergelijke afbeelding seksueel opgewonden raken. Het kernpunt van de juridische definitie van kinderporno is dus niet dat de afbeelding primair wordt vervaardigd en in omloop wordt gebracht met het oogmerk anderen seksueel te prikkelen, maar de bescherming van de minderjarige tegen seksuele exploitatie [W. Sorgdrager, Nota bij art. 240b, 20.2.95]. De Nederlandse wetgeving op dit punt wordt uitvoeriger beschreven in Regulatie van Cyberporno.

Fysiek en virtueel misbruik
“Aan iedere kinderpornografische afbeelding ligt het misbruik van een kind ten grondslag. Zelfs nadat het fysieke misbruik is gestopt, houdt het misbruik niet op voor de slachtoffers doordat de bewijzen ervan voor altijd op het Internet zullen rondzwerven” [Meldpunt Kinderporno op Internet, Jaarverslag 2005].
De kinderen die in kinderpornografische foto’s en films worden afgebeeld zijn betrokken in seksuele handelingen en worden door de fotograaf of filmer zodanig gemanipuleerd dat zij een hele reeks fantasieën bevredigen. Zelden vertonen de afgebeelde kinderen tekenen van ongemak, afkeer of walging; zij kijken meestal opgewekt of neutraal. Dit versterkt de rationalisatie- en rechtvaardigingsprocessen voor seksuele interesse in kinderen van volwassenen. De kinderen worden voor een breed publiek afgeschilderd als ‘gewillige seksuele wezens’. Toch begint elke kinderpornografische voorstelling met seksueel misbruik van een kind. Achter ieder plaatje schuilt een kind dat misbruikt is.

Er zijn geen betrouwbare cijfers beschikbaar van het aantal kinderen dat slachtoffer wordt van kinderporno, noch van het aantal producties of afnemers [Frenken 1997]. Maar we weten wel dat het aantal zedenmisdrijven via het internet snel toeneemt en met name het seksueel misbruik van kinderen. Kinderpornografie wordt geproduceerd in een gesloten wereld. Alle participanten verplichten elkaar tot geheimhouding omdat zij allemaal chantabel zijn. Voor slachtoffers van kinderporno en kinderprostitutie is het meestal zeer moeilijk om hun verhaal naar buiten te brengen. Zij worden niet zelden bedreigd door de plegers die opereren in het circuit van de georganiseerde misdaad. Volgens Unicef zijn er meerdere miljoenen kinderen en jongeren die wereldwijd seksueel worden uitgebuit. Volgens een schatting van de VN Mensenrechtencommissie in 1998 worden wereldwijd 10 miljoen kinderen als seksobject gebruikt door volwassenen. Het gaat om steeds jongere kinderen — beginnend bij baby’s van enkele maanden.

Ontaarde kunst
Een van de meest ruchtmakende zedenzaken van de afgelopen decennia is het geval Robert M., die misbruik maakte van zijn positie bij kinderdagverblijven. Hij stond in 2012 terecht voor het misbruiken van 67 kinderen. De kinderen waren tussen de 0 en 4 jaar. Zijn jongste slachtoffer was een baby van 19 maanden oud. Tijdens chatgesprekken sprak hij met andere pedofielen over zijn misbruik en nodigde hen uit om dat samen met hem te doen, al dan niet tegen betaling. De door hemzelf gemaakte kinderporno beschouwde hij zelf als “kunstwerk”.

Index Productie en verspreiding

Internet speelt een steeds belangrijker rol bij de productie en verspreiding van kinderporno. Uit diverse politie-onderzoeken blijkt dat er zeer omvangrijke pedofiele netwerken actief zijn op het internet die verantwoordelijk voor de verspreiding van enorme hoeveelheden kinderpornografische foto’s en films. Veel van dat materiaal wordt door de leden van die netwerken zelf gemaakt en met andere leden van het netwerk geruild. Daarnaast zijn er diverse websites waarop kinderen voor prostitutie worden aangeboden en waarop men informatie kan vinden over gunstige vestigings- of vacantieplaatsen voor pedofielen. In Honduras en Costa Rica nam in 1999 het pedofiele sekstoerisme met 60 procent toe als gevolg van dergelijke websites [Bruce Harris van Casa Alianza, een Centraal-Amerikaanse organisatie tegen seksueel misbruik van kinderen].

