Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

Doelstelling WWW-site PSCW

  1. PSCW op internet: een digitale tijger?

  2. Doelstelling van de facultaire WWW-site

1 PSCW op internet: een digitale tijger?

Sinds een jaar neemt de faculteit een plaats in op het internet. Er is de afgelopen tijd hard gewerkt om deze WWW-site op te bouwen. En het resultaat mag er zijn. Op de PSCW-site staat inmiddels een enorme hoeveelheid informatie die van essentieel belang is voor studenten, medewerkers, staf en bestuurders. De PSCW-site omvat alle onderwijsinformatie uit de studiegids, plaats en openingstijden van facultaire gebouwen, spreekuren van medewerkers, Folia-berichten, aankondigingen van congressen etc. De informatie die officieel van faculteitswege wordt verschaft is in de huisstijl gesteld.

Al deze informatie kan via de eigen computer met behulp van een bladerprogramma (zoals Netscape of Internet Explorer) door iedereen direct worden geraadpleegd. Je kunt de pagina's die op dit informatiesysteem staan lezen, uitprinten of 'downloaden' (binnenhalen en op je eigen harde schijf plaatsen).

Bijna alle informatie die op de PSCW-site staat is op dit moment ook nog gewoon op de ouderwetse manier verkrijgbaar: op papier. Men hoeft geen profeet te zijn om te beweren dat dit in de nabije toekomst zal veranderen. Steeds meer informatie wordt gedigitaliseerd verzameld, geproduceerd, gedistribueerd en geconsumeerd. Hierdoor zal ook voor de faculteit de betekenis van de informatievoorziening via het internet aanzienlijk aan betekenis winnen. De papier-verslindende tijger van weleer zal binnen niet al te lange tijd zijn dominerende plaats moeten afstaan aan een nieuwe koning van het wetenschappelijke informatie- en communicatieoerwoud: de digitale tijger.

We bevinden ons nu in een periode waarin de oude tijger zich steeds moeizamer voortsleept door een woud van dode bomen terwijl de nieuwe tijger lenig en met steeds meer zelfvertrouwen huppelt door een virtueel netwerk van digitale posities en informatiestromen. De oude tijger is moe, maar probeert zijn koninklijke plaats in de wetenschappelijke informatievoorziening krampachtig te handhaven. De nieuwe tijger stroomt over van jeugdig elan, maar heeft nog niet de kracht en de ervaring om zijn voorganger naar de kroon te steken.

Als men deze metafoor niet al te letterlijk neemt - metaforen gaan immers altijd wel ergens mank - dan is hiermee toch een zeer cruciaal probleem aangeroerd waarvoor de facultaire gemeenschap een oplossing moet zoeken: hoe kan de noodzakelijke overgang van het papieren naar het digitale tijdperk zo soepel mogelijk worden gerealiseerd? Wordt daarbij ook nog op min of meer planmatige manier nagedacht over mogelijke overgangsfasen, of storten we ons met open ogen op de avontuurlijk utopie van de virtuele faculteit? Wachten we af totdat anderen voor ons de kolen uit het vuur hebben gesleept (met het grote risico dat wij zelf in de kou blijven zitten) of nemen we zelf gedurfde initiatieven waaraan grote risico's kleven (met het gevaar dat wij mogelijk ons zelf ten gronde richten omdat wij die risico's niet aankunnen? Kortom en praktisch: blijven we geïnteresseerd maar met de armen over elkaar staan om te kijken hoe die uitermate interessante nieuwe informatie- en communicatietechnologieën zich verder ontwikkelen, of nemen we zelf het initiatief om met een grote voortvarendheid, maar zeer geconcentreerd te onderzoeken wat voor ons op de PSCW de mogelijke voordelen zijn van toepassing van die technologieën?

