Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

Sociaal-psychologie van het internet

—Verleidingen, dwangmatig internetgebruik en webverslaving—

dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam

Voer voor psychologen
Verleidingen van het internet
Verslaafd aan het Web
      Wat is internetverslaving?
      Verslavingsonderzoek
      Wie raakt verslaafd?
      Mogelijke therapieën
      Conclusies en taken
Een nieuwe derde plaats?

      Informatiebronnen

Index Gokken op internet
Index Regulatie en zelfregulatie van internet
Index Regulatie van CyberPorno                          

Deze tekst is een uitwerking van twee lezingen voor de Landelijke Sociologen Dag (LSD), op dinsdag 9 juni 1998 in Utrecht. Het thema van de conferentie was Individualisering of Nieuwe Bindmiddelen. De eerste lezing concentreerde zich op de eigenaardige verleidingen van het internet. In de tweede lezing werd uitvoeriger ingegaan op het verschijnsel van internetverslaving en de relatie tussen individualisering en virtuele socialisatie.

Voer voor psychologen

Het internet is voer voor psychiaters en psychologen. Kille beeldschermen en daarachter miljoenen mensen die hun gedachten en gevoelens, kennis en informatie intypen. Met hun lichamen zitten zij bijna bewegingsloos op hun stoel vastgeplakt. Men kan zich moeilijk voorstellen dat mensen dit aantrekkelijk vinden. En toch is dit het geval - mensen zijn gefascineerd door het internet en zij laten zich hierdoor verleiden om urenlang achter hun beeldscherm en toetsenbord te zitten. De teksten die via elektronische netwerken met duizelingwekkende snelheid over de hele wereld worden verstuurd, vertalen zich op de een of andere manier in emotionele verbindingen, in lange-afstandsrelaties en opwindende avonturen. Hoe is dat mogelijk?

In de communicatie die via het internet tot stand komt blijven de meeste zintuigen in eerste instantie onbenut. Meestal kijken we alleen maar naar de teksten op ons beeldscherm. Soms horen we iets, maar in cyberspace worden we niet aangeraakt, we voelen en ruiken niets. Op de een of andere manier vult het voorstellingsvermogen in wat onze zintuigen niet ervaren. In de virtuele wereld van het internet lijken mensen sneller verliefd te worden en zijn zij eerder geneigd om elkaar aan te vallen dan in het lokale sociale leven. Waarschijnlijk omdat mensen zich niet geremd voelen door mogelijke lokale repercussies.

De sociale ruimte waarin mensen elkaar via het internet ontmoeten is een spookachtige 'mind-to-mind' figuratie. Hoever we ook in deze cyberruimte reizen, hoezeer we ook onderdompelen in allerlei communicaties en interacties, onze lichamen blijven thuis. Het medium is vooralsnog vooral het geschreven woord.

Het internet lijkt een medium dat in potentie alle andere media overbodig maakt: de brief, de telefoon, de fax, de krant, de radio en de televisie. Alle signalen die via deze media worden overgedragen kunnen ook via het internet worden doorgegeven. Alle synchrone en asynchrone communicatievormen kunnen digitaal worden gedupliceerd. Maar internet voegt daaraan nieuwe communicatievormen toe. Zenders en ontvangers kunnen via het internet op elk gewenste manier met elkaar interacteren. Zij doen dat via:

Het meest opvallende en eigenaardige van het internet is dat de zenderkansen van dit medium aanzienlijk groter zijn dan die van de traditionele massamedia. De ontvangers van massamedia waren gedoemd om het gebodene te accepteren of daarvan volledig af te zien. De 'interactie' was beperkt tot binaire een selectie op een afstandsbediening: "52 channels and nothing to see" (Bruce Springsteen). Op het internet zijn de zenderkansen zo sterk uitgebreid, dat grootschalig gebruik kan worden gemaakt van het omvangrijke interactieve potentieel van dit supermedium.

De sociale interactie, het samenleven van mensen is door de verspreiding van diverse media op diepgaande wijze veranderd. Door de opkomst van een nieuw medium werd de positie van sociale elites aan het wankelen gebracht en ontstonden er nieuwe leidinggevende groeperingen. Daarom is het niet verwonderlijk dat de technologische verandering in de sfeer van de media telkens gepaard gingen met heftige controverses over het nut respectievelijk de schadelijke gevolgen van die nieuwe media. Het verzet tegen het nieuwe manifesteert zich altijd het scherpst wanneer nog onduidelijk is of de voordelen van een innovatie zo groot zijn dat zij de eveneens te verwachten sociale, materiële of ideële verliezen kunnen compenseren. Dit was het geval bij de uitvinding van de boekdrukkunst, de radio of de televisie, maar geldt in het bijzonder ook voor de opkomst van de informatie- en communicatietechnologieën in de 'informatiemaatschappij'.

De gevestigde elites maken zich zorgen om het 'anarchische' karakter van het internet. Zij voelen intuïtief aan dat hun machtspositie en privileges wel eens ter discussie gesteld zouden kunnen worden wanneer zeer veel mensen opeens de kans krijgen om met allerlei andere mensen van gedachten te wisselen en om zich over alles en nog wat te informeren. Zij maken zich zorgen over misbruik van gegevens, over verspreiding van criminele activiteiten, pornografie, extreme politieke opvattingen over het internet. En zij weten ook niet goed hoe zij moeten omgaan met de nieuwe, flexibele arbeidsvormen (zoals telewerk) die door de electronische netwerken worden mogelijk gemaakt.

Stees meer sociologen, sociaal-psychologen en psychiaters maken zich over iets anders zorgen. Zij wijzen op het gevaar dat schuilt in het anonieme karakter van sociale contacten die via het internet gelegd worden, waardoor de sociale controle op onverantwoordelijk gedrag buiten werking gesteld dreigt te worden. In het sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar internet-interacties staan drie thema's centraal.

Dit zijn geen vragen waaraan men lichtzinnig mag voorbijgaan. De communicatieve en interactieve mogelijkheden van het internet zijn legio. We kunnen met mensen praten die we anders nooit zouden ontmoeten: internet stelt ons in staat om met elkaar communiceren en direct op elkaar reageren alsof het echte ontmoetingen van mens tot mens betreft. Internetgebruikers ervaren de sociale aanwezigheid van anderen waarmee zij communiceren. Op het internet worden geen 'directe' sociale relaties aangegaan maar hypersociale relaties of zo men wil telerelaties. Het 'kleine verschil' tussen directe en computergemedieerde sociale relaties zou wel eens grote gevolgen kunnen hebben. Telerelaties zijn en blijven gereduceerde versies van het leven in lokale conteksten.

Het zijn die 'kleine details' die ontbreken. Sociale interacties in cyberspace zijn vol misverstanden en zijn vaak veel korter ('vluchtiger') dan die in het lokale sociale leven. De uitwisselingen zijn kort en het besef van 'de ware aard', het karakter van de ander is illusoir. Zelfs in de meest hechte groepen zijn de verstuurde berichten slechts een kleine fractie van de persoon die deze intimiteit beschrijft en interpersoonlijke verbinding ontstaat alleen wanneer iemand hiervoor unilateraal kiest. Achter alle berichten die men leest staat een leven, gevuld met huizen en auto's, geliefden en kinderen, banen en collega's, waarvan men zich bijna volledig onbewust is.

Toekomstige generaties zullen opgroeien in alternatieve omgevingen waar anderssoortige regels gelden. We zullen op den duur allemaal moeten wennen aan een type sociaal leven waarin onze lokale interacties vermengd zijn met globale, computergemedieerde interacties. De informationele revolutie dendert voort - de kunst is om daar niet door overreden te worden.

Index Wat maakt het internet zo aantrekkelijk?

Het meest stimulerende en verleidelijke van het internet is de sociale kant van virtuele communicatie, dat wil zeggen de interpersoonlijke contacten met anderen. Mensen over de hele wereld gebruiken het internet om met elkaar in contact te komen, met elkaar te praten en ervaringen uit te wisselen. Daarom vinden sommige mensen het moeilijk om de knop van hun computer om te zetten.