In het buitenland gaat Nederland door voor een in zeden verwilderd volkje dat de bakermat vormt voor export van drugs en kinderporno. De vraag is welke omvang kinderpornografie in Nederland heeft, waar wordt het geproduceerd, hoe wordt het verspreid? Mede naar aanleiding van berichten uit het buitenland in 1984 over de rol die Nederland zou spelen bij de produktie van kinderporno, werd in juni 1985 de werkgroep kinderpornografie ingesteld. Zij had als opdracht het inventariseren van bestaande en nog te ontvangen informatie met betrekking tot kinderpornografie in Nederland, het opsporen van eventuele binnenlandse distributiekanalen en het onderzoeken van de herkomst en de bestemming van aangetroffen kinderpornografie. In haar onderzoeksverslag van augustus 1986 kwam de werkgroep tot de volgende conclusies:

  1. Er zijn geen aanwijzingen voor het bestaan in Nederland van produktie van kinderpornografie in de zin van het seksueel misbruik maken van kinderen met als doel de commerciële vervaardiging van kinderpornografie. De productie van kinderporno is niet per definitie commercieel, de meeste kinderpornografie is een bijproduct van het misbruik.

  2. Hoewel kinderpornografie tot 1984 relatief ruim beschikbaar was in Nederland, wordt het nu nog slechts sporadisch aangetroffen in streken waar politie en justitie nog niet actief optreden tegen het verschijnsel.

  3. Er zijn ook geen aanwijzingen gevonden voor het bestaan van een georganiseerd distributiesysteem voor commerciële kinderpornografie, noch binnenlands noch voor export. Vanuit Nederland is wel een verhoudingsgewijs aanmerkelijke hoeveelheid kinderpornografie is verzonden naar de VS en Duitsland, ook al loopt deze verzending terug.

    Pornografisch materiaal dat via internet verspreid wordt bestaat vaak uit oud materiaal, er wordt in geknipt en geplakt en dan wordt het opnieuw gepresenteerd. Sommige van de plaatjes zijn uit de Wehkampgids geknipt: kinderen in ondergoed. Andere plaatjes en video's zijn op naaktcampings gemaakt.

  4. De kinderpornografie die in Nederland is aangetroffen bestaat voor het grootste deel uit amateuristisch materiaal, vermoedelijk gemaakt door ontuchtplegers voor privébezit, maar van lieverlee toch in het commerciële circuit geraakt.

  5. Het vaststellen van de plaats waar het pornografisch materiaal is opgenomen is slechts zeer incidenteel mogelijk. Het in Nederland aangetroffen materiaal maakt het niet mogelijk een bepaalde plaats als min of meer belangrijke plaats van herkomst aan te wijzen. De belangrijkste kinderpornohandelaren zitten nog steeds in de Verenigde Staten.

  6. Voorzover het mogelijk is de plaats van druktechnische verzorging van in Nederland aangetroffen kinderpornografie vast te stellen, blijkt het meeste van Deense en Nederlandse oorsprong te zijn, daterend uit de tijd dat daarvoor in deze landen de juridische ruimte bestond.
De commissie kwam uiteindelijk tot de conclusie dat een nader onderzoek naar het verschijnsel kinderpornografie in Nederland niet nodig is. Maar ondanks deze schijnbaar geruststellende conclusie zijn er toch nieuwe en verontrustende ontwikkelingen die nopen tot grotere waakzaamheid.

Index Georganiseerde nomadische bewegingen

Volwassenen die kinderen molesteren zijn meestal mannen die in hun publieke omgang met kinderen vaak zeer gewaardeerd worden. In het lokale leven lopen kinderen het meeste risico bedreigd te worden door mensen die gezag over hen uitoefenen. Seksueel misbruik van kinderen vind meestal plaats door familieleden, buren, vrienden en anderen die bij de familie bekend zijn. Het overgrote deel van het kindermisbruik vind plaats in het huis van het slachtoffer of van de dader.

Op internet lopen kinderen het risico slachtoffer te worden van anonieme onbekenden. Pedofielen zwerven door cyberspace op zoek naar kinderpornografisch materiaal en verse prooi. Zij doen dat meestal individueel, maar soms ook in groepsverband, gebruikmakend van speciale netwerken en afgebakende virtuele ruimtes. Voor kinderlokkers en kinderpornografen biedt het internet toegang tot een bredere markt en dus meer potentiële slachtoffers dan ooit te voren. Zij gebruiken het internet om te netwerken met soortgenoten. Daarom zijn peer-to-peer netwerken zo populair bij pedofielen [Meldpunt Kinderporno].