Het probleem waarvoor we staan is complex en de oplossingen die hiervoor worden aangedragen hebben vele en verstrekkende gevolgen voor het hele functioneren van de facultaire gemeenschap. Het meest elementaire en overzichtelijke probleem betreft de technische overschakeling van de papieren naar de digitale produktie en distributie van informatie. Informatie die vroeger op papier werd gezet, vervolgens werd gereproduceerd en onder gebruikers werd verspreid, wordt in de toekomst digitaal geproduceerd en via internet, intranet en email direct voor gebruikers toegankelijk gemaakt. Deze digitalisering van de informatieketen heeft aanzienlijke consequenties voor de gehele inrichting en organisatie van het onderwijs- en onderzoeksbedrijf. Zij verandert de manier waarop we informatie verzamelen, ordenen, produceren, distribueren en consumeren. Zij verandert de manier waarop we onze meningen en onderzoeksresultaten publiceren. Zij verandert de manier waarop we onderwijs geven en onderwijs volgen. Zij verandert de manier waarop we onderwijs en onderzoek organiseren. En zij verandert de manier waarop wij met elkaar communiceren. Kortom: de overgang naar het digitale tijdperk brengt een structurele transformatie van praktisch al onze werkzaamheden met zich mee.

De facultaire WWW-site zal in dit proces een spilfunctie vervullen. Zij zal steeds sterker in het middelpunt komen te staan van alle openbare facultaire activiteiten. Zover is het echter nog niet. De WWW-site van de PSCW is inmiddels zover uitgebouwd dat zij geschikt is om een deel van de papieren informatiestroom van de faculteit naar medewerkers en studenten te vervangen. Bovendien is deze site inmiddels omringd met een toenemend aantal meer of minder experimentele subfacultaire websites die nuttige informatie bieden over speciale instituten, onderzoeksprojecten, studentenaangelegenheden e.d. Het informatiesysteem dat hiervoor op het Sociologisch Instituut werd ontwikkeld, de SocioSite is hiervan een goed voorbeeld, evenals de door studenten ontwikkelde Mercurius site. De interactieve en communicatieve mogelijkheden van een internet-site (of beter: een netwek van facultaire internet-sites) zijn echter nog lang niet volledig benut. Integendeel: de hele weg in de richting van computergemedieerd onderwijs en onderzoek, organisatie en communicatie ligt nog voor ons.

Hoe deze weg bewandeld moet worden weten wij niet. Al is het alleen maar omdat nog niemand precies weet hoe die weg eruit ziet en waartoe deze weg ons zal leiden. Bovendien is het zeer waarschijnlijk dat er niet één koningsweg is die ons naar de digitale wetenschappelijke toekomst zal leiden - het bijna zeker dat er meerdere wegen zijn en dat deze experimenteel (en dus inclusief gecalculeerde risico's) bewandeld moeten worden. Wij weten echter wel de hele omschakeling naar een 'virtuele faculteit' alleen maar kans van slagen heeft wanneer álle gelederen van de facultaire gemeenschap daarin participeren. Dit veranderingsproces is veel te belangrijk om alleen maar aan 'techneuten' of 'bureaucraten' over te laten. Het is in de eerste plaats een zaak van alle studenten en alle medewerkers van de faculteit.

Index 2 Doelstelling van de facultaire WWW-site

Het doel van de WWW-site is het verbeteren van de interne en externe facultaire informatievoorziening, van de publicatiemogelijkheden en van de communicatie. De WWW-site is een nieuw medium dat het mogelijk maakt om drie essentiële functies van de gehele informatie en communicatieketen beter (d.w.z. sneller, flexibeler, nauwkeuriger, goedkoper, efficiënter) te organiseren: bestuurlijk, wetenschappelijk en communicatief. De WWW-site is een:

Index


2.1 Voorlichting

De WWW-site vervult een essentiële functie in het voorlichtingsproces van de faculteit richting studenten en medewerkers. Het conventionele model van facultaire voorlichting verliep in hoofdzaak schriftelijk, via een zeer omvangrijke en permanente stroom van studiegidsen, modulengidsen, reglementen, brochures, rapporten, nota's en brieven. Zij werden (i) opgesteld door (sub)facultaire bestuurders en functionarissen, (ii) uitgeprint, (iii) in meer of minder grote oplagen gedrukt of gekopieerd, en tenslotte (iv) verspreid via PTT, interne post of distributie in postbakjes. Dit conventionele voorlichtingsmodel is relatief traag, inflexibel, kostbaar, verspillend. Bovendien heeft het een relatief klein bereik en draagt het bij aan de overlading met informatie.

  1. Het is traag vanwege de reproduktie- en distributietijd die nodig is om documenten aan te leveren bij diegenen waarvoor zij bedoeld zijn.