Veel internetters hebben nog geen webcam (of andere instrumenten) om de non-verbale reacties van anderen op de eigen communicatie waar te nemen. Daarom worden een aantal —onbewuste— verwachtingen over communicatieprotocollen ter discussie gesteld [Huang 1996].

De vraag is waarom tekstueel gemedieerde interpersoonlijke relaties bij sommige mensen pathologische gevolgen heeft. Om daarop een antwoord te vinden moeten we eerst het gepassioneerde karakter van virtuele relaties verklaren. Daarbij spelen vooral de volgende drie factoren een rol.

  1. Als computer-gemedieerde systemen één ding gemeen hebben in hun effect op menselijk gedrag dan is het dat mensen die hiervan gebruik maken zich minder geremd voelen [Reid 1994]. Virtule interacties hebben een ontremmend effect. Kenmerkend voor online sociale interacties is dat deze meestal geen directe repercussies hebben op het lokale sociale leven. Dit produceert een nieuw en slecht begrepen psychologisch fenomeen: mensen voelen zich op internet vrij om zich op een ongeremde manier te uiten.

  2. In virtuele sociale conteksten worden anderen beoordeeld zonder de normale zintuiglijke signalen. In tekstuele virtuele communicatie worstelen mensen met de afwezigheid of verschraling van signalen die in face-to-face interacties meestal wel aanwezig zijn. Dit kan leiden tot vertekende, emotioneel geladen projecties [King 1995] of ‘overattributies’ [Walther 1996, 1997] die gecommuniceerd worden zonder de normale beperkingen die opgelegd worden door de behoefte om sociale orde te handhaven. Dit is het opwindende, stimulerende en verleidelijke aspect van internet communicaties. Maar het zijn ook eigenschappen die bijdragen aan het ontstaan van internetverslaving.

  3. In een virtuele gemeenschap is het zeer gemakkelijk om nieuwe mensen te ontmoeten. Dat komt omdat hyper-sociale relaties een laag risico hebben. Een onbekende aanspreken op straat kan problematisch zijn en draagt altijd een zeker risico in zich. In virtuele gemeenschappen wordt de sociale normen omgekeerd: in cyberspace wordt praten met vreemden niet alleen aangemoedigd, het wordt ook beloond en bekrachtigd. On-line conversaties zijn meestal uiterst informeel en men hoeft zich niet in te spannen om een conversatie met een of meerdere mensen opgang te houden. De relaties bestaan meestal uit talrijke, vaak korte uitwisselingen. Zij kunnen worden vergeleken met de contacten die forenzen aanknopen wanneer zij met de bus of een veerpont van en naar hun werk reizen. Zij zien elkaar zeer regelmatig, maar elke ontmoeting is van relatief korte duur. In dergelijke situaties is de sociale druk minimaal. Wie in plaats van een praatje te maken liever een krant leest, kan rustig zijn gang gaan. In de loop der tijd vormen zich echter op deze manier toch duurzame relaties. Net als in andere sociale situaties gaat het in virtuele relaties maar om een ding: menselijke aandacht.

Internetcommunicatie vergroot het spectrum van mogelijke sociale netwerken waar iemand onderdeel van kan zijn. Het voegt elementen van diversiteit toe die voor velen erg aantrekkelijk zijn [Wellman 1996].

Sociaal-psychologisch gezien is communicatie via internet dus vooral aantrekkelijk omdat het een potentieel voor stimulerende emotionele betrokkenheid biedt:
  1. het is gemakkelijk toegankelijk en is 24 uur per dag beschikbaar
  2. het biedt een breed scala van mogelijkheden voor uiteenlopende persoonlijke contacten
  3. de relaties tussen de deelnemers zijn hyperpersoonlijk
  4. de interacties van anderen kunnen zonder risico's worden geobserveerd
  5. het ongeremde karakter van risicoloze relaties.
Voor veel mensen zijn een of meer van deze factoren voldoende verleidelijk om zich gepassioneerd op het internet te storten. Dat is als zodanig geen probleem, tenzij men deze passie niet meer in de hand kan houden en de grens van dwangmatig internetten overschrijdt.

Index Verslaafd aan het web

Wat is internetverslaving?

Sommige gebruikers van het internet besteden daaraan zoveel tijd dat hun persoonlijke en/of beroepsleven daaronder lijdt. Gebroken huwelijken en relaties, verlies van baan, zitten blijven op school, vergeten om te eten, het zijn slechts enkele gevolgen van de verslaving aan het internet.

Ondernemers beginnen te beseffen dat zij het risico lopen dat de produktiviteit naar beneden gaat als hun werknemers verslingerd raken aan de virtuele sociale interacties. Sociaal-psychologen en psychiaters maken zich zorgen omdat zij steeds meer verschrikkelijke verhalen te horen krijgen over mensen die hun banen verloren hebben, over studenten die niets meer presteren en over mensen die eindigen met grote schulden aan providers, telefoonmaatschappijen of virtuele casino’s. Vanuit verschillende kanten wordt aangedrongen op verklaringen van dit nieuwe verslavingsfenomeen.

We hebben gezien wat de verleidingen van de communicatie via het internet zijn en waarom mensen zo sterk emotioneel betrokken zijn in virtuele netwerken. De factoren die bepalend zijn voor de aantrekkingskracht van internetcommunicatie en -interactie zijn weliswaar noodzakelijk, maar niet voldoende om een verklaring te geven van pathologisch internetgebruik.

Voor de meeste mensen is communicatie via het internet een part-time passie, maar bij sommigen loopt het uit op een full-time obsessie. Om dwangmatig internetgebruik te verklaren, moeten we kijken naar een aantal additionele kenmerken van de gebruikers zelf. Een tijdelijke passie voor het internet is zeer begrijpelijk omdat er door deelname aan virtuele gemeenschappen geografische grenzen worden opgelost. Hierdoor wordt het mogelijk om ideeën uit te wisselen met veel meer mensen met gemeenschappelijke interesses. Verslaving begint pas wanneer de initiële opwinding die men ondergaat wordt gecontinueerd ten koste van andere sociale verplichtingen en verantwoordelijkheden.

Een passie voegt waarde toe aan iemands leven, een verslaving neemt deze waarde weg. Wanneer de lijn tussen deze twee wordt overschreden, weet de verslaafde dit meestal als laatste. Het slachtoffer ontkent zijn eigen verslaving. De vrienden en familieleden van een verslaafde zien als eerste dat deze minder actief wordt in het lokale sociale leven.

Er zijn verschillende termen in omloop voor pathologisch, dwangmatig internetgebruik: 'Internet Addiction Disorder' (IAD), 'Pathological Computer Use' (PCU), 'internetmania', 'webaholic' of 'netaholic'. De meest gebruikelijke term voor deze ziekte is "internet Addiction Disorder" (IAD) die werd geïntroduceerd door Ivan Goldberg [1996]. De criteria voor deze ziekte zijn:
  • Behoefte om steeds meer tijd op het internet door te brengen om bevrediging te bereiken.
  • Ontwenningsverschijnselen wanneer men niet online is, inclusief angst, geobsedeerd zijn door wat er op het internet gebeurt, fantasieën of dromen over het internet en vrijwillige of onvrijwillige typebewegingen van de vingers.
  • Vaker en langer op het internet rondhangen dan de bedoeling was.
  • Voortdurend verlangen naar het reduceren of controleren van internetgebruik of onsuccesvolle pogingen in die richting.
  • Verwaarlozen of reduceren van belangrijke sociale, beroepsmatige of recreatieve activiteiten vanwege het internet.
Wanneer een van deze kenmerken op jou van toepassing is, kun je intekenen op de internet Addiction Support Group van Dr. Goldberg.

Je kunt dit doen door een email te sturen naar listserv@netcom.com. Je laat het "Subject" leeg en schrijf "Subscribe i-a-s-g" in de message box.

Via deze nieuwsgroep krijg je meer achtergrondinformatie over internetverslaving.

Deze elementen zijn gebaseerd op vergelijkbare criteria voor de beoordeling van aandoeningen die voortvloeien uit misbruik van fysieke stoffen. Goldberg heeft de suggestie gedaan om de term voor deze conditie te veranderen in Pathological Computer Use (PCU) en vergelijkt deze met 'workaholism' en 'pathologisch gokken'. Er bestaat overigens nog geen officiële of psychiatrische diagnose van een internet- of computerverslaving. In de meest recente vierde editie van de "Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders" (DSM-IV) - waarin de standaarden staan voor het klassificeren van mentale ziektes - is een dergelijke categorie nog niet opgenomen.