Dadertypologie
De plegers van ontucht met kinderen worden meestal grofweg ingedeeld in drie categorieën.
  1. De situationele dader heeft primaire voorkeur voor volwasenen, maar gaat door omstandigheden seksuele contacten aan met één of meerdere kinderen.
  2. De antisociale dader heeft een primaire voorkeur voor volwassenen, maar experimenteert graag en vaak en heeft weinig scrupules.
  3. De preferentiële dader heeft een primaire seksuele voorkeur voor kinderen. De meeste afnemers van kinderpornografie behoren tot deze categorie. Preferentiële daders hebben een bijna obsessieve neiging tot het verzamelen van materiaal en vaak ook van slachtoffers.
De meeste daders zijn mannen, waarvan ongeveer de helft zelf misbruikt is in hun jeugd.

Hoe hecht zijn pedofielen op internet georganiseerd? Is er een pedofiele gemeenschap die internet gebruikt om kinderpornografisch materiaal uit te wisselen? Hoe gaan zij precies te werk?

Op internet bestaan er omvangrijke pedoseksuele netwerken die verantwoordelijk zijn voor de verspreiding van kinderpornografisch materiaal. Het zijn internationale netwerken van mensen die behoefte hebben aan beelden van seks met kinderen en die deze beelden met elkaar uitwisselen. De psychologe Rachel O’Connell (Universiteit van Cork, Ierland) heeft in 1997 onderzoek gedaan naar kinderpornogroepen als alt.binaries.erotica.pre-teen en alt.binaries.pictures.childeren [O’Connel 1999]. Zij concludeerde dat er een groep van tientallen gebruikers bestaat die gemiddeld om de twee weken een andere nieuwsgroep gebruikt om kinderpornografische afbeeldingen te verspreiden. De meeste foto’s en videos worden door dezelfde internetgebruikers verspreid.

Binnen pedofiele netwerken bestaat een soort informele arbeidsdeling. Er zijn ‘infrastructuur-coördinatoren’ die nieuwkomers wegwijs maken op het internet, en in het bijzonder op de nieuwsgroepen over en de digitale opslagplaatsen van kinderporno. Andere mensen concentreren zich op besprekingen van kinderpornografie in de nieuwsgroepen. Daarnaast zijn er mensen die de rol van uitkijkpost vervullen. Zij zorgen ervoor dat de activiteiten niet te lang op dezelfde internetlocatie plaatsvinden om het risico van opsporing te verkleinen. Voordat de internet-meldpunten en de politie in actie kunnen komen tegen kinderpornografen in een bepaalde internetlocatie, zijn de pedofielen alweer naar een andere locatie of applicatie verhuisd. De netwerken van pedofielen op het internet zijn georganiseerde nomadische bewegingen.

Alle mensen die materiaal plaatsen in nieuwsgroepen, MSN-groepen of peer-to-peer systemen doen dat anoniem. Zij gebruiken schuilnamen en zorgen ervoor dat hun echte identiteit niet te achterhalen is. De uitwisseling van kinderporno is omgeven met speciale beveiligingsconstructies. Zowel het verkeer als de inhoud van de uitwisseling worden op speciale wijze geanonimiseerd en gecodeerd. Het IP-nimmer van de eigen pc kan onzichtbaar worden gemaakt door te surfen via een proxy-server (bijvoorbeeld door het gebruik van Freenet of Tor). Vervolgens kunnen de uitgewisselde bestanden worden gecodeerd met PGP (Pretty Good Privacy) en/of met Kremlin.

Live verkrachting via webcam
In de ‘Wonderland’-zaak kwam aan het licht dat webcams worden gebruikt voor het uitzenden van het ‘live’ verkrachten van een kind. “De kijkers kunnen online ter plekke laten weten wat de verkrachter moet doen, wat ze willen zien. Zo wordt ter plekke de pleger opgezweept” [PWC 2001]. Er is een tendens om steeds gewelddadigere handelingen vast te leggen. De meest extreme vorm daarvan zijn de ‘snuff’movies waarin kinderen worden gemarteld en uiteindelijk gedood.
Het vermoeden is dat achter deze groep pedofielen geheime netwerken schuil gaan die foto's en videos uit de nieuwsgroepen halen en per e-mail of via nieuwsgroepen, discussiefora, chatruimtes, instant messaging of peer-to-peer systemen verder verspreiden. De elektronische post en mailing lists, instant messaging en peer-to-peer, chatruimtes en webcams onttrekken zich grotendeels aan de openbaarheid. Daarom is niet na te gaan hoe groot deze netwerken zijn. Vermoedelijk zijn ze veel groter dan de ‘openbare’ netwerken. In ieder geval heeft het internet geleid tot een vergaande internationalisering van kinderporno.