  2. Het is inflexibel omdat het niet meer mogelijk is om de reeds verspreide informatie te corrigeren of aan te vullen anders dan door het nogmaals in gang zetten van de hele cyclus van produktie, reproduktie en distributie.

  3. Het is kostbaar, omdat elk document telkens meervoudig gereproduceerd en gedistribueerd moet worden.

  4. Het is verspillend, omdat een vaak niet gering deel van het gereproduceerde materiaal overblijft (het wordt niet gedistribueerd of wordt niet opgehaald) en dat een deel van de gedistribueerde documenten door potentiële gebruikers direct in de dichtstbijzijnde prullebak wordt gedeponeerd.

  5. Het heeft een relatief klein bereik. Het bereik van de conventionele informatievoorziening is per definitie beperkt tot de mensen waaraan de papieren documenten worden verspreid en door de specifieke plaatsen waarop die informatie wordt neergelegd. Vooral voor de externe voorlichting is dit een grote handicap.

  6. Tenslotte draagt het bij aan de informatieziekte. Het overladen worden met informatie is een ziekte van onze tijd. En de technologieën die ons daarbij zouden helpen lijken het alleen maar slechter gemaakt te hebben. Kijk maar eens in de uitpuilende (papieren of electronische) postbussen van de gemiddelde kenniswerker. Het merendeel van de informatie die de kenniswerker ontvangt is 'just in case' hij deze nodig mocht hebben (een ander deel is 'out of phase': men heeft er wel behoefte aan, maar pas veel later). Waarschijnlijk wordt de helft van de 'just in case' informatie opgeslagen ('voor het geval dat'). Wanneer je echt informatie nodig hebt krijg je te maken met een informatiesysteem dat een zeer groot volume heeft, maar een lage gevoeligheid voor persoonlijke informatie. De opkomst van kopieermachines heeft de overlading met 'just-in-case' informatie alleen maar versterkt. En de email heeft heeft hier nog een aanzienlijke schep aan toegevoegd: de 'uitgever' van informatie kan met één commando een bijna onbeperkt aantal kopieën versturen 'just-in-case' deze nodig mocht zijn.

Het digitale model van facultaire voorlichting verloopt computergemedieerd. (Sub)facultaire informatie wordt direct toegankelijk gemaakt door het op de WWW-site te plaatsen of door het meer gericht via email te verspreiden. De voordelen ten opzichte van het conventionele model (het model van de 'papieren tijger') liggen voor de hand.

De facultaire WWW-site voorziet dus in een snelle, flexibele, goedkope en efficiënte faculteitsinterne informatie naar studenten en medewerkers. Zij voorziet tevens in de externe informatievoorziening naar potentiële studenten, andere faculteiten en universiteiten, belangenorganisaties en overheden. De WWW-site van de faculteit is tevens een belangrijk extern communicatiemiddel: het is het visitekaartje van de PSCW op het internet. Zij laat zien dat we er zijn, wie we zijn en wat we doen.

Index


2.2 Publicatie

De WWW-site vervult een belangrijke functie in het publicatieproces van facultaire medewerkers en studenten. Ook het conventionele model van facultaire publicatie verliep tot nu toe op papier. De medewekers stelden hun onderzoeksresultaten op schrift, gingen op zoek naar een externe of interne uitgever die bereid was hun produkt te publiceren, waarna hun collega's tegen een meestal niet geringe vergoeding in de gelegenheid werden gesteld om kennis te nemen van hun nieuwe vondsten. De teksten voor onderwijsdoeleinden legden meestal eenzelfde weg af. Men zocht een uitgever voor een reader of inleidingsboek en na een meestal lange weg van onderhandelen, redigeren, proefdrukken lezen, drukken en distribueren werden de studenten voorgeschreven om deze teksten bij een boekhandel te bestellen (kassa voor uitgever, boekhandel en soms ook de auteur; en toenemende aanslag op de toch al niet rooskleurige portemonnee van de studenten). Daarnaast is binnen de factulteit een heel eigensoortig circuit van syllabi en readers ontstaan. Medewerkers produceren elk trimester opnieuw vele bundels met teksten die zij in hun module willen gebruiken. Telkens weer opnieuw samenstellen en laten vermenigvuldigen, vervolgens via de bekende distributiepunten op het instituut laten verspreiden. Als het proces van ontbossing omkeerbaar was dan zou men van de niet-gebruikte restanten van deze syllabi een heel nieuw bos kunnen laten aanleggen. Ook de studenten zelf dragen op hun manier bij aan de 'uitgebreide reproduktie' van papiermassa's. Zij schrijven hun werkstukken, verslagen en scriptie en vermenigvuldigen deze op grotere of kleinere schaal voor hun medestudenten of docenten.