De term IAD zal hier gebruikt worden als aanduiding voor pathologisch computergebruik in sociale interacties. De term PCU wordt gereserveerd voor de bredere categorie van mensen die pathologisch zijn over elk aspect van computers, inclusief gebruiksvormen die niet van sociale aard zijn. internetverslaafen ('netaholics') zijn niet verslaafd aan computers, zij zijn verslaafd aan computergemedieerde communicatie.

Je bent een webaholic ....
  • wanneer je niet meer weet hoe het gaat met je vrienden die geen e-mail hebben.
  • wanneer je elke zin begint met 'http://www' en je 'com' schrijft achter elke punt.
  • wanneer je je kinderen Mozilla, Eudora en Java noemt.
  • wanneer je gaat downloaden in plaats van naar de wc.
  • wanneer je gaat uploaden in plaats van te eten.
  • wanneer je steeds mailiger wordt.
  • wanneer je naar de "back" knop zoekt zodra je weer iets stoms gezegd of gedaan hebt.
  • wanneer je zelfs je nachtmerries in HTML zijn.
  • wanneer je je favorieten alleen nog maar kunt indelen.
  • wanneer je de homepage van je vriendin kust.
  • wanneer het laatste meisje dat je versierd hebt alleen maar een JPEG was.
  • wanneer het een half uur duurt voordat je van het begin van je bookmarks naar het einde bent gescrolled.
  • wanneer je met Pasen eieren zoekt via een Search Engine [Emiel Zaandam].
  • wanneer je de buurvrouw voor het eerst via ICQ leert kennen [Viktor Grgic, Soesterberg].
  • wanneer je enige date een update is [J. Berkemeijer]
  • wanneer je in je eigen WEB verstrikt raakt [J. Berkemeijer]
  • wanneer je hondenbelasting gaat betalen omdat je voortdurend online bent [J. Berkemeijer]
  • wanneer je tijdens de seks zegt: "www.ik denk dat ik klaar.com" [Lein Sturm]
  • VOEG HIER JE EIGEN IDEE TOE.
Psychologen voeren geleerde discussies over de vraag hoe het fenomeen van de Webverslaving gedefinieerd moet worden. Er zijn ook minder zwaarwichtige pogingen om internetverslaving te definiëren. Een zeer lichtvoetige poging in deze richting kwam van het "World Headquarters of Netaholics Anonymous". Hoewel de site ('The Internet Graveyard') al na drie jaar werd opgeheven, ontstond daar toch een lijst van opmerkelijke indicaties voor internetverslaving. Een deel van de diagnostische criteria die hierboven zijn genoemd, zijn ontleend aan deze humoristische verzameling. Maar in elke grap steekt een kern van waarheid.
Luister in geval van twijfel naar deze waarschuwing:

Index


Verslavingsonderzoek

Onderzoekers hebben zich tot nu toe vooral gericht op de definitie van de constellatie van symptomen die een computer- of internetverslaving constitueren. Het eerste onderzoek naar de psychologische effecten van het gebruik van internet werd uitgevoerd door Viktor Brenner, een Ph. D. kandidaat in de klinische psychologie aan de State University van New York Buffelo. Hij zette een vragenlijst op het Web waarin mensen werd gevraagd over hun gebruik van het internet. In januari en februari 1996 bezochten 408 mensen uit 25 landen zijn site en vulden 185 geldige vragenlijsten in. Daarvan was 69% man en de gemiddelde leeftijd was 32 jaar. Zij spendeerden gemiddeld 21 uur per week online. De belangrijkste bevindingen waren:

De uitkomsten van dit onderzoek moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd omdat het een zelf-selecterende enquête is. Omdat het een online enquête is, is het niet verrassend dat personen die het internet het meest gebruiken zijn overgerepresenteerd. Hoewel het onderzoek het bestaan van internetverslaving niet bevestigt, biedt het wel inzicht in de psychologische effecten van internetgebruik.

Kimberly Young is een vooraanstaand onderzoeker van IAD. In een grootschalige onderzoek van dit probleem gebruikt hij de volgende criteria voor beoordeling van IAD.

  1. Ben je in beslag genomen door het internet en denk je daaraan ook als je off line bent?
  2. Heb je behoefte om meer en meer tijd on-line te besteden om je tevreden te voelen?
  3. Heb je bij herhaling als een mislukte pogingen gedaan om je internetgebruik te controleren, te reduceren of te stoppen?
  4. Wordt je onrustig, depressief of geïrriteerd wanneer geprobeerd wordt om je internetgebruik te beperken of te stoppen?
  5. Blijf je langer on-line dan je je aanvankelijk had voorgenomen?
  6. Heb je het verlies van belangrijke relaties, je baan, onderwijs- of carrièrekansen geriskeerd vanwege het internet?
  7. Heb je gelogen tegen familieleden, therapeuten of anderen om te verbergen hoe vaak en hoe lang je met het internet bezig bent?
  8. Gebruik je het internet om problemen te ontvluchten of gevoelens van hulpeloosheid, schuld, angst of depressie te verzachten?
Honderden respondenten rapporteerden zelf dat zij aan 4 of meer van de criteria voldeden, en werden dus gediagnostiseerd met IAD. Veel van deze respondenten vertoonden een "centralisatie van internetgebruik ten koste van andere activiteiten" en "geven prioriteit aan het onderhouden van elektronische relaties". Young schat dat het aantal internetverslaafden vergelijkbaar is met het aantal pathologische gokkers: tussen 1 tot 5 procent van alle internetgebruikers. Als belangrijkste factoren van internet interconnectiviteit die waarschijnlijk bijdragen aan het potentieel voor IAD noemt zij: De nieuwe virtuele relaties zijn opwindend en vol van projecties. In vergelijking daarmee lijken de sociale relaties in het lokale leven maar saai [Young 1996].

Het Instituut voor Verslavingsonderzoek [IVO] publiceerde in oktober 2003 haar onderzoek naar internetverslaving in Nederland. Daaruit blijkt dat zo'n 9% van de mensen die meer dan 16 uur per week internetten gerekend kan worden tot de problematische internetters. Op de totale internetpopulatie zijn dat 66.000 mensen. Bij ongeveer 1% van alle internetgebruikers neemt het internet zo'n belangrijke plaats in, dat het een negatieve invloed heeft op andere belangrijke sociale en professionele activiteiten. Vooral personen die internet gebruiken als middel om met hun persoonlijke problemen om te gaan, zijn vatbaar voor het ontwikkelen van problematisch internetgebruik. Opvallend is dat een aanzienlijk deel (12%) van de 'heavy users' zelf meent aan het internet verslaafd te zijn. Maar dit gevoel verslaafd te zijn gaat niet altijd gepaard met het idee dat men problemen ervaart door het internetgebruik.

Uit dit onderzoek blijkt echter ook dat mensen die in problemen komen door hun obsessieve internetgebruik niet gemakkelijk terecht kunnen bij een hulpverleningsinstelling. Hulpverleners zijn vaak niet in staat om hulp te bieden omdat specifieke kennis en hulpverleningsmethoden ontbreken, en omdat behandelingen van dwangmatige internetgebruikers niet door ziektekostenverzekeraars worden vergoed.

Je bent een webaholic ....
Er worden verschillende criteria gebruikt om te bepalen of er sprake is van problematisch of verslavend internetgebruik. De psychiater Nathan Shapira (Brain Institute van de Universiteit van Florida) heeft met zijn medewerkers een eenvoudig model opgesteld om een onderscheid te maken tussen verantwoord en verslavend internetgebruik. Hij gebruikt hiervoor het MOUSE acroniem [bron].
  • More than intended time spent online
  • Other responsibilities neglected
  • Unsuccessful attempt to cut down
  • Significant relationship discord because of use
  • Excessive thoughts or anxiety when not online

Index


Wie raakt verslaafd?