Index Roofvogels op de loer
Hoe gevaarlijk is internet voor kinderen?

Gevaarlijke verleidingen: digitale kinderlokkers
Kinderporno op het internet is meer dan het verzamelen en verspreiden van obsceen materiaal. Steeds vaker blijkt dat pedofielen via het internet proberen ontmoetingen te regelen met kinderen. Pedofielen zweven als roofvogels over het internet op zoek naar kinderen — de Amerikanen noemen dit hawking. Zij struinen eerst chatruimtes, webcams, nieuwsgroepen, MSN-groepen en sociale media af waar kinderen te verwachten zijn. Vervolgens proberen zij daarmee aan de praat te komen in een particuliere chatruimte. En tenslotte proberen zij het kind zover te krijgen om een afspraakje te maken. Diverse kinderen worden op deze manier van het internet opgepikt.

Jongeren als daders
Het seksueel lastig vallen van kinderen gebeurt zeker niet alleen door volwassenen. In Australië wordt naar schatting bijna de helft van de slachtoffers lastig gevallen door (oudere) jongeren. Jongeren vallen de kinderen op een soortgelijke manier lastig als pedofiele ouderen. Zij maken gebruik van pornografische beelden, creëren heimelijkheid en schuld als wapen voor manipulatie, etc. Het zijn dus niet alleen volwassen mannen die via internet naïve meisjes proberen te verleiden tot onzedelijke handelingen.
Digitale kinderlokkers proberen stap voor stap het vertrouwen van een kind te wekken en een regelmatig contact te ontwikkelen. Dit proces begin met het bespreken van onderwerpen waar kinderen in geïnteresseerd zijn. Pedofielen zijn goed in het identificeren van en communiceren met kwetsbare kinderen. Zij wekken de indruk dat zij om het kind geven en hun kinderwereld begrijpen. Pedofielen zijn behendig in het spelen van de rol van ‘vertrouweling’ voor jonge mensen. Zij gebruiken dit vertrouwen om het kind zo te manipuleren dat het afstand neemt van familie en vrienden. Zij exploiteren de verlangens, onzekerheden en angsten van jongeren om zichzelf beminnelijk voor hen te maken.

Pedofielen proberen met hun potentiële slachtoffers uitvoerig te praten over wie zij zijn, waar zij wonen, op welke school zij zitten en wat hun hobbies zijn. Op die manier hopen zij de kinderen te verleiden om hun gesprekken voort te zetten in exclusieve conversaties die niet door anderen kan worden geobserveerd (via email, privé-chat, instant messaging of webcam). De afsluiting van deze fase is dat er met het kind een afspraak wordt gemaakt om elkaar ergens te ontmoeten.

Feitelijk seksueel misbruik van kinderen wordt tegenwoordig vaak vooraf gegaan door virtueel zedendelict, ook wel webcam-misdaad genoemd. Yet van Mastrigt, teamchef sociale jeugd- en zedenpolitie van de politie Hollands Midden, beschrijft hoe dit in z'n werk gaat.

Bij het traditionele zedendelict worden kinderen misbruikt door bekenden in de huiselijke sfeer of rond uitgaansgelegenheden. Bij het virtuele zedendelict worden kinderen misbruikt door onbekenden in de sfeer van cyberspace. Dat gebeurt niet alleen door volwassenen, maar ook door leeftijdgenoten die vaak niet beseffen dat zij een strafbaar feit plegen als ze opnamen maken van een minderjarige die seksuele handelingen uitvoert (ook al doet deze dat vrijwillig) om deze via internet te verspreiden. Het aantal aangiften van zedenmisdrijven via het internet is snel toegenomen. In 2003 waren er nog maar 15 aangiften, in 2004 waren dat er al 117, en in 2005 verdubbelde dit tot 242 aangiften. Hoewel ouders en jongeren iets makkelijker aangifte doen van webcam-misdrijven, is het werkelijke aantal incidenten veel hoger.