In het digitale publicatiemodel kunnen een aantal schakels worden overgeslagen. Medewerkers kunnen hun ondezoeksresultaten direct op de daarvoor bestemde plek op het internet plaatsen. Zij kunnen dit zelfstandig doen en hebben daarvoor in principe geen uitgevers en boekhandels meer nodig. Collegiale controle ('peer review') op de kwaliteit van de gepubliceerde teksten was altijd al een zaak van wetenschappers zelf (ook al deden zij dit al dan niet betaald voor een commerciële uitgeverij). Voor veel elektronische tijdschriften die nu op het internet beschikbaar zijn is dit niet veranderd. Medewerkers die door de universiteit worden betaald om wetenschappelijk onderzoek te doen en te publiceren worden hierdoor in principe verlost van de dwang om hun publicaties via commerciële uitgeverijen en boekhandels te verspreiden. Wie wil beweren dat het de taak is van universitaire wetenschappers om commerciële uitgeverijen en boekhandels te spekken?

De voordelen voor de producenten van wetenschappelijke teksten liggen voor de hand: het wordt gemakkelijker om eigen teksten te publiceren, de tijdsafstand tussen produktie van een tekst en publicatie wordt aanzienlijk verkort, de reactiesnelheid voor kritieken en commentaren wordt aanzienlijk groter zodat het wetenschappelijk debat verlevendigd, en de aanschafkosten van wetenschappelijke publicaties worden drastisch verlaagd.[2] Dit laatste is uiteraard ook een direct voordeel voor de gebruikers van deze teksten. Zowel voor collega's als studenten kunnen aanzienlijke besparingen worden gerealiseerd in de aanschaf van literatuur.

Ook studenten kunnen in de toekomst hun werkstukken en scripties via het internet toegankelijk maken voor medestudenten en docenten. En ook hier ligt naast de kostenbesparing een belangrijk voordeel in de vergroting van de publicatie- en reactiesnelheid en de mogelijkheid om de onderlinge discussie te verlevendigen.

Index


2.3 Communicatie

De WWW-site kan een sleutelrol vervullen in het interne en externe communicatieproces van en tussen studenten, medewerkers en bestuurders. In het conventionele communicatiemodel verloopt de communicatie via een aantal schakels waarvan de sommige fysieke aanwezigheid van de communicanten vereist (persoonlijke gesprekken, vergaderen, colleges, lezingen of werkgroepen bijwonen) terwijl andere 'op afstand' plaatsvinden (brieven schrijven, telefoneren). Al deze communicatievormen hebben hun specifieke voor- en nadelen. Het belangrijkste nadeel van de eerste categorie is dat zij de fysieke aanwezigheid en ruimtelijke nabijheid vereisen van de betreffende deelnemers (de 'co-presentie conditie'). Om directe communicatie mogelijk te maken moet altijd afstand worden overwonnen: mensen moeten zich verplaatsen om bijeen te komen. Directe persoonlijke communicatie vereist dat men fysiek zo dicht bij elkaar staat/zit dat men gehoord kan worden, de ander kan horen, elkaar kan zien. Het voordeel van brieven schrijven is de boodschapper zich niet hoeft te verplaatsen maar dat de boodschap zelf op reis gaat. Het grote nadeel daarvan is dat de papieren boodschap zich traag verplaatst (per auto, trein of vliegtuig) en dat er dus een groot tijdsverschil ontstaat tussen het verzenden en het ontvangen van een bericht. Bij telefoneren wordt dit tijdsverschil weliswaar elektronisch overbrugd, maar men kan elkaar nog steeds niet zien: de voor communicatie essentiële combinatie van stem en gelaatsuitdrukking wordt met de conventionele telefoon verbroken.