De unieke en verleidelijke interactieve kwaliteiten van het internet zijn een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor het ontstaan van internetverslaving. Een internetverslaving treedt alleen op bij mensen die daarvoor een aanleg (predispositie) hebben [Grohol]. Er is meer onderzoek nodig de naar mate waarin frustraties in het lokale sociale leven bijdragen aan een tendens tot internetverslaving.

Wat we weten is dit:

internetverslaving heeft - net als andere verslavingsvormen - meervoudige oorzaken en kent verschillende stadia. De behandeling van een verslaving heeft het meeste kans op succes wanneer er rekening wordt gehouden met de individuele factoren van elk geval apart. Er zijn veel theorieën over de etiologie van verslavend gedrag. Maar de theorie en het onderzoek naar de klinische behandeling van verslavingen zijn weinig geïntegreerd [Thombs 1994]. Sommige onderzoekers beschouwen verslaving als een primaire aandoening die niet veroorzaakt wordt door andere persoonlijkheidsfactoren. Anderen zien verslaving als een secundaire aandoening, en kijken naar factoren die daarvoor al bestonden en die verantwoordelijk zijn voor de verslaving of deze modereren. internetverslaving heeft vergelijkbare trekken als de gokverslaving [Young 1996; Goldberg 1996].

Uit onderzoek naar pathologisch gokken is gebleken dat er een sterke correlatie bestaat tussen gokverslaving en een trauma-geschiedenis. Bij gokverslaafden is het aantal mensen dat aan een trauma heeft dat leidt tot post traumatische stress symptomen, veel groter dan gemiddeld. Het is een vorm van aangeleerde hulpeloosheid die leidt tot negatieve gevoelens. De directe beloning van gokken biedt een "tijdelijke onderbreking van het onverzadigbare verlangen naar zelfbevestiging" [Taber 1987]. Mensen die aan internetverslaving lijden zijn hierover vaak defensief en vergroten de positieve aspecten van hun leven uit om dit gebrek aan zelfbevestiging te compenseren. Bij drugsverslaafden zien we hetzelfde mechanisme [Gibson 1987]. In 50% van de gevallen van IAD heeft de persoon een voorgeschiedenis met een andere verslaving [Young 1996; vgl. ook Brenner 1997].

Nancy Wesson, klinisch psychologe gespecialiseerd in de behandeling van verlegenheid en gedragsmatige verslavingen, definieert internetverslaving als "a comorbid or primary condition". Zij onderschrijft de theorie van gedragsmatige verslaving die ervan uitgaat dat de verslaving binnen de persoon ligt. Verslaafden storten zich op een of andere activiteit die een stemmingsveranderend potentieel heeft voor die persoon. Cliënten met verlegenheidsproblemen hebben obsessieve on-line relaties ontwikkeld. Dat zijn de enige relaties die deze cliënten hebben.

Internet wordt een manier om intiem sociaal contact te vermijden. Het merkwaardige is echter dat het lijkt op menselijk contact omdat mensen zich vrij voelen (resp. de vrijheid nemen) om hun meest intieme gedachten te communiceren. Het heeft dus de schijn van intimiteit terwijl het in feite alleen maar communicatie is met een computerscherm en woorden op een regel. Er is een zelfmisleiding van echte diepte en emotie omdat de meest complete masquerades mogelijk maakt ("Ik laat alleen zien wat ik wil") en de meest volledige/complete controle ("Ik wil alleen interacteren wanneer ik wil") en niemand weet echt wie ik ben (anonieme email post).

    Een leren godin
    Sommige deelnemers in virtuele rollenspelen slagen er zeer goed in om de aandacht op zich te vestigen. In de LambdaMOO heeft Lynn - in het lokale leven een rechtenstudent - een goed doordachte beschrijving gegeven van zijn fantasiekarakter met de naam Leather Goddess:
      "Confident, brown eyes look out at you, covering you with a warm, soothing glow. She has long, straight hair that reaches down to her waist and outlines the form of her shapeley, perfect figure. She wears bright red lipstick that makes the slight curl at the end of her lips all the more enticing. She sees your glance, and winks to you. She wears a skimpy leather bikini top. which does not adequateley cover her figuere. Her stomach is flat and tight, covered with light sun oil that makes her skin glisten slightly in the light. Her arms are toned, but slender. Leather Goddess has soft, delicate hands, with long, carefully manicured fingernails. Leather Goddess has on a a leather miniskirt that tightly hugs her body, showing off her figure to its best advantage. Her legs are wrapped up in black silk stockings, which show you every line and curve. Leahter Goddess' wears a pair of black pumps, wich arch her calves nicely."
    Veel MUD karakters lijken op Leather Goddess. In deze virtuele wereld is iedereen mooi en sexy - en dat is de verleiding.
Rollenspel wordt meestal gedaan in virtuele omgevingen waarin de deelnemers zelf hun eigen rol kunnen kiezen (het MOO's en MUD's genre). De spelers nemen de identiteiten aan van fictieve karakters en volgen een aantal regels die het avontuur structureren. De gebruikers kunnen beschrijvingen van zichzelf geven die het mogelijk maken er zo 'uit te zien' als zij zelf willen. Zij leven hun fantasieën uit in een door het programma gesimuleerde wereld. Het zijn dus virtuele omgevingen waarin de deelnemers enige mate van controle uitoefenen over hoe de omgeving wordt gezien door anderen. In fora met een grafische interface kunnen deelnemers persoonlijke avatars (kleine cartoonachtige karakters) maken die met andere avatars interacteren in zowel een visueel als tekstmatig versterkte manier.

We weten inmiddels ongeveer wat de contoeren zijn van het proces waardoor sommige mensen verslaafd kunnen raken aan een virtuele omgeving. Bijvoorbeeld dank zij studies als die van John Suler over Time-Warner's "Palace": Why This Thing Eating My Live? Hij analyseert het verslavingsproces in termen van hoe deze virtuele activiteit alle behoeften vervult van Maslows hiërarchie van behoeften.

  1. Aan de basis van de hiërarchie staan de basisbehoeften, zoals de behoefte aan voortplanting. Er wordt veel geflirt in het Palace, met de toegevoegde mogelijheden van 'gender swapping' en volledige anonimiteit die in het lokale sociale leven niet mogelijk is. De gemeenschappelijke deelname in een interessante virtuele omgeving is een fundamenteel middel waardoor mensen die het Palace gebruiken zich verbonden voelen. Het is net als in een gewoon café: sommige mensen komen even snel binnen als zij vertrekken, maar er bestaat meestal een kern van regulieren (vaste klanten) die elkaar allemaal bij naam kennen. Het is deze neiging om samen met vrienden rond te hangen die voor sommigen zo bindend (versterkend) wordt dat zij de kansen in het lokale sociale leven beginnen te ontkennen.

  2. Het tweede niveau van de Maslow hiërarchie is de behoefte aan leren, en het zelfrespect dat ontstaat door iemands prestaties. Computer interactiviteit in rolspelomgevingen, wanneer iemand eenmaal heeft geleerd hoe te particieren, worden in real time voltrokken. Zij bieden directe feedback en erkenning. Je krijgt snel te zien wat de resultaten zijn van je eigen inspanning om iemand anders en de omgeving te beïnvloeden. Het bouwen van een persoonlijkheid, vanaf de grond af aan, bekend worden, en dan beloond worden met de winst in status die men verdiend heeft kan een erg bevredigende manier zijn om dit behoefte niveau te vervullen. Extra status kan bereikt worden/verdiend worden door een "wizard" te worden, iemand die extra macht over andere deelnemers kan uitoefenen.

    Computer als spiegel van identiteit
    Sherry Turkle heeft een uniek boek geschreven over de manier waarop kinderen omgaan met computers in het onderwijs. In The Second Self: Computers and the Human Spirit komt zij tot de conclusie dat computers onder andere worden gebruikt als reflectie of spiegel van het Ik. Kinderen beschrijven de dingen die zij doen uiteindelijk in termen van de manier waarop een computer functioneert. De computer wordt dus als prototypisch model gebruikt voor de interpretatie van het eigen gedrag.