Kinderen tussen hoop en vrees
In juni 2000 werd in Engeland een onderzoek gedaan waaruit bleek dat eenderde van de Britse ouders het internet zien als veel meer corrumperend dan televisie of films. Het onderzoek werd uitgevoerd door de NOP (National Opinion Poll) in opdracht van Symantec, een bedrijf dat zich bezig houdt met computerveiligheid.

De helft van de tijd dat kinderen online zijn, is er geen ouderlijk toezicht. Toch maken ouders zich zorgen over wat hun kinderen op het internet uitspoken. Zij geloven dat het internet een veel gevaarlijker invloed heeft op het morele welzijn van hun kinderen dan televisie en film. Hun haren rijzen van schrik bij het vooruitzicht dat hun kinderen ‘ongewenste inhoud’ zien. Ook uit eerder onderzoek (van NUA Internet Surveys) bleek al dat eenderde van de kinderen op het internet inhoud hadden gevonden waardoor zij geschokt waren of dat hen in verlegenheid bracht, terwijl meer dan de helft de inhoud omschrijft als ‘grof’ (rude).

Jonge vrouwen kwetsbaar in chatrooms
In januari 2001 publiceerde Ipsos-Reid haar onderzoek naar de ervaringen van jonge vrouwen uit 16 landen. Daaruit bleek dat zo'n 70% van internetgebruikers onder de 24 jaar regelmatig gebruik maken van chatrooms. Een kwart van de jonge vrouwelijke internetgebruikers zegt dat zij bang of verontwaardigd zijn geworden over dingen die tijdens chatroom sessies tegen hen gezegd werden.
    Bijna de helft van de jongeren gaat in chatrooms email-contacten aan met mensen die zij daar voor het eerst ontmoeten. Toch laten de meeste teenagers zich niet verleiden tot een lokale ontmoeting met iemand die zij online hebben leren kennen.
    Jongeren worden zich in toenemende mate bewust van de gevaren die zij op het internet lopen. Zo blijkt uit een Engels onderzoek van de NOP Research Group van juli 2001. Een toenemend aantal jongeren is niet bereid hun email adres of huisadres op het internet te geven. Voor ouders en scholen blijft echter een belangrijke taak weggelegd om kinderen voor te lichten over de risico's die zij op of via het internet lopen.
De Kiwi kinderen uit Nieuw Zealand lopen kennelijk nog meer risico’s met ‘digitale roofdieren’ dan Engelse of Amerikaanse jongeren. Een kwart van de vrouwelijke teenagers uit Nieuw Zealand voelt zich bedreigd door netschurken, in vergelijking met eenvijfde van de jongeren in Engeland en de USA die zeggen online benaderd te zijn door pedofielen. Een op de drie Nieuw Zealandse meisjes tussen 11 en 19 jaar had een lokale ontmoeting gehad met iemand die zij in een babbelbox had ontmoet. 32% was alleen naar de afspraak gegaan, terwijl bijna de helft van hen geen ouder of volwassene had geïnformeerd over hun plannen. Het onderzoek werd uitgevoerd door de afdeling psychologie van de Universiteit van Auckland. Er werden 347 vrouwen ondervraagd tussen 11 en 19 jaar, die de site www.nzgirl.co.nz hadden bezocht [bron].

Het rapport van het Internet Crime Forum (ICF) concludeert dat ongeveer 20 procent van de kinderen die chatrooms op het internet gebruiken benaderd zijn door pedofielen en andere ongewenste figuren terwijl zij online waren. Uit een vergelijkende survey in de USA: Online Victimisation: A Report on the Nation’s Youth [juni 2000] blijkt dat ongeveer eenvijfde van de jongeren tussen 10 en 17 een ongewenste uitnodiging of toenadering via het internet had meegemaakt.

Uit de Nieuw Zealandse studie blijkt dat 60% van de onderzochte kinderen hun email adres of telefoonnummer had gegeven aan iemand die zij online hadden ontmoet. Slechts de helft zei dat zij het aan hun ouders zouden vertellen wanneer zij online bedreigingen zouden ontvangen van pedofielen.