In het digitale communicatiemodel resulteert in een hele serie nieuwe communicatievormen die één ding gemeenschappelijk hebben: de tijd-ruimtelijke barrières die overwonnen moeten worden als mensen met elkaar willen communiceren worden aanzienlijk verkleind.

Interacties en communicaties die vroeger face-to-face verliepen zullen steeds meer door computers worden gemedieerd. Sociale interactie en communicatie kunnen digitaal worden gerepliceerd. Dat is mogelijk omdat we met de huidige computer- en telecomtechnieken in staat zijn om zowel tekst, geluid als beeld op een geïntegreerde wijze digitaal te dupliceren: van email en FTP via Internet en Intranet tot videofoon en videoconferentie.

Voor directe sociale interactie en communicatie zijn twee elementen van essentieel belang: stem en gelaatsuitdrukking Door gedigitaliseerde hereniging van gezicht met stem wordt fysieke nabijheid zo goed als werkelijk ('virtueel'). Hierdoor zullen de grenzen tussen face-face en computergemedieerde interacties steeds meer vervagen.

Hierdoor zijn de kansen voor kwalitatief hoogwaardig afstandsonderwijs aanzienlijk toegenomen. De voor onderwijs zo essentiële wederzijdse communicatie tussen docenten en studenten en tussen studenten onderling, is niet meer noodzakelijk gebonden aan de voorwaarden van gelijktijdige aanwezigheid in één fysieke ruimte. Het tijdperk waarin het volgen van onderwijs identiek was aan het fysieke bezoek van collegezalen en werkgroepruimtes loopt ten einde. Het geven van onderwijs (doceren) en het uitwisselen van meningen (discussiëren) kunnen tegenwoordig ook worden gerealiseerd via videoconferentie-technieken waarbij de fysieke onderlinge afstand tussen docenten en studenten en tussen studenten onderling geen rol van betekenis meer speelt.

De praktische realisatievoorwaarden voor afstandonderwijs en voor een werkelijk virtuele faculteit zijn op dit moment nog niet aanwezig. Ten eerste ontbreekt het op de faculteit zelf nog aan de noodzakelijke technische voorzieningen voor videofone bijeenkomsten. Ten tweede veronderstelt dit uiteraard dat ook bij de studenten (thuis, of in hun directe woonomgeving) de noodzakelijke technische faciliteiten aanwezig zijn.

Dat betekent niet dat wij wat dit betreft de armen over elkaar kunnen slaan in afwachting van 'betere tijden'. Integendeel. Wij zijn van mening dat er op korte termijn bij de faculteit experimentele ruimtes ingericht zouden moeten worden (voorzien van geavanceerde acces-faciliteiten) waarin docenten en studenten zich vertrouwd kunnen maken met de nu reeds bestaande videofone faciliteiten. Ons inziens bestaat hiervoor een grote belangstelling. Wij dienen zo snel mogelijk aansluiting te vinden bij experimenten met virtuele universiteiten die elders op deze planeet al enige tijd aan de gang zijn.

De eerder genoemde andere mogelijkheden voor computergemedieerde communicatie liggen veel direct binnen ons bereik. Via de email-voorziening kunnen bijvoorbeeld tentamen-uitslagen veel sneller en goedkoper worden verspreid dan nu het geval is. Hetzelfde geldt voor de inschrijving van studenten op onderwijsmodulen. Een deel van de communicatie tussen docenten en studenten en tussen studenten onderling kan nu al met geringe inzet van middelen en technische know-how via elektronische discussiegroepen worden gerealiseerd. En de onderlinge communicatie tussen instituuts- en sectieleden kan aanzienlijk worden verbeterd via email en elektronische nieuwsbrieven. Omdat deze faciliteiten relatief eenvoudig geïmplementeerd kunnen worden - via email en via het reeds bestaande internetvoorzieningen - vereist dit nauwelijks nieuwe investeringen. De faculteit zou zich hiervoor kunnen inzetten door bijvoorbeeld een ondersteuningsgroep op te bouwen - met expertise van multimedia - die docenten en studenten stimuleert en helpt bij de opzet van genoemde communicatievoorzieningen.