  3. Het hoogste niveau van Maslows hiërarchie is de behoefte aan zelf-actualisering. Dit impliceert dat men zich inspant om zich te ontwikkelen als een uniek individu en dat men probeert klaar te komen met de eigen sterfelijkheid. Het is moelijk voor te stellen hoe het bereiken van zo'n doel kan bijdragen aan een pathologie. Het internet biedt gebruikers unieke kansen om kwesties van identiteit uit te werken. En "misschien zelfs wel om innerlijke belangen, houdingen en aspecten van hun persoonlijkheid te realiseren die voorheen verborgen waren" [Suler 1996].

De conclusies van deze analyse luiden : (1) veel mensen raken in het lokale sociale leven gefrustreerd in hun pogingen om bevrediging te krijgen op een specifiek behoefteniveau; (2) zij gaan het internet beschouwen als het eerste interpersoonlijke medium dat deze behoeften bevredigt; (3) dit kan zo'n sterke bekrachtiging zijn dat zij voor enige tijd niet meer kijken naar interacties in het lokale sociale leven om deze behoeften te bevredigen. Zo wordt de balans tussen het lokale en het virtuele leven verbroken.

Sommige mensen gaan helemaal op in het cyberspace rollenspel. Zij koesteren hun on-line leven zozeer dat zij hun 'werkelijke' leven beginnen te verlaten en soms wel 18 uur per dag in de virtuele werkelijkheid leven [Kelly/Rheingold 1993; Bruckman 1994]. Er zijn berichten over internet gerelateerde dood, zoals hartstilstand als gevolg van slaapgebrek en gebrek aan persoonlijk onderhoud of zelfmoord als gevolg van net gerelateerd stress [Imer-Dewitt 1993; Rheingold 1994]. Dergelijk obsessief gedrag is een probleem geworden op een aantal studentencampussen waar beheerders van computerfaciliteiten letterlijk de stekker uit het stopcontact moesten trekken van sommige verslaafde studenten [Cassidy 1995].

In het virtuele rollenspel kan je opgaan in een gezamenlijke fantasiewereld, waar je rol en karakter zeer flexibel kunnen zijn, zelfbepaald en volstrekt anders dan je presentatie in het lokale leven. Wanneer iemand daarvoor aanleg heeft kan dit een 'pathologische absorptie' produceren. Het voorkomen van psychopathologische afwijkingen correleert met de mate van fantasie: depressies en symptomen van dissociatie komen veel voor bij mensen met een grote, ongecontroleerde fantasie respectievelijk met een gebrek aan realiteitszin. Kortom: personen die erg geneigd zijn tot fantaseren, lopen een groter risico een significante psychopathologie te ontwikkelen [Rauschenberger 1995]. Het fantasieleven van een persoon wordt gegenereerd door een onbewuste perceptie van een gebrek aan toegang tot sociale status. Contacten met anderen op het internet, waar uiterlijke statussymbolen geen betekenis hebben, kan deze mensen predisponeren voor dwangmatig internetgebruik.

Reinforcement
Verslaving is aangeleerd gedrag. Leren is een relatief duurzame gedragsverandering die optreedt als gevolg van praktische ervaring. Vanuit een ontwikkelingsperspectief nemen onze kennis en vaardigheden in de loop van ons leven toe: wat we vandaag de dag weten en kunnen is niet alleen afhankelijk van onze natuurlijke vermogens en niveau van volwassenheid, maar ook van wat we in het verleden geleerd hebben. Vanuit een structureel perspectief zijn onze kennis en vaardigheden een produkt van menselijke interactie: wat wij weten en kunnen ontstaat door actieve uitwisseling met de omgeving, d.w.z. door beweging en manipulatie of door observatie en discriminatie. Bovendien is de manier waarop we in staat zijn om onze eerder verworven inzichten en vaardigheden te gebruiken afhankelijk van de actuele omstandigheden.

De meeste psychologen benaderen leren met het model van een stimulus-response relatie. Zij interpreteren leren als gewoontevorming, d.w.z. associatief leren. Associatief leren is het leggen van een verbinding tussen een stimulans en een reactie die daarvoor niet bestond. De benoeming van objecten is afhankelijk van een reeks verbale gewoontes volgens welke bijvoorbeeld bepaalde objecten die uit hout en grafiet bestaan als stimulans dienen voor de geassocieerde reactie van 'potlood'. Al het aangeleerde gedrag kan in essentie op dezelfde manier worden geïnterpreteerd, inclusief habituele houdingen, habituele manieren van denken, habituele emotionele uitdrukkingen. Al ons leren is associatief leren: we leren alleen gewoontes.

    Hoewel het hier niet de plaats is om uitvoerig in te gaan op psychologische leertheorieën moet hierbij direct worden aangetekend dat ons leren niet alleen associatief van aard is. In ons leren spelen ook cognitieve processen ('begrijpen') een rol. Een voorbeeld van cognitief leren is ons vermogen om met behulp van een kaart de weg te vinden over wegen die we nooit eerder hebben genomen. Via redenatie komen we tot een conclusie die eerder niet bekend was. We hebben aan het eind iets nieuws geleerd, of hebben we louter oude gewoontes gevolgd? Natuurlijk hebben we oude gewoontes gebruikt. Maar begripsmatig leren kan niet worden voorspeld vanuit kennis van vroegere gewoontes en principes van gewoontevorming.

Associatief leren kan worden bestudeerd in het experiment van de geconditioneerde reactie. Dit experiment werd oorspronkelijk uitgevoerd door de Russische psycholoog en Nobelprijs winnaar Ivan Pavlov [1849-1936]. Hij bestudeerde de relatief automatische reflexen die verbonden zijn met spijsvertering. Hij ontdekte dat de stroom speeksel in de bek van een hond niet alleen wordt beïnvloed door voedsel dat in de bek van de hond werd gestopt, maar ook door het zien van het voedsel. Dat voedsel in de bek een stroom speeksel oproept, is een ongeconditioneerde reactie, d.w.z. een reactie die niet is aangeleerd. Maar de invloed van het zien van voedsel moest volgens Pavlov aangeleerd zijn. Daarom is dit een geleerde of geconditioneerde reactie. Pavlov deedt experimenten om er achter te komen hoe geconditioneerde reacties tot standkomen. Hij leerde de hond om op verschillende signalen speeksel te produceren.

Het licht gaat aan (geconditioneerde stimulus), maar er komt geen speeksel vrij. Na paar seconden verschijnt de vleespoeder in zijn bak (ongeconditioneerde stimulus) en de hongerige hond begint te eten. Het speeksel begint te stromen. Dit wordt een aantal keren herhaald: het licht wordt gevolgd door vleespoeder, het vleespoeder door speeksel. Dit volgen van de geconditioneerde stimulus door de ongeconditioneerde stimulus wordt bekrachtiging ('reinforcement') genoemd. Na een aantal bekrachtigingen begint de hond te kwijlen zodra het licht aangaat, zelfs al volgt daarop geen voedsel. Wanneer dit gebeurt is er een geconditioneerde reactie tot stand gebracht.

De gebruikelijke volgorde van gebeurtenissen is dus: geconditioneerde stimulans - ongeconditioneerde stimulans - reactie. De geconditioneerde stimulans is een signaal dat de ongeconditioneerde stimulans er aan begint te komen. Het licht is een teken dat het voedsel eraan komt. De geconditioneerde reactie is een gewoonte omdat (1) een associatie wordt gemaakt tussen een stimulans en een reactie, en (2) deze associatie is aangeleerd. Dit is wat we klassieke conditionering noemen. Daarnaast onderscheiden we operant conditionering en multiple-response leren.

Klassieke conditionering is de vorming (of versterking) van een associatie tussen een geconditioneerde stimulans en een reactie middels de herhaalde presentatie van de geconditioneerde stimulans in een gecontroleerde relatie met een ongeconditioneerde stimulans die oorspronkelijk deze reactie opriep. Omdat de geconditioneerde reactie lijkt op de ongeconditioneerde reactie kan deze vorm van leren 'stimulans substitutie' worden genoemd.