Dit beeld wordt bevestigd door een onderzoek onder Amerikaanse meisjes tussen de 13 en 18 jaar. Het onderzoek werd in 2001 uitgevoerd door The Girl Scouts of the USA. Daaruit blijkt dat de meeste meisjes zichzelf als de slimste computergebruiker in huis beschouwen. De meisjes blijken heel wat te verbergen voor hun ouders: 30% zegt dat zij op het internet seksueel zijn lastig gevallen (van het vragen naar de maat van de bh tot het opsturen van naakte plaatjes van mannen), maar slechts 7% vertelde dit aan hun ouders. De reden daarvan is de angst dat zij ‘unplugged’ worden.

Vuilchatten, scheldpartijen, pestmails en seksuele intimidatie
De Kinderconsument publiceerde in 2002 de uitkomsten van een steekproef onder 1300 jongeren van 10 tot 13 jaar. De resultaten waren nogal schokkend. Tussen de 18 en 44 procent van de kinderen (afhankelijk van de chatbox) bleek last te hebben van scheldpartijen en seksuele intimidatie in populaire chatboxen, zoals die van TMF, Foxkids, Surfkids, Chat.nl en Chatten.nl. Het onderzoek laat ook zien dat kinderen het zelf het spuugzat zijn. Die vervelende mannen die helemaal geen kind blijken te zijn. Die grove scheldpartijen met woorden die ik niet eens ken. Die gore pornoplaatjes die je ongevraagd worden opgestuurd. En die uitnodigingen van onbekenden die je zo snel mogelijk ergens willen ontmoeten.

Het jongerenweekblad Kidsweek publiceerde in juni 2003 een steekproef onder 1000 jongeren. Daaruit blijkt dat 2 van de 10 chatters last van pesten en schelden heeft in een chatbox. Een op de tien heeft te maken met seksuele toespelingen. Regelmatig wordt ingebroken op hun gesloten chatbox en worden jongeren gestalkt door mensen die ze in de chatbox ontmoet hebben. Slechts enkelen hadden te maken met pedofielen en werden met pestmails bedreigd. Uit het onderzoek blijkt verder dat de helft van de jongeren zich in de chatbox ouder voordoet.

Het ongewenst gedrag waarmee jongeren op internet worden geconfronteerd is samen te vatten in drie p's: porno, pesten en pedo.

Meisjes ervaren emotioneel complexe situaties op het internet, maar vertellen dat niet aan hun ouders. Zij denken dat zij weten wat veilig en onveilig internetgedrag is en dat zij over voldoende ‘gezond verstand’ beschikken. Zij voelen zich veilig op hun kamer achter de computer. Bij de meeste meisjes worden wel huisregels opgesteld voor internet. Maar de ouderlijke betrokkenheid is meestal beperkt tot verboden zoals: ‘niet met vreemde mannen praten’ en ‘geef geen persoonlijke informatie’. Een kleine meerderheid van de meisjes houdt zich aan deze regels, een grote minderheid doet dit niet. De meeste meisjes zeggen dat zij de ouderlijke regels gemakkelijk kunnen omzeilen. Zij weten hoe zij heimelijk kunnen chatten, de email van hun ouders lezen en heimelijk een cyberliefdesaffaire kunnen onderhouden.

Meisjes zeggen dat zij wel met hun ouders over hun virtuele leven willen praten, maar dat dit onmogelijk is, tenzij ouders weten waarover zij praten. Meisjes zeggen dat zij weten wat zij doen, maar het blijven emotioneel kwetsbare teenagers. Zij weten dat er gevaren zijn en zij proberen deze te vermijden. Maar als zij langere tijd met iemand chatten en een relatie opbouwen, beginnen zij hem te vertrouwen. Alles wat zij over ‘gevaren’ hebben geleerd smelt weg. Het komt tamelijk zelden voor dat meisjes tot persoonlijke ontmoetingen met pedofielen worden verleid. Maar het gebeurt wel. Via het internet ervaren meisjes dat zij als kwetsbaar kind ‘bezig zijn volwassen te worden’. Dat zou een uitgangspunt kunnen zijn voor ouders die met hun kinderen ook over hun virtuele ervaringen willen communiceren. Hoe meer ouders weet hebben van de hoop en vrees van hun kinderen, des te minder kans krijgen kinderverleiders om deze te exploiteren.

In Regulatie van CyberPorno wordt geanalyseerd hoe deze dreigingen en risico's voor kinderen geminimaliseerd kunnen worden.

Index Informatiebronnen

Index
Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

31 January, 2014
Eerst gepubliceerd: September, 2000