De digitalisering van de communicatie brengt ook voor het wetenschappelijk onderzoek veel nieuwe mogelijkheden en veranderingen met zich mee. Onderzoekers zullen in de toekomst veel meer op nationale en internationale schaal via het internet kunnen samenwerken in projecten. Het wordt veel gemakkelijker en goedkoper om over de landsgrenzen heen te coöpereren: onderzoeksplannen, tussenresultaten en eindrapportages kunnen via het internet worden uitgewisseld, becommentarieerd, gecorrigeerd en besproken. Door gebruikmaking van moderne teleconferentie technologieën kunnen seminars en conferenties waarin onderzoek gepresenteerd en besproken wordt een veel groter bereik krijgen.[3] Steeds meer sociaal-wetenschappelijk onderzoek vindt zijn weg naar het internet lang voordat het op papier gezet wordt. Bovendien krijgt men via het internet direct toegang tot een steeds grotere verscheidenheid van databases die van essentieel belang zijn voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Greep krijgen op het internet - op haar communicatiemogelijkheden en haar informatiebronnen - is een urgente taak geworden voor alle sociale wetenschappers.

De overgang van het papieren naar het digitale tijdperk vereist niet alleen een nieuwe infrastructuur van informatie en communicatie. Het vereist ook en vooral een cultuur en attitudeverandering. Als makers van informatie moeten wij onszelf leren om resultaten te publiceren zonder ze te distribueren. Als gebruikers moeten we onszelf leren meer verantwoordelijkheid te nemen voor het bepalen van onze veranderende informatiebehoeften, en we moeten leren om actief en efficiënt informatie te verwerven wanneer we daaraan behoefte hebben. Wanneer informatie snel, goedkoop en efficiënt gevonden kan worden wanneer daaraan behoefte is, en wanneer levendige communicatie op afstand daadwerkelijk een alledaagse gebeurtenis wordt, dan verandert dit niet alleen ons hele opleidingsmodel en onze manier van onderzoeken, maar ook de hele organisatiewijze van de faculteit. De virtuele faculteit der Politieke en Sociaal-culturele Wetenschappen ligt zeker niet om de hoek op ons te wachten. Het is aan ons om initiatieven te nemen die zo'n virtuele faculteit binnen bereik brengen.

Index Noten

[1] De traditionele technologieën van informatietransfer waren georiënteerd op overdracht van afgeronde pakketten informatie (zoals een studiegids). Wanneer daarvan een deel veranderde werd het vaak niet direct geactualiseerd. In de loop der tijd veroudert het hele pakket omdat steeds meer onderdelen achterhaald zijn en er geen nieuw materiaal in wordt opgenomen. Uiteindelijk moet het hele informatiepakket weer opnieuw worden samengesteld, vermenigvuldigd en gedistribueerd. De organisatie moest telkens opnieuw investeren om met enige regelmaat de hele keten van informatievoorziening opnieuw te doorlopen. Omdat bij digitale informatievoorziening de publicatie en distributie van informatie gescheiden zijn, is het mogelijk op elk willekeurig moment elk onderdeel van de informatie te wijzigen of aan te vullen. Het corrigeren en aanvullen van informatie is daarom kostenefficiënter. Bovendien neemt hierdoor de kwaliteit en actualiteit van de informatie toe.

[2] Wie wil zien hoe elektronische tijdschriften kunnen werken raden wij aan om een bezoek te brengen aan het Electronic Journal of Sociology (EJS) . Het is een gratis tijdschrift waarvan men alle artikelen integraal kan lezen, downloaden of printen. Het is een model voor een nieuw publicatieparadigma waarbij de wetenschappers zelf controle houden over alle aspecten van het wetenschappelijke communicatieproces. Een ander voorbeeld is het internationale tijdschrift voor toegepaste sociologie, Sociological Research Online (SRO) van de Britse Sociologische Associatie. Zij innoveerde de elektronische tijdschriftpublicatie met thematische aanpak waarbij aan elk thema een discussieforum is verbonden. De thema's zijn samengesteld uit artikelen, besprekingen en onderzoeksbronnen die in eerdere afleveringen werden gepubliceerd.

[3] Dit betekent uiteraard niet dat tekst-georiënteerde of video-ondersteunende informatie en communicatietechnologie 'the compulsion of proximity' te niet zullen doen. Het valt eerder te verwachten dat de behoefte aan lijfelijk samenzijn zal toenemen.

Index


Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

13 September, 2013
Eerst gepubliceerd: November, 1997