We spreken dus van reinforcement wanneer de geconditioneerde reactie wordt gefaciliteerd door de aanwezigheid van de ongeconditioneerde stimulans en de reactie daarop. Reinforcement is elke gebeurtenis waarvan het optreden de waarschijnlijkheid vergroot dat een stimulans/prikkel bij volgende gelegenheden een reactie zal oproepen. Deze bekrachtiging kan zowel positief als negatief van aard zijn (beloning versus straf). Elke stimulans kan als bekrachtiging fungeren via associatie met een bekrachtigende stimulans (second-order conditioning; secondary reinforcer).

Op het plaatje hieronder is de experimentele opzet van Pavlov geschetst. De hond staat vastgesnoerd aan een apparaat dat niet zou misstaan in een SM-kamer. In zijn bek is een slang aangebracht om het kwijlgedrag van de hond te meten. De hond staart naar een soort raam dat bij nader inzien verdacht veel weg heeft van een computerscherm. Er is niet te veel fantasie nodig om hierin een afbeelding te zien van een internetverslaafde die vastgeketend aan zijn stoel naar een scherm staart waarop allerlei prikkelende signalen verschijnen. Misschien wordt het tijd om te onderzoeken hoe bij intensieve internetgebruikers de relatief automatische reflexen verlopen door hun kluistering aan de buis van het computerscherm.

Pavlov
Een internetverslaafde?

Index


Behandelingssuggesties

We weten allemaal dat voorkomen beter is dan genezen. Toch is het meer dan waarschijnlijk dat er in de toekomst meer mensen aan het internet verslaafd zullen raken. Daarom zouden we ons ook moeten afvragen hoe dwangmatig internetgebruik kan worden genezen.

De behandeling van gedragsmatige verslavingen wordt vergemakkelijkt door een nauwkeurige beoordeling van de unieke gedragsmatige versterkingspatronen van elk individueel geval. Dat is moeilijk omdat internetverslaving zo'n nieuw verschijnsel. Mensen die hulp zoeken voor zichzelf of voor hun geliefden, moeten diverse obstakels overwinnen. Ten eerste moeten zij een psycholoog of psychiater vinden die het bestaan van het probleem erkent en niet toeschrijft aan een andere pathologie. Ten tweede zijn psychologen nog onvoldoende geïnformeerd over de specifieke types van sociale interactie op het internet om gekwalificeerd te zijn om een behandelingsplan op te stellen voor internetverslaving [Young 1996, 1997].

Behandelingsprogramma's voor internetverslaving zijn alleen maar effectief wanneer er rekening wordt gehouden met de kenmerken van het specifieke internetgebruik dat verantwoordelijk is voor de individuele problemen. Elke vorm van internetgebruik (email, real time chat, MOO's, MUD's) heeft zijn eigen bekrachtigingspatroon [Young 1997]. Iemand die verslaafd is aan het cultiveren van alternatieve identiteiten in digitale rollenspelen (in MOO's) moet anders worden behandeld dan iemand die verslaafd is aan het on-line kletsen met goede vrienden (in chat boxen). Therapieën moeten rekening houden met de preciese aard van de on-line sociale activiteit van de patiënten.

Voor alle subtypen van internetverslaving geldt echter dat het raadzaam is het internetgebruik van de cliënten te beperken tot een bepaald aantal uren per dag. Met zo'n regulering worden grenzen gesteld aan de neiging om maar op het internet rond te hangen omdat er altijd iets opwindends kan gebeuren. Je kunt bijvoorbeeld proberen om de email slechts een keer per dag op een vast tijdstip te lezen. Hierdoor wordt de verslaving ingepast in een vast schema en neemt de versterkende waarde af. De eerste stap in een herstelprogramma is het tegengaan van het verlangen om in te loggen om te zien wat er gebeurd zou kunnen zijn.

Index


Conclusies en taken

De technologische progressie in communicatiemedia heeft een nieuw domein van sociale interactiviteit geopend. Het is nu mogelijk om vanuit de privacy en heiligheid van het eigen huis de eigen ideëen te publiceren naar honderden of duizenden andere mensen en directe en uitgestelde retourinformatie te ontvangen van grote afstanden. Dit is een nieuwe ontwikkeling die de traditionele massamedia, met zijn 'een-op-velen' formaat, verrijken met een decentraal 'velen-op-velen' formaat, voor miljoenen internet gebruikers in de wereld. Het biedt mogelijkheden voor een heel andere vorm van menselijke interactie. Het is moeilijk om alle implicaties daarvan in beeld te brengen. Daarvoor is deze ontwikkeling nog te recent. Bovendien verandert dit nieuwe domein van sociale interactiviteit zich zeer snel. internetverslaving is anders dan andere vormen van gedragsmatige verslaving, omdat het interactie met anderen impliceert in de context van dit nieuwe, nog weinig onderzochte medium.

Het gebruik van het internet is niet meer inherent verslavend dan elke andere menselijke activiteit die iemand plezierig, waardevol of productief kan vinden, of deze nu sociaal van aard is of niet. Een volledig begrip van internetverslaving is alleen mogelijk wanneer we de persoonlijke gedragsaspecten die uniek zijn voor het internet volledig begrijpen. We hebben gezien wat voor soorten interacties er alleen op het internet mogelijk zijn en dat deze een hoge stimulerende waarde hebben. De unieke kenmerken van on-line sociale interactiviteit liggen in de combinatie van de ongeremde en hyperpersoonlijke aard van het sociale contact in een virtuele sfeer met de selectiviteit, anonimiteit en beschikbaarheid.

Het onderzoek richt zich nu vooral op de kenmerken van internetgebruikers die hen vatbaar zou kunnen maken voor internetverslaving. Cruciaal is de koppeling tussen de unieke kwaliteiten van het internet en een aantal inherente persoonlijke predisposities. De combinatie daarvan kan het optreden van internetverslaving verklaren. Gebrek aan realiteitszin ('fantasy proness'), verlegenheid, sociale fobie, gebrek aan sociale status of aandacht zijn de kenmerken die mensen kwetsbaar maken voor internetverslaving, met name wanneer zij worden blootgesteld aan onmiddelijke acceptatie en de met projecties geladen aard van virtuele interperoonlijke relaties.

Speciale aandacht is nodig voor het gebruik van en de verslaving aan cyberpornografie en interpersoonlijke cyberseks. Alles dat dergelijke basale menselijke wensen veilig, snel en volledig kan bevredigen ('instant satisfaction') is voorbestemd om voor sommigen een verslaving te worden. Het probleem hierbij is uiteraard de 'heimelijkheid' waarmee pornografie-consumptie en cybersex omgeven zijn. De vraag is hoe we mensen kunnen stimuleren om zelf over dergelijke internet-activiteiten te berichten.

Virtuele relaties zijn mobiel, kunnen erg ondersteunend zijn [Wellman 1996] en hebben minimale risico's vergeleken met potentiele winst [Walther 1996]. Mensen gebruiken het internet om nieuwe relaties aan te gaan. Zij raken betrokken in nieuwe, stimulerende communicatie- en interactiepatronen waaraan zij zelfbevestiging en zelfs een virtuele identiteit ontlenen. Een groot aantal nieuwe gebruikers raken voor enige tijd gepassioneerd wanneer zij voor het eerst worden geconfronteerd met de mogelijkheden van lange afstandsvriendschappen en de statusgelijkheid die inherent is aan virtuele platforms en netwerken. In de diagnostische criteria voor internetverslaving is het tijdsperspectief erg belangrijk. Bij internetverslaving gaat het alleen om de duurzame gerichtheid op online interacties, over een significate tijdsperiode waarin verlies in het lokale sociale leven optreedt. Dat maakt internetverslaving een pathologische conditie, in tegenstelling tot een vrij gekozen passie. Zoals bij alle verslavingen blijft het echter moeilijk om een duidelijke lijn te trekken tussen 'normaal' enthousiasme en 'abnormale' preoccupatie.

Index Individualisering en virtuele socialisatie: een nieuwe derde plaats?

Er is hiervoor al op gewezen dat internet allesbehalve een 'koude plaats' is. Voor 'koude plaatsen' moet men kijken naar de kapitalistische markten die zich uitstrekken tot praktisch alle domeinen die eens —om zeer goede redenen— als 'sociaal', 'collectief' of 'niet-commercieel' werden verklaard: het onderwijs, de gezondheidszorg, de arbeidsbemiddeling, etc. De commercialisering en het marktdenken is zelfs gepenetreerd in domeinen die eens —om misschien nog betere redenen— tot onze privé-sfeer werden verklaard: de telemarketing specialisten sloven zich uit om de boodschappen van hun opdrachtgevers direct in onze woningen te brengen.

Virtuele Derde Plaatsen
Derde plaatsen zijn openbare gelegenheden naast thuis en werk, waar mensen informeel bijeenkomen en waar conversatie de belangrijkste activiteit is. Dit gebeurde vroeger in koffiehuizen, cafés, markten, bankjes op het plein of een buurtwinkel. Die (semi-)openbare plaatsen worden echter steeds commerciëler en anoniemer. Virtuele gemeenschappen kunnen de functies van de traditionele derde plaatsen overnemen. Het meest pregnant gebeurt dit in virtuele kroegen, waar mensen converseren over hun dagelijkse beslommeringen rond relaties, huwelijk, kinderen en werk.
Voor 'koude plaatsen' moet men kijken naar de grote steden. Door de onpersoonlijke isolatie van onze grote steden leven mensen vaak gescheiden van bloedverwanten of eenzaam temidden van velen [North 1996]. De traditionele, lokale gemeenschappen vormden eens de harde kern van duurzame sociale cohesie. Zij waren verankerd in vrij of goedkoop toegankelijke 'third places' zoals kroegen en kerken, parken en pleinen, straathoeken en markten. Deze traditionele gemeenschappen zijn steeds verder gedesintegreerd en de relatieve coherentie en herkenbaarheid van de —daarin gecultiveerde— sociaal-culturele milieus is verloren gegaan. Dat heeft ruimte geschapen voor een verdergaande individualisering van levensstijlen. Daarover hoeven we ons niet te beklagen. Waarom zouden we treuren om het verloren gaan van op armoede, achterlijkheid en dwang gebaseerde vormen van socialisatie? Wie wil er terug naar de tijd van de dwangcollectivering?

De andere kant van deze individualiseringstrends is dat de 'warme banden van geborgenheid en solidariteit' die binnen traditionele gemeenschappen nog zo sterk aanwezig waren niet vervangen worden door nieuwe 'warme plaatsen', door nieuwe vormen van gemeenschapsvorming. Daarom wordt er tegenwoordig zoveel gepraat over het verval van de sociale cohesie, de teloorgang van de gemeenschapszin, kortom: het verdwijnen van warme - persoonlijke en solidaire - bindingen. In een dergelijke situatie moet men zich afvragen of en in welk opzicht het internet een alternatief sociaal leven kan worden - een vitale bron van interpersoonlijke contact ondanks zijn niet-fysieke aard.

Individualisering betekent niet het verdwijnen van gestructureerde sociale ongelijkheid en het verdwijnen van collectieve (sub)culturele identiteiten en sociaal-morele milieus.

Individualisering betekent het verdwijnen van dwangmatige ('gelijkschakelende') vormen van collectivering. Individualisering moet niet worden verward met 'privatisering' en is zeker ook niet hetzelfde als toenemend 'egoïsme' en het wegvallen van 'sociale bindmiddelen'.

Het proces van individualisering van levenstijlen is een reactie op de erosie van traditionele sociaal-culturele milieus en leidt tot een pluralisering van levensstijlen en sociaal-culturele milieus. Men zou dit positief kunnen waarderen als men vertrekt vanuit het normatieve uitgangspunt dat alle individuen over gelijke vrijheden dienen beschikken om hun telkens verschillende menselijke vermogens optimaal te kunnen ontwikkelen, zonder dat hieruit privileges ontstaan. Alle barrières die verhinderen dat dit —bewust maximaal geformuleerde— doel bereikt wordt, zijn het waard om geslecht te worden. De traditionele vormen van familiale, schoolse en werk- en buurtgebonden socialisatie waren tot op niet geringe hoogte altijd al vormen van dwangcollectivering.

We kunnen individualisering zowel negatief als positief benoemen:

Individualisering (negatief)erosie van traditionele sociaal-culturele milieus en terugdringen van dwangmatige vormen van socialisering en collectivering.
Individualisering (positief)toenemende verscheidenheid('pluralisering') van levensstijlen en sociaal-culturele milieus.

Toch zijn er nieuwe virtuele gemeenschappen onstaan in de door het internet gecreëerde 'cyberspace'. Zij genereren een nieuw soort gemeenschapsgevoel dat niet meer opereert binnen geografische lokaliteiten of specifieke - etnische, religieuze, linguistische - grenzen.

De virtuele gemeenschappen die via het internet ontstaan nemen in meerdere opzichten de functies over van de door verzakelijking en urbanisatie in verval geraakte traditionele gemeenschappen. De ontwikkeling van virtuele gemeenschappen kan voor een deel verklaard worden als reactie op de desintegratie van de traditionele, lokale gemeenschappen die verankerd waren in vrij of goedkoop toegankelijke 'third places' zoals kroegen en kerken, parken en pleinen, straathoeken en markten.

Virtuele gemeenschappen ontstaan min of meer spontaan wanneer voldoende mensen elkaar regelmatig tegenkomen in de 'third places' van cyberspace (zoals chat rooms, discussiefora of conferentiesystemen). Leden van virtuele gemeenschappen komen online bijen om zo ongeveer alles te doen wat anderen in hun lokale sociale wereld doen.

Het sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar 'virtuele socialisatie' op het internet staat nog in de kinderschoenen. Maar de contoeren van het onderzoeksprogramma beginnen zich af te tekenen. Het zal zich moeten concentreren op de eigenaardigheden van de mechanismen en vormen van sociale integratie die zich via het internet ontstaan. Daarbij moet de aandacht niet gefixeerd worden op de vorming van hechte en stabiele virtuele gemeenschappen (met grote saamhorigheid en sterke ledenbinding). Het onderzoek zou zich moeten richten op het hele spectrum van virtuele sociale integratievormen: van bilaterale relaties ('personal communities'), via open en gesloten netwerken tot aan afgebakende groepen met een gemeenschappelijke identiteit en een duidelijke afbakening naar buiten.

Index Informatiebronnen

  1. Sociaal-psychologische bronnen op internet.

  2. Adekola, O. / Yolles, Jennifer C. / Armenta, Wendy [1999]
    Cybersuicide: The Internet and Suicide
    American Journal of Psychiatry 156: 1836-7.

  3. Brenner, Viktor [1997]
    Psychology of Computer USE XLVII. Parameters of Internet Use, Abuse, and Addiction. The First 90 Days of the Internet Usage Survey.
    In: Psychological Reports 90(3): 879-82.
    De eerste poging om de psychologische effecten van internetgebruik in kaart te brengen als een eerste stap naar het definiëren van de parameters van het begrip 'internetverslaving'.

  4. Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-IV)
    Een verkorte versie van de officiële DSM-IV, gepubliceerd door de American Psychiatric Association, Washington D.C., 1994.

  5. Gackenbach, Jayne (ed.) [1998]
    Psychology and the internet: Intrapersonal, Interpersonal, and Transpersonal Implications
    San Diego: Academic Press.
    Onderzoek over de wijze waarop het internet invloed heeft op onze definitie van wie we zijn, onze communicatie- en werkpatronen. Het laat ook zien hoe met betrekking tot internetgebruik normaal gedrag verschilt van pathalogisch gedrag. Het boek is in drie secties verdeeld. De eerste sectie gaat over het 'zelf' in relatie tot het internet. De tweede sectie behandelt de wijze waarop het internet gebruikt wordt om nieuwe vrienden te maken, geliefden te vinden en zaken te doen. De laatste sectie onderzoekt de filosofische implicaties van internetgebruik en van onze definities van werkelijkheid en bewustzijn.

  6. Greenfield, David N. [1999]
    Virtual Addiction: Help for Netheads, Cyberfreaks, and Those Who Love Them
    New Harbinge Publications.
    Greenfield is een deskundige op het gebied van internetverslaving. Hij begon zijn onderzoek naar obsessief online gedrag toen hij merkte dat steeds meer paren die op zoek waren naar huwelijkscounseling worstelden met problemen die te maken hebben met cyberspace. Greenfield laat zien hoe je kunt omgaan met cyberaffaires en cybersex, en hoe je kinderen kunt beschermen voor de gevaren van cyberspace. Het boek eindigt met een aantal waarschuwingstekens van netmisbruik van internet, een stappenplan voor verslaafden om hun gedrag te veranderen, en een advies voor dwangmatige kopers en aandelenhandelaren.

  7. Griffiths, M. [1995]
    Technological addictions. In: Clinical Psychology Forum, 76, 14-9.

  8. Grohol, John M.
    Internet Addiction guide

  9. Huang, M.P. & Alessi, N.E. [1996]
    The internet and the Future of Psychiatry.
    American Journal of Psychiatry 153(7): 861-68. Abstract

  10. IVO - Instituut voor onderzoek naar Leefwijzen & Verslaving
    Een onderzoeksinstituut dat zich richt op het verwerven en overdragen van wetenschappelijke kennis van de verslavingsproblematiek. Sinds 1999 doet het IVO ook onderzoek naar problemen die het gevolg zijn van overmatig gebruik van het internet.

  11. James, Leon [1994]
    Cyberpsychology: Principles of creating virtual presence

  12. Janower, Cynthia R [1996]
    Gambling on the internet
    Journal of Computer-Mediated Communication: Volume 2, Number 2: Part 2 of a Special Issue, September, 1996.
    Onderzoek naar de politieke en sociale gevolgen van de opkomst van de online gokindustrie en de mogelijkheid om via regelgeving de ontwikkeling van deze industrie af te remmen. Sinds 1995 wordt gokken via het internet op brede schaal beschikbaar gemaakt. Hierdoor wordt dwangmatig gokken sterk gestimuleerd. De vraag is of centrale en lokale overheden hier iets aan kunnen doen. Hoe hou je bijvoorbeeld buitenlandse virtuele casino's buiten de deur?

  13. Jantz, Gregory, L. / McMurray [1998]
    Hidden Dangers of the internet: Using it Without Abusing It
    Harold Shaw Pub.

  14. Joinson, Adam N. [2002]
    Understanding the Psychology of Internet Behavior: Virtual Worlds, Real Lives.
    Houndmills: Basingstoke, Hampshire.

  15. Kiesler, S., Siegal, J., & McGuir, T. [1985]
    Social psychological aspects of computer-mediated communication.
    In: American Psychologist 39: 1123-34.

  16. King, Storm A. [1999]
    Internet gambling and pornography: illustrative examples ofthe psychological consequences of communication anarchy.
    CyberPsychology and Behavior, Vol 2, 3. Abstract. Dit artikel is op aanvraag verkrijgbaar op King’s Stormsite.
    Er worden twee gebieden van internetgedrag, gokken en verspreiding van pornografie, onderzocht vanuit de vraag wat zij onthullen over de diepere sociale en psychologische veranderingen die veroorzaakt worden door recente progressie in de communicatietechnologie. King verwacht dat er het aantal mensen dat behandeld moet worden voor internet-gerelateerde problemen zal toenemen. Hij laat zien hoe het internet een paradigmaverschuiving teweeg brengt in de relatie van individuen ten opzicht van lokale, regionale en nationale overheden. Mensen - en zelfs minderjarigen - kunnen niet meer volledig worden beschermd door hun overheden voor materiaal dat als schadelijk wordt ervaren door de gemeenschap waarin men leeft. We weten nog niet goed wat de psychologische gevolgen zijn van de toenemende behoefte aan individuele verantwoordelijkheid bij de toegang tot potentieel gevaarlijke domeinen. In dit artikel schetst King de contoeren van een onderzoek naar de mate van pathologische betrokkenheid in online gokken en pornografie. Hij ziet dat als een opstapje voor het ontdekken van de potentieel negatieve psychologische gevolgen van het onvermogen om de inhoud van het internet te reguleren.

  17. King, Storm A. [1995]
    Effects of Mood States on Social Judgements in Cyberspace: Self Focused Sad People as the Source of Flame Wars.

  18. King, Storm A. / Barak, A. [1999]
    Compulsive Internet Gambling. A new form of an old clinical pathology.
    In: CyberPsychology & Behavior 2: 441-56. Abstract
    Online casino's hebben de laatste jaren een enorme vlucht doorgemaakt. Het artikel concentreert zich op de unieke en psychologisch significante factoren die invloed hebben op het online gokgedrag. Er wordt een analyse gepresenteerd van de factoren die online gokken faciliteren en stimuleren: het gemak van de toegang tot online gokken, de anonimiteit en privacy van het gokken vanuit het eigen huis, enzovoort. Een overzicht van de grafische interface van diverse virtuele casino's laat zien hoe verleidelijk en realistisch ervaring met online casino's kan zijn. Internetcasino's gebruiken psychologische verleidingsmethoden om het online gokken aantrekkelijk, toegankelijk en gemakkelijk te doen maken. De verwachting is dat online gokken diepgaande psychologische en sociale gevolgen zal hebben juist vanwege de globale aard van het internet, in combinatie met de beperkte mogelijkheden van lokale overheden om online gokken effectief te reguleren of te verbannen.

  19. Lissman, T.L. / Boehnlein [2001]
    A Critical Review of Internet Information About Depression.
    In: Psychiatr. Serv. 52(8): 1046-50.
    Een onderzoek naar de kwaliteit van informatie over depressie die op het internet beschikbaar zijn. De algemene conclusie is dat de kwaliteit van de informatie slecht is. Commerciële sites scoren in dit opzicht nog veel slechter dan non-profit sites. Misschien niet erg verrassend, maar wel iets om rekening mee te houden als men op zoek is naar goede informatie over depressies.

  20. Meerkerk, Gert-Jan [2007]
    Pwned by the internet -Exploratorive research into the causes and consequnces of compulsive internet use
    In een drietal studies werden oorzaken en gevolgen van compulsief internetgebruik verkend. Daarnaast is een vragenlijst ontwikkeld en gevalideerd om compulsief internetgebruik te meten, de zogenaamde Compulsive Internet Use Scale (CIUS).

  21. Putman, Dana E.
    Online Sexual Addiction Homepage (OSA)
    Een site gericht op het helpen van mensen die dwangmatig zijn in hun seksuele gedrag op het internet. De site van de Friends of OnlineSexAddict is een forum voor gebruikers van OSA die elkaar ondersteunen door het uitwisselen van bronnen die sexverslaafden (en hun partners) helpen om te helstellen van sexverslaving.

  22. Rooij, A. J. Van / Schoenmakers, T. M. /Meerkerk, G. J. / Griffiths, M., / Van de Mheen, D. [2010]
    Videogameverslaving & maatschappelijke verantwoordelijkheid van de game-industrie (Factsheet).
    Rotterdam: IVO.

  23. Sherer, K. [1997]
    College life online: Healthy and unhealthy internet use.
    Journal of College Life and Development, 38: 655-65.

  24. Shotten, Margaret, A. [1991]
    The costs and benefits of 'computer addiction'. In: Behaviour and Information Technology, 10, 219-230.

  25. Stein, D.J. [1997]
    Internet addiction, Internet psychotherapy
    American Journal of Psychiatry 154: 890.

  26. Tratos, M. G. [1996]
    Gaming on the internet

  27. Turkle, Sherry [1984]
    The Second Self: Computers and the Human Spirit. New York: Simon and Schuster. [Bezoek de auteur]

  28. Turkle, Sherry [1995]
    Life on the Screen: Identity in the Age of the Internet.
    New York: Simon and Schuster.

  29. Wallace, Patricia [1999]
    The Psychology of the Internet.
    Cambridge: Cambridge University Press.

  30. Walther, J. B. [1996]
    Computer-Mediated communication: Impersonal, interpersonal, and hyperpersonal interaction.
    Communication Research, 23, 1, p. 3-43.

  31. Young, Kimberley S. [1998]
    Caught in the Net. How to Recognize the Signs of internet Addiction and A Winning Strategy for Recovery.
    New York: John Wiley & Sons. De table of contents, de inleiding en een aantal recensies staan online.
Index
Home Onderwerpen Zoek Over ons Doneer Contact

21 September, 2013
Eerst gepubliceerd: Februari, 